Bananagrams

Onze vriendin uit Engeland was op bezoek.
Ze bracht een spelletje mee, dat we (volgens haar) heel erg leuk zouden vinden.

Nu houd ik niet zo erg van spelletjes. Ik word er zenuwachtig van en ik verlies altijd.
Zodra er een tijd-element bij komt kijken klap ik dicht. Ik hoor alleen maar het tikken van de klok. Zelfs als we nog niet eens begonnen zijn heb ik al het idee dat ik op achterstand sta.

Bij Bananagrams, waar het hier om gaat, moet je zo snel mogelijk klaar zijn, dus dan weet je het wel.
Het is de bedoeling dat je met jouw letters woorden maakt op kruiswoordpuzzelmanier. Wie het eerst al zijn letters gebruikt heeft is winnaar.

 

Op zich gaat dit nog wel, er wordt een beroep gedaan op je kennis en je bent niet louter afhankelijk van geluk. Maar nu komt het: je begint met een bescheiden aantal letters, de rest blijft in het midden liggen. Zodra iemand zijn eerste portie letters gebruikt heeft roept hij PEEL en moet iedereen er een letter bij pakken.

In de praktijk betekent dit dus, dat als je net verdiept bent in een mooi woord, je je de pleuris schrikt omdat een of andere fanaat al door z’n letters heen is. Je pakt een nieuwe letter, waar je helemaal niet op zit te wachten en net als je je concentratie weer hebt wordt opnieuw PEEL geroepen.

Je probeert wanhopig letters kwijt te raken, maar je stapeltje groeit gestaag en je schiet geen pest op.

Ondertussen zitten de anderen gezellig hun lettertjes neer te leggen en doen alweer hun mond open om PEEL te roepen. Je wil PEEL je reet zeggen, maar dat mag niet.

Dan is er natuurlijk iemand helemaal klaar, terwijl jij nog een hele stapel hebt liggen. Die speler roept BANANAS, want dat moet van de spelregels.
Je hebt verloren, maar er is nog één hoop: de BANANAS-schreeuwer kan een woord verkeerd gespeld hebben, en is dan af. Om de terminologie van het spelletje te handhaven: hij is een rotten banana.

Op internet zijn filmpjes te zien, waarop drie mensen heel gezellig het spelletje zitten te spelen. Er is geen geluid bij, ik vermoed dat dit geen toeval is.

Welke infantiele misantroop verzint zulke spelletjes?

Gelukkig is er ook nog een rustiger variant, waarmee ik kan leven, de Banana Smoothie. Hier worden alle tegeltjes uitgedeeld en kan je ongestoord je woorden leggen. Je verliest natuurlijk, want de anderen zijn altijd sneller (en jij hebt nog twee Q’s en drie X-en), maar er zit tenminste niet de hele tijd iemand PEEL te gillen.

Gisteren won ik eindelijk een potje van mijn vrouw, mijn gedeukte ego is een klein beetje opgeknapt.
Gelukkig stond ze grootmoedig toe dat ik Ipad en Instagram had neergelegd (een mens moet immers met zijn tijd meegaan), hoewel dit volgens de spelregels niet toegestaan is. Borg is ook op het randje, maar dat had ze niet gezien.

(Eigenlijk dus een rotten banana)

(Mijn vrouw had 13 letters over!)

 

Als Netflix weer eens niets te bieden heeft en als je boek uit is zou je het spelletje kunnen spelen. Muziekje aan en borrelnootjes bij de hand.

 

(Wie verbaasd is over mijn hekel aan spelletjes terwijl ik toch een verwoed bridger ben moet zich realiseren dat bridge een sport is, geen spelletje. En zelfs als je het een spel noemt heb je het toch in ieder geval over de koningin der kaartspelen. En er zit tenminste niemand tussendoor te schreeuwen).

 

De Rotterdamse stadsvilla’s

Ik had ontdekt dat je een rondleiding kon krijgen langs de beroemde villa’s van Hoboken.

Op een mooie zondag vertrokken we naar Rotterdam (we reisden heerlijk met de trein) en vervoegden ons bij Museum Chabot.
Zoals ook in veel andere musea gebruikelijk is, werd de balie bemenst door twee vrijwilligsters, die de zestig al enige tijd geleden gepasseerd waren. Uit de chaotische en licht paniekerige manier waarop ze zelfs de geringste uitdaging het hoofd boden maakte ik op dat hun voornaamste bezigheid tot op heden bestaan had uit het bestieren van een niet al te ingewikkelde tweepersoons huishouding.

Nadat ze mij in eerste instantie aanzagen voor de degene die de rondleiding zou verzorgen in plaats van iemand die gekomen was om haar te volgen en mijn echtgenote het gebruik van de wc hadden ontzegd omdat het hun ontgaan was dat zij twee minuten eerder haar toegangsbewijs had getoond kwam alles toch nog goed.
Een van de aardige mevrouwen behield mijn toegangsbewijs en gaf mij per abuis haar lijst met deelnemers aan de wandeling. Dat dacht zij althans, want zij kwam hollend naar buiten, het haar dat ze die ochtend zorgvuldig had opgestoken inmiddels op diverse plaatsen aan de wrong ontsnapt, en eiste van mij haar lijst terug. Toen ik die niet kon produceren ging ze vervolgens wanhopig alle deelnemers af maar het belangrijke document kwam niet boven water.
Ze wiste zich het zweet van het voorhoofd, schikte haar van hippische motieven voorziene shawl wat beter om de dunne nek en ging over tot het rekenen van de verkeerde prijs voor de grappige museumwinkeldingetjes die enkele bezoekers bij haar wilden afrekenen.
Hoe zij de strijd verder aangebonden heeft met de kassa konden wij verder niet meer meemaken, want inmiddels was onze gids gearriveerd.

 

Die was gelukkig uit wat steviger hout gesneden en vertelde ons veel interessante dingen over de vijf villa’s die in de periode 1930 -1960 zij gebouwd op het voormalige land van Hoboken, een heel groot landbouwareaal midden in de stad, dat lange tijd bezit was van een rijke familie.
Deze familie wilde aanvankelijk niet dat hun mooie landgoed zou worden bebouwd, dat zou ernstig afbreuk doen aan hun uitzicht, maar de stad drong steeds harder aan omdat er behoefte was aan woningen en bedrijfsterreinen.
Er kwam uiteindelijk een compromis: er mocht gebouwd worden, maar er moest wel een cultureel/sociale bestemming aan de projecten gegeven worden.

De gemeente Rotterdam wilde graag enkele vermogende inwoners die plannen hadden naar Wassenaar te verhuizen behouden en stelde hen in de gelegenheid een villa op het voormalig landgoed te laten bouwen. Als deze villa’s onder moderne architectuur zouden worden gebouwd zouden ze passen onder de noemer “sociaal cultureel”.

Ze zouden verrijzen in de buurt van het museum Boymans.

De eerste vier villa’s werden gebouwd in de jaren 30, de laatste in 1960.
Twee zijn voor het publiek toegankelijk (het museum Chabot en Villa Sonneveld), de andere zijn omgebouwd tot kantoor of praktijk.

De villa die het laatst gebouwd werd verschilt van de andere: hij is wel wit, maar de muren zijn van baksteen en niet van gepleisterd beton.
De andere zijn allemaal ontworpen in een Bauhaus-achtige stijl, zakelijk, strak en functioneel. De gids gebruikte de term het huis als machine.  Dit thema werd nog versterkt door de moderne snufjes die werden toegepast.

Als door een wonder hebben de huizen het bombardement van 1940 overleefd. Op deze foto is een van villa’s te zien zijn met op de achtergrond donkere rookwolken van de brandende binnenstad.

 

De wandeling was uitermate interessant, de gids verstond haar vak en ik vind het heerlijk naar een goed verhaal te luisteren terwijl ik ondertussen rustig kan kijken naar dat waarover verteld wordt.

We konden de villa’s goed bekijken, je kunt er bijna helemaal omheen lopen.
Aan het slot van de rondleiding konden we nog even naar binnen in het Chabotmuseum, om ook de binnenkant te bewonderen.
We hadden eerder als eens de villa Sonneveld bezichtigd. Zie mijn blog hierover.

Zeer de moeite waard!

Dit is de site waar je een wandeling kunt boeken.

 

Over enkele weken krijgen we een rondleiding door de van Nellefabriek!

 

Klinkende munt

Ik heb van mijn moeder een metalen busje geërfd waarin allemaal muntjes zitten.
Ze komen uit allerlei landen en zijn in haar bezit gekomen via haar moeder, mijn oma.

Mijn oma was getrouwd met een “Godsdienstonderwijzer”. Hij trok met zijn T-Ford van dorp naar dorp en verving daar de plaatselijke predikant als die niet kon preken. Mijn moeder vergezelde hem vaak.

 

Mijn grootouders woonden in Zeeland, de bevolking was daar doorgaans protestant en trouw kerkganger.
Tijdens de dienst werd gecollecteerd en na afloop telden mijn opa en mijn moeder het geld.

De collectezakken (vaak bevestigd aan lange bamboestokken zodat ook de moeilijk te bereiken gelovigen hun bijdrage konden leveren) werden leeggestort in de consistoriekamer en de muntjes werden gesorteerd. Ik stel me voor dat er weinig biljetten bij hebben gezeten.

Nu gebeurde het heel regelmatig dat de kerkgangers een buitenlands of heel oud muntje in de collectezak hadden gedeponeerd. Soms waren het zelfs penningen die geen betaalmiddel waren.
Mijn opa wist kennelijk niet wat hij met die vreemde muntjes moest doen en stopte ze maar in een busje.

Wat een fantastisch staaltje hypocrisie werd hier tentoongesteld: braaf naar de kerk gaan, aantoonbaar een bijdrage leveren aan de kerk (iedereen hoorde immers het geluid dat jouw muntje maakte toen het in de zak werd gegooid) en dan stiekem de boel belazeren met een waardeloze bijdrage.

Het is heel goed mogelijk dat het hier gaat om gemeenteleden die zo arm waren, dat ze echt geen cent konden missen voor de kerk, maar ik heb zo’n vermoeden dat er ook weleens een steile Zeeuwse boer bij zat die genoeg geld had.

Je vraagt je natuurlijk af hoe deze kerkgangers met zichzelf (en hun God) in het reine kwamen. Ik kan me namelijk niet voorstellen dat deze mensen zich niet realiseerden dat ze uiterst onchristelijk bezig waren.
Wat opvalt is, dat ze er niet voor kozen de collectezak aan zich voorbij te laten gaan, een bijdrage is immers niet verplicht. Kennelijk was dat, zelfs als je volkomen berooid was, absoluut not done.
De angst dat er door je medegelovigen op je neergekeken werd was dus groter dan de vrees voor de Heere.

Heeft het er iets mee te maken dat het hier om Protestanten ging?
Vast staat dat de Katholieken door de eeuwen heen ongelooflijk veel geld gedoneerd hebben aan de kerk, de schitterende kerken die met enorm veel inspanning en offers gebouwd zijn getuigen hiervan.
Zou de kathedraal van Den Bosch er gestaan hebben als de Roomse gelovigen ook zoveel waardeloze muntjes hadden gedoneerd?

 

 

Wat zit er allemaal in het busje?

Heel veel geld uit Europese landen, maar ook wel van veel verder weg. De munten zijn meestal eind 19e, begin 20e eeuw gedateerd.

Het hakenkruis op enkele muntjes: een lesje geschiedenis. De muntjes zijn uit 1937-1939.

Deze zijn allemaal zo versleten, dat niet meer vast te stellen is waar ze vandaan komen of uit welk jaar ze zijn. Het was natuurlijk wel klinkende munt in het kerkzakje.

Van links naar rechts: Zweminrichting Heemstede 1930, een reclamepenning van Brandstofhandel Apeldoorn, een hangertje Virgo Maria (van de concurrent dus), one penny 1902 (Engeland), een Chinese munt met vierkant gat en een munt van de Chambre de Commerce d’Evreux 1921

Het opschrift is bijna niet te lezen, Concoriares Arveoris, er staat een wapenschild op met een draak en een waardeaanduiding (?) van 6s. Op de achterkant een ridder te paard. Voor zover ik kan zien geen jaartal.

Het linkermuntje is een cent uit 1863; Op het andere muntje staat India Batav 1803, met aan de andere kant  het Nederlandse wapen en de waarde 5 1/16.

 

Ten slotte: toen ik de muntjes bekeek realiseerde ik me dat het heel goed mogelijk is, dat er een interessante (en misschien wel heel waardevolle!) bodemvondst bij zit.
Stel je eens voor, dat een gierige Zeeuw destijds geheel onwetend een fortuin heeft geschonken aan de kerk….
Misschien kwam dat hem wel van pas toen hij zich na zijn overlijden in de hemel verantwoorden moest.

Ik doe alle muntjes weer in het busje en fantaseer dat ik een keer bezoek krijg van een expert in de numismatiek die me vertelt dat er enkele unieke muntjes tussen zitten die ik voor heel veel geld zal kunnen verkopen.

De opbrengst gaat uiteraard naar de kerk….

Guldens aan de wand

Ruim een jaar geleden schreef ik over de schoonheid van de laatste guldenbiljetten in vergelijking met de euro-coupures. (Hier.)

Hoewel er vrij veel geld mee gemoeid is kon ik het toch niet laten, ik heb van bijna alle denominaties een biljet gekocht, ze hangen nu aan de muur.

Toen ik ging uitzoeken waar je guldenbiljetten kan kopen stuitte ik op een voor mij onbekende wereld van verzamelaars. Het gaat je duizelen als je op de sites kijkt: er is zoveel te koop.

Je bent er nog niet als je je keus bepaald hebt, want de kwaliteit van het gewenste biljet kan verschillen. Er zijn heel mooie te koop, die nooit in omloop zijn geweest en briefjes die heel duidelijk door meerdere handen zijn gegaan.

De handel heeft een mooie terminologie bedacht:

De kwaliteitsaanduidingen voor bankbiljetten van de hoogste kwaliteit naar de laagste kwaliteit:

  • U.N.C: Een bankbiljet dat nog niet in omloop is geweest, dus absoluut schoon en zonder vouwen.
  • Prachtig: Een bankbiljet, slechts korte tijd in omloop geweest, dus met een enkele lichte vouw- en lichte gebruikssporen.
  • Zeer Fraai: Een bankbiljet, nog steeds onbeschadigd, met enkele vouwen en enkele, door intensiever gebruik, ontstane vlekjes.
  • Fraai: Een bankbiljet met duidelijke gebruikssporen, vouwen, vlekken, kleine scheurtjes in de blanco rand, maar nog steeds compleet.
  • Zeer Goed: Een bankbiljet met scheurtjes die tot in de druk doorlopen. Rafelige randen en ontbrekende stukjes van de blanco rand.

Interessant dat men vindt dat je zelfs in de laatste categorie nog van Zeer Goed kan spreken.
Pas als een bankbiljet door een koe is opgegeten en alle magen heeft gepasseerd krijgt het waarschijnlijk de kwalificatie Redelijk.
(Een boer had eens zijn portemonnee verloren nadat hij vee op de markt had verkocht. Een koe zag de goed gevulde geldbuidel aan voor een lekker hapje. Echt gebeurd).

Ik kocht elke maand een biljet, meestal in de categorie Zeer Fraai of Prachtig en mijn verzameling hangt nu aan de muur. Ik heb alleen het briefje van 1000 nog niet, dat is me toch nog wat te duur.


Het prachtige Spinoza-biljet (1972) kost nu € 595,- en de Kievit uit 1994 zelfs € 850,- (beide kwaliteit UNC-).

 

Gelukkig heb ik het allermooiste guldenbiljet (uit 1985) wel

Over lezen

Van alle geneugten die er voor een mens bestaan is lezen wel de fijnste.
Eten, drinken en televisiekijken komen in de buurt en ook de vleselijke lusten zijn niet te versmaden, maar er gaat niets boven een mooi boek.

In een mensenleven wordt er op verschillende manieren gelezen.

Aanvankelijk lezen

Je kent de letters en probeert van die letters woorden te maken. Als je niet dyslectisch bent en over voldoende verstand beschikt gaat dit allengs sneller en kan je al snel hele zinnen lezen.
Je bent nog wel beperkt tot je eigen taal. Ik herinner mij tandartsbezoeken waarbij ik in de wachtkamer weleens een tijdschrift ter hand nam. Arts en Auto kon mij niet boeien, de Punch leek aantrekkelijker. De teksten waren echter onbegrijpelijk voor mij en zelfs de onderschriften van de cartoons (de punchlines!) ontgingen mij.
Het moet de combinatie van angst (ik zou mij moeten onderwerpen aan de pijnlijke behandelingen van tandarts Spies, in die tijd werd een kind nog niet gerustgesteld) en de niet begrepen grapjes zijn die mij een aversie tegen deze humoristische publicatie heeft bezorgd die tot de dag van vandaag aanhoudt.

Het gretige lezen

Als je eenmaal een beetje vlot kan lezen zie je overal je kans schoon. Gulzig en kritiekloos neem je alles tot je, je gaat er volledig in op. In mijn geval moest mijn moeder het boek uit mijn handen trekken om ervoor te zorgen dat ik niet te laat op school kwam.

Ik las de bibliotheek leeg en beleefde de avonturen van Arendsoog, Biggles, de jongens van de Kameleon en die van de Bob Eversboeken ademloos en intens alsof ze mij zelf overkwamen.

Het lezen met rode oortjes

Er komt een moment dat je vader je wil vertellen over de hoed en de rand, maar je hebt al lang  Jan Wolkers ontdekt en van hem geleerd wat grote mensen met elkaar doen.

Je wordt kritischer

Jammer genoeg komt er een moment dat je niet meer klakkeloos aanneemt wat je leest. Je realiseert je dat de hoofdpersonen van de Bob Eversboeken kennelijk nooit naar school hoeven en dat het toezicht door hun ouders wel erg rudimentair is. Ze reizen de hele wereld door, niemand vraagt om een paspoort en er is ook altijd genoeg geld.

Je begint ook oog te krijgen voor mooi taalgebruik en leest wel eens een zin (of heel boek) over omdat je de formulering of de karakteropbouw zo mooi vond.
Je kijkt met weemoed naar de stapels Alistair Maclean en Desmond Bagley-boeken en realiseert je dat je ze nooit meer zult herlezen. Ik heb ze op Koninginnedag allemaal verkocht.

Het wow-lezen

Met spijt zie je dat er steeds minder pagina’s van dat prachtige boek resteren, je sluit het uiteindelijk met een diepe zucht en zou het liefst weer op pagina 1 beginnen.
Je denkt nog regelmatig aan bepaalde episodes en karakters en gaat onmiddellijk op zoek naar meer boeken van die schrijver. Als het mooie boek onderdeel was van een serie rust je natuurlijk niet vóór je alle delen hebt verslonden (uiteraard in de goede volgorde).

                

Denk aan Sjöwall en Wahlöö, Chaïm Potok, Trevanian, Clavell en Irving (om er zo maar een paar te noemen).

Het burn-out-lezen

Boeken kunnen ook troost geven en je even wegvoeren van het voortdurende piekeren. Zo las ik het complete oeuvre van O’Brian en kon me bezighouden met allerlei nautische aangelegenheden op Engelse oorlogsbodems in de 19e eeuw in plaats van met problemen op het werk en met mijn gezondheid.
Ik kijk wel eens naar de ruggen van die 20 boeken en twijfel: zal ik ze nog eens lezen? Wordt het een feest van herkenning of zal blijken dat ik destijds zo gepreoccupeerd was dat ik ze heb doorgeploegd zonder er een woord van in me op te nemen? Of word ik door herlezing weer teruggebracht naar die nare periode?

Vier boeken tegelijk

Waar ik vroeger genoeg had aan de krant en een roman (voor mijn werk moest ik ook al erg veel lezen) heb ik nu een stapeltje boeken bij mijn favoriete leesplek liggen. Ik lees uit elk een verhaal, hoofdstuk of onderdeel en neem dan monter het volgende boek ter hand en verdiep me daar weer in.
Dit bevalt mij uitstekend. Het grootste voordeel is dat mij dus niet het diepe gat toegaapt dat ontstaat als men een mooi boek uit heeft. Er moet dan een opvolger gezocht worden en dat is niet eenvoudig.  Als het ene boek uit is kunnen de andere drie het verlies opvangen.

Ik krijg gelegenheid het gelezene op mij in te laten werken en doe lekker lang met ieder boek.

Op dit moment lees ik (naast krant en tijdschriften) The Punch van Noah Hawley, een bridgeboek, een bundel met verhalen van Carmiggelt en Familieziek van Adriaan van Dis.

Het allerlekkerste lezen: op vakantie

We gaan pas over ruim een maand weg, maar ik ben al goed voorbereid. Ik kan straks kiezen welke lectuur mij zal vergezellen:

Carmiggelt Drie bundels (ik heb er inmiddels 33 gelezen)
Geert Mak Het huis van orde en papier (het laatste boek van hem dat ik nog niet gelezen heb, zuinig bewaard)
7 spannende boeken Zorgvuldig geselecteerd uit de Thrillergids van Vrij Nederland
Alfred Birney De tolk van Java (Indië blijft trekken)
Wim Daniëls De lagere school (jeugdsentiment)
Noah Hawley A Conspiracy of Tall Men
Jesse Klaver De mythe van het economisme
Philip Roth The Plot against America (een must-read nu hij dood is)
Annie M.G. Schmidt Die van die van u (prachtige dundrukuitgave)
Hans Rosling Factfulness (“why progress is so often secret and silent”)
Mary Lawson Road Ends (omdat ze zo mooi kan schrijven)
Tom Hanks Uncommon Type (korte verhalen)
Paul Mendelson The Right Way to Play Bridge

Bij de caravan of op een terrasje. Is er iets mooiers denkbaar?

 

 

 

De verhalen van Vrij Nederland

Ooit was ik abonnee van Vrij Nederland, maar er kwam een moment waarop ik mijn abonnement opzegde, ik weet de reden niet meer.

Ik herinner me de prachtige bijlagen die toen verschenen, meestal geschreven door Gerard van Westerloo of Elma Verhey.

Geert Mak, een van mijn favoriete schrijvers, sprak lovend over het boek De pont van kwart over zeven, de beste journalistieke verhalen.
Ik kocht het boek en het was een feest van herkenning. Er staan 17 prachtige verhalen in, de meeste van van Westerloo, vier schreef hij samen met Verhey.

Ik herinnerde mij vooral het titelverhaal: alle passagiers van de pont van kwart over zeven die van Amsterdam Noord naar het Centraal Station vaart op een willekeurig werkdag, werden opgezocht en geïnterviewd. Het stuk werd in 1981 gepubliceerd.

Het kan zijn dat de term “ruggengraat van onze maatschappij” hierin voor het eerst gebruikt werd. Van Westerloo laat uitgebreid de gewone, hardwerkende mensen aan het woord die trouw elke dag naar hun werk gaan en de maatschappij draaiende houden.

In dit verhaal en ook in het prachtige Lijn 16 komt heel duidelijk naar voren dat de gewone werkende man/vrouw niet veel meer begrijpt van de veranderingen in de maatschappij. Ze ergeren zich aan de uitkeringstrekkers, de criminelen en het gebrek aan gezag. Ze voelen zich machteloos en trekken zich terug in hun eigen huis, dat ze vaak in een paleisje hebben omgetoverd. Ze missen de saamhorigheid van vroeger en hebben het idee dat het helemaal verkeerd gaat in de samenleving en dat zij de prijs moeten betalen.

Mij vallen twee dingen op: deze verhalen werden geschreven in de jaren 80, maar hebben niets aan actualiteit ingeboet. Vervang de Centrumpartij door de PVV en de interviews hadden ook dit jaar kunnen zijn afgenomen. Ze tonen aan dat er nog steeds een enorme kloof zit tussen de beleidsmakers en de mensen die er de gevolgen van ondervinden.
Verder valt mij op dat er niets verbloemd werd in de verhalen: er wordt geen zalvende links-tolerante sluier over de teksten gelegd, de mensen krijgen (terecht) volop de kans te vertellen hoe zij de dingen ervaren. Vooral Surinamers en Turken moeten het ontgelden, waarschijnlijk waren er in die tijd nog niet zoveel Marokkanen.

Van Westerloo had een scherp oog, ik vind vooral zijn conclusie erg mooi in De vlucht in de stacaravan: mensen voelen zich bedreigd en hopen op de camping iets terug te vinden van de geïdealiseerde buurt waar ze vroeger woonden.

 

De pont van kwart over zeven                                 9


Vrij Nederland van 4 april 1998

 

Ik mocht zelf ook ooit een rol spelen in een VN-rapportage. Ik werd in 1998 benaderd door Elma Drayer en Kees Schaepman voor een rapportage die moest gaan over de studenten die in 1977 eindexamen hadden gedaan aan de Hervormde Pedagogische Akademie in Amsterdam. De titel van het verhaal verraadt de strekking: Onderwijzers zonder klas.

De journalisten hadden bijna iedereen achterhaald, één studente is inmiddels overleden.

Ze namen de tijd: iedereen werd uitvoerig geïnterviewd, met mij waren ze ook een hele middag bezig. Het leverde een groot artikel op, ruim 6 A3-pagina’s met veel foto’s.
Als bekroning brachten ze ons bij elkaar in café Eik en Linde, precies tegenover onze oude school aan de Plantage Middenlaan, het was een leuke ervaring elkaar weer eens te ontmoeten.
De teneur van het artikel is dat veel studenten teleurgesteld of gefrustreerd raakten en dat de meesten uiteindelijk niet voor de klas kwamen te staan.

Het is een vreemde ervaring te lezen wat een verslaggever uiteindelijk gedestilleerd heeft uit een interview dat hij met je had: accenten worden verkeerd gelegd (ik had niet gezegd dat ik het pech vond te moeten hospiteren bij de meester die ik ook als kind had gehad) en feiten verkeerd vermeld (ik was niet “hoofd van de afdeling buitenland” en heb ook de lerarenopleiding Nederlands niet voltooid, maar Engels en Geschiedenis). Ik vond het wel bedenkelijk dat ze twee zo makkelijk te checken stukjes informatie niet goed hadden. Wat zei dat over de rest van het verhaal?

Ten slotte: wat schreven ze in die tijd lange artikelen! Ik ben bang dat vandaag de dag niemand meer tijd heeft voor zulke “longreads”.

 

Ik kreeg onlangs van mijn vrouw een abonnement op Vrij Nederland cadeau. De cirkel is rond.

Burgerschap en hitsige dokters

Het is weer zover: iemand is met een lumineus idee gekomen het basisonderwijs opdracht te geven “aandacht te besteden aan” een maatschappelijke kwestie.

Meestal gaat het om obesitas, venerische ziekten, homoseksualiteit of milieubeheer. De minister gelast de scholen een onderwerp in het curriculum op te nemen, het onderwerp wordt opgenomen in het overzicht van landelijke schooldoelen of de scholen krijgen een gratis lespakket.

Scholen moeten proberen hier tijd voor in te ruimen, terwijl van de leraren ook verwacht wordt dat de prestaties op het gebied van taal en rekenen flink opgevijzeld worden. Er wordt dus maar weer wat tijd afgeknabbeld van de creatieve vakken of gymnastiek.

Dit keer is er de vraag of er op school gepraat kan worden over burgerschapskwesties: wat betekent het om in een democratie te wonen en wat houdt het begrip onafhankelijke rechtsstaat in.

Voor het eerst ben ik het eens met een suggestie. Ik vind het inderdaad belangrijk om al vroeg met de kinderen in gesprek te gaan en hen te vertellen over andere landen, waar het vaak niet zo fijn toeven is als in Nederland.
Onze democratische rechtsstaat is broos en staat onder grote druk, met name via de sociale media. Mensen met foute ideeën en grote monden dragen simplistische oplossingen aan voor complexe problemen en het vertrouwen in volksvertegenwoordiging en rechters wordt ondermijnd.
Het is erg belangrijk dat kinderen leren hoe belangrijk het is de democratie in ere te houden.

Voor de goede orde: we hebben het hier niet over vlagvertoon of over het aanleren van dat malle Wilhelmus.

Je zou kunnen wachten tot deze onderwerpen op de middelbare school aan de orde komen, maar sinds het vak staatsinrichting is opgeheven en er van geschiedenis, aardrijkskunde en maatschappijleer een slap soepje gemaakt is heb ik hier niet veel fiducie in.

 

#MeToo in witte jas

Drieduizend werknemers (vooral vrouwen) in de gezondheidszorg hebben een enquête met betrekking tot ongewenste intimiteiten ingevuld. Men is geschrokken van de resultaten. Vooral coassistenten en andere jonge artsen die nog een lage plaats innemen in de hiërarchie van het ziekenhuis zijn regelmatig slachtoffer.

In het nieuws werden drie voorbeelden genoemd: een oudere arts komt de personeelskamer binnen en merkt op dat het er naar sperma ruikt.
Een ander “pijpt” de deurkruk en vraagt een jonge collega of zij dit ook bij haar vriendje doet.
Ten slotte is er een dokter die een collega klemzet tegen de muur en haar probeert te zoenen.

Het lijkt me van groot belang ervoor te zorgen dat er verschillend gewicht wordt toegekend aan dit soort klachten.

In het eerste geval lijkt het mij voldoende als een (senior)arts zijn collega terecht wijst (“Dokter Boer doet zijn naam weer eens eer aan”). Het lijkt me dat aankomend artsen wel aan erger dingen zullen worden blootgesteld. Misschien moet deze jolige heelmeester eens aan zijn gevoel voor humor geopereerd worden.

In het tweede geval moet inderdaad de vertrouwenspersoon worden ingeseind, niet omdat een jonge collega in haar waardigheid is aangetast, maar vanwege de omstandigheid dat er een gestoord persoon in het ziekenhuis rondloopt. Stel je voor dat je zo’n man aan je bed krijgt. Dan nog liever een cliniclown.

In het derde geval is disciplinaire actie op zijn plaats. Niemand heeft het recht je lichamelijke integriteit te schenden en hier is duidelijk sprake van machtsmisbruik.

Het lijkt me in het belang van slachtoffers dat we niet alle klachten op een hoop gooien en ook een beroep doen op de weerbaarheid van jonge artsen en op het verantwoordelijkheidsgevoel van hun oudere collega’s. Als die niet wegkijken en laten merken dat bepaald gedrag ongewenst is zijn we al een heel stuk verder.

Mens erger je

Nederlanders hebben een hiërarchie van ergernissen opgesteld, het CBS heeft het uitgezocht.

Er is iets helemaal niet goed gegaan bij het onderzoek, want de belangrijkste ergernissen staan er niet bij:

Kindernamen

Ik ken een vader en moeder die hun dochter Muriel hebben genoemd. Er is een zekere discrepantie tussen deze Engelse naam en de oernederlandse achternaam, maar dit is overkomelijk. Wat echt niet kan, is dat ze de naam van het kind uitspreken alsof die rijmt op subtiel.

Andere ouders denken origineel te zijn als ze hun kind namen geven als Sharena, Harmony, Chastitty of Mellody (let op de spelling). Als het maar op een klinker eindigt.

En het ergst zijn natuurlijk de bakfietstypes die hun nageslacht Spijker, Storm of Bruis noemen.

Hoe lang zal het duren vóór Juëquinaisheley haar eigen naam zal kunnen spellen?

Dikke brommers

Je zou zeggen dat er niets vervelender is dan ingehaald worden door een jankende buikschuiver (vroeger waren dat Kreidlers en Zündapps, waarvan ik er ook heel graag een had willen berijden, maar mijn ouders verboden dat). Onderschat de scooterachtige lompe pruttelploffers anno 2018 echter niet. Ze gaan nauwelijks harder dan een fiets, de berijder maakt een uiterst inactieve indruk en ze laten nog een benzinewalm achter ook.

Tattoos

Nog steeds overkomt het me dat ik medelijden heb met een persoon die zich ernstig bezeerd lijkt te hebben: hun arm of been is helemaal blauw.

Bij nadere beschouwing blijkt dat er geen sprake is van een blessure, maar dat zij een tattoo hebben laten zetten.
De meeste tattoos zijn al lelijk, maar het wordt nog erger als er een verhaal bij hoort: de datum van de dag dat mijn moeder mijn vader verliet. Of: in de inkt waarmee dit prachtige portret onuitwisbaar op mijn borst is geprikt is de as verwerkt van mijn lievelingshond.

Waar komt toch de drang vandaan om in het Engels te communiceren?
Het wordt natuurlijk pas echt erg als tatoeëerder noch getatoeëerde kan spellen.

Het gebeurt niet vaak dat stupiditeit zo to the point geïllustreerd wordt.

Amerikaanse kretologie

Ik krimp regelmatig in elkaar als jongeren het weer eens nodig vinden een gebeurtenis die nauwelijks gewicht heeft menen te moeten begeleiden met geëxalteerde uitroepen die ze van internet hebben overgenomen: O My God (waarbij de o van God bijna als een a wordt uitgesproken) en What the Fuck.

Mobiele telefoon

Ga in de trein zitten en kijk om je heen. Hoogstwaarschijnlijk ben je de enige die niet naar het schermpje van zijn/haar telefoon tuurt.
Niet lang geleden aten we in een restaurant, het tafeltje naast ons werd in beslag genomen door een jongen en een meisje die ieder voor zich de ganse tijd met hun telefoon bezig waren. Gezellig!

Heeft het CBS wel de goede vragen gesteld?

 

 

 

Zwemmen

Als ik mijn eerste baantje zwem draait de badjuf de luxaflex omhoog, die een uurtje geleden neergelaten was.
Ik zwem in het uur dat bestemd is voor bejaarden en dikke mensen, vóór ons was het vrouwenzwemuur. Waarschijnlijk hebben Islamitische deelneemsters gevraagd hun activiteiten aan het oog van mannen te onttrekken.

Mijn zwemmaatje, die aanhanger van Wilders is, windt zich hier heel erg over op. Hij vindt het volslagen onzin dat deze maatregel speciaal voor gelovige vrouwen genomen wordt.

Ik breng hier tegenin dat de badjuffrouw er niet veel last van lijkt te hebben dat ze deze activiteit moet ontplooien en dat het mij een kleine prijs lijkt om vrouwen aan het zwemmen te krijgen. Ik weet uit ervaring dat veel migranten nauwelijks de deur uitkomen en zelden aan gezonde lichaamsbeweging doen, terwijl ze wel een verhoogde kans op met name diabetes hebben.

Zoals gewoonlijk is hij het niet met mij eens en zegt dat hij overweegt een officiële klacht in te dienen. Als ik vraag wat hij nu eigenlijk precies voor last ondervindt volgt een tirade over Moslims die onze samenleving bedreigen en geen enkel recht hebben op een speciale behandeling.

Ik laat hem maar even lekker doorsudderen in zijn zelfgekozen slachtofferschap en observeer inmiddels de andere zwemmers.

Met enig aplomb heeft een magere oude dame zich in het water laten zakken, je kunt goed zien dat ze hier in haar element is. Ze heeft een knotje onder haar badmuts en draagt een zwembrilletje. Ik heb groot ontzag voor mensen met een zwembrilletje, omdat die kennelijk zoveel uren in het water liggen, dat hun ogen aangetast dreigen te raken door het chloor. Dit risico is bij mij niet aanwezig, aangezien ik elke week maar een uur te water ga. Het kan ook zijn dat de brildragers er behoefte hebben onder water te kunnen kijken, maar ik kan me dit niet goed voorstellen. De aanblik van wanden en bodem van een Almeers zwembad lijkt mij niet bijzonder aantrekkelijk.

De oude dame beoefent verschillende zwemstijlen en benut hiervoor de diagonaal van het zwembad. Dit mag niet, wij worden verondersteld met de klok mee “in carré” baantjes te trekken. Er is een bordje neergezet met instructies hieromtrent. Ik heb nog niet de moeite genomen de leiding erop opmerkzaam te maken dat het bassin rechthoekig is en we in feite dus geen carré zwemmen, maar ben zo blij dat door deze adequate regelgeving chaos voorkomen wordt dat ik hier niet moeilijk over zal gaan doen. Ik kan natuurlijk wel een schriftelijke klacht indienen.

De bejaarde zwemster gaat zo op in het showen van haar kunnen dat de badjuffrouw haar niet terecht durft te wijzen. Als de schoolslag (borst en rug) aan de beurt is geweest volgt de rugcrawl: met een statige traagheid beschrijft om de beurt de linker- en rechterarm een boog door de lucht, waarna de hand met de vingers stijf gestrekt onder water verdwijnt.

We kunnen alleen maar raden welke arbeid er ondertussen onder water door de tanige magere benen verricht wordt.

Vóór zij na gedane arbeid uit het water oprijst, heeft zij ons als toegift laten zien dat zij zelfs de primitiefste vorm van voortbeweging in het water beheerst. Zij is op zijn hondjes langzaam naar de ladder gepeddeld.

Een mollige oude heer (ook met brilletje!) verplaatst zich op wonderlijke wijze door het water. Hij dompelt elke keer zijn gehele lichaam onder en komt na enkele tellen omhoog om adem te halen. Hij doet denken aan een duikboot die oefent in het stijgen en dalen. Aangezien hij steeds een stukje verder opduikt moeten we er van uitgaan dat hij zich onder water voort stuwt. Als hij aan de oppervlakte komt produceert hij iedere keer een snuivend geluid, dat associaties met een walvis oproept.

Men heeft aan de kassa niet moeilijk gedaan toen vijf mannen zich aanmeldden die duidelijk niet tot de doelgroep behoren: zij zijn veel te jong. Ze zijn een jaar of twintig en zwaar getatoeëerd. Ze houden hun buik in tijdens het douchen en zorgen ervoor dat we de afbeeldingen goed kunnen zien. Er zijn naast doodshoofden en Indianen ook Maori-motieven te zien, waardoor we even in twijfel worden gebracht: hebben we hier met een Aboriginal te maken?
Ze praten onder het zwemmen over auto’s en voetbal en houden af en toe even stil om met elkaar te bespreken wat er op kantoor is voorgevallen.

Laatst wilden zij ook machospelletjes doen en stonden op het punt het kleinste lid van de groep in het water te jonassen. Ze werden door de badmeester tot de orde geroepen.
Hun onverantwoorde gedrag bracht enorme risico’s met zich mee voor de andere zwemmers. Voor je er erg in hebt heeft zo’n oude of dikke man een hartaanval en dat zou dan hun schuld zijn!

Bij een van de andere zwemmers lijkt ziekenhuisopname inderdaad niet ver weg. Als hij zich heel voorzichtig in het water heeft laten zakken zwemt hij uiterst traag zijn baantjes. Hij draait eigenlijk rondjes midden in het zwembad: hij snijdt hoeken af en zwemt nooit tot aan het einde. We zeggen het natuurlijk niet hardop, maar vragen ons allemaal af wie hij nu eigenlijk voor de gek houdt!
Hij heeft een gepijnigde blik in de ogen en zijn mond hangt altijd een beetje open. Ik ben bevreesd dat er water bij hem naar binnen zal lopen, omdat hij zo langzaam zwemt en diep in het water ligt.
We hopen maar dat hij niet op een dag van de bodem moet worden gevist.

En dan is er nog de kunstzwemster. Zij zoekt het diepste deel van het zwembad op en oefent daar haar kunstjes. We zien regelmatig een stel onderbenen boven het water uitsteken, de voeten gedisciplineerd gestrekt en keurig naast elkaar. We stellen ons voor hoe mooi het zal zijn als je op die manier twintig benen van tien zwemsters perfect synchroon uit het water zou kunnen zien oprijzen en weer zien wegzakken. Maar zij is maar alleen.
Ze heeft zo’n knijper op haar neus die ervoor moet zorgen dat er geen water in komt. Ze heeft geleerd haar hoofd strak in de nek te leggen en constant een grote glimlach op haar gezicht te houden, maar die knijper doet er wel wat aan af.

We zijn inmiddels aan ons tiende baantje begonnen. Er loopt wat water uit mijn oor, zodat ik kan horen dat mijn zwemmaatje inmiddels uitgeraasd is.
Ik besluit dat ik vandaag geen poging ga ondernemen hem op andere gedachten te brengen en luister naar het bridgeprobleem dat hij me voorschotelt: “Je hebt in je hand een vierkaart schoppen van de heer, vijf kleine hartjes, het stuk van klaveren en twee pukkies ruiten. Naast je wordt een sans geopend……”