The Staircase

In films en series heb ik talloze scenes mogen bewonderen die zich afspeelden in een Amerikaanse rechtbank.

We kennen allemaal het beeld van de rechter in diens zwarte gewaad, de District Attorney die namens de staat (of: the People) de verdachte aanklaagt en de verdediger die tracht diens betoog te ondermijnen.

Zij richten zich tot Your Honor of tot de jury, 12 “willekeurige” landgenoten die voor de duur van het proces met niemand anders contact mogen hebben.

De jury beslist uiteindelijk dat de verdachte schuldig is “beyond reasonable doubt” of onschuldig.

Zowel de aanklager als de verdediger roepen getuigen op of deskundigen.

Veelvuldig klinkt de kreet “objection” (“calls for speculation” of “he is leading the witness”). Soms is een bewijsstuk not admissible of krijgt de jury opdracht iets wat ze gehoord hebben weer te vergeten.

Ik heb de laatste tijd nogal veel over Amerika gelezen, vaak ging het over het Amerikaanse rechtssysteem, met de district-courts en Courts of Appeal en natuurlijk het Supreme Court, waar negen opperrechters uitspraken toetsen aan de grondwet.

Op papier is er een degelijke, rechtvaardige rechtsgang waar uiteindelijk het recht moet zegevieren omdat iemand door een jury die bestaat uit zijn gelijken beoordeeld wordt.

In de praktijk is er in Amerika van alles aan de hand op juridisch gebied.

  • De rechtbanken worden overspoeld met zaken, de gevangenissen met veroordeelden. Het systeem piept en kraakt.
  • Om langdurige en kostbare rechtszaken te voorkomen is er de plea-bargain, verdachten worden hiermee voor een gruwelijk dilemma geplaatst (schuld verklaren en daarmee een aanzienlijk lagere straf krijgen zonder rechtszaak of de zaak voor laten komen en dan het risico lopen op een veel hogere straf).
  • Rijke mensen kunnen zich dure advocaten veroorloven, die alle juridische trucjes kennen. Mensen zonder geld zijn aangewezen op een overwerkte pro-deo advocaat.
  • De ene helft van Amerika doet de andere een proces aan (I’m gonna sue you!). Louche advocaten voeden dit proces door klagers met de formule no cure no pay aan te moedigen.
  • Als je veel geld hebt kun je borgtocht krijgen om in vrijheid je proces af te wachten.
  • Rechters horen politiek onafhankelijk te zijn, maar zijn dit steeds minder. Dit speelt vooral een rol in de benoemingen (voor het leven) van de opperrechters. Republikeinen hielden een jaar lang Obama’s kandidaat tegen, Trump benoemde kortgeleden twee oerconservatieve nieuwe leden.

Een Frans filmteam dat eerder een fantastische reportage maakte over Nine-eleven (ze waren die dag toevallig in een New Yorkse brandweerkazerne) vervaardigde een documentaire over een Amerikaanse rechtszaak waarin een man terechtstond die zijn vrouw vermoord zou hebben.

De film belicht het proces en ook de follow-up, als de veroordeelde na 8 jaar in de gevangenis gezeten te hebben kans krijgt op een nieuw proces.

Je ziet alles: de beraadslagingen van de verdachte en zijn advocaat, de gang van zaken in de rechtszaal, en de getuigenissen van deskundigen.

De serie heet The Staircase. Een rijke blanke schrijver belt in paniek het alarmnummer: hij heeft zijn echtgenote hevig bloedend onderaan de trap aangetroffen. Zij blijkt later te zijn overleden aan zware verwondingen aan haar hoofd en het daaruit voortkomende bloedverlies.

Men denkt aanvankelijk aan een ongeluk maar al snel wordt de schrijver gearresteerd op verdenking van moord.
We maken het proces mee en je valt van de ene verbazing in de andere. Politie en aanklager zijn ervan overtuigd dat er een moord heeft plaatsgevonden en geven blijk van een ontstellende tunnelvisie. Deskundigen die het woord voeren namens de prosecution leggen volstrekt onwetenschappelijke verklaringen op tafel en “bewijzen” de moord door middel van uiterst knullig uitgevoerde experimenten.

De zogenaamde dader komt niet over als een aantrekkelijke man: hij is biseksueel, heeft contacten met een mannelijk prostituee en porno op zijn harde schijf.
De aanklager voert aan dat een dergelijke viezerik zijn vrouw wel moet hebben vermoord, hoewel er geen enkel getuigenverklaring is, geen motief kon worden aangetoond (alle betrokkenen waren het erover eens dat ze een goede relatie hadden), en er geen moordwapen was gevonden.

De kinderen van de schrijver blijven op een na vierkant achter hun vader staan en geloven niet in zijn schuld.

Zelfs als je rijk bent kan je in Amerika vooroordeel en machtsmisbruik niet altijd ontlopen.

In dit geval kon  de dure advocaat, en ook niet de ingehuurde deskundigen vermijden dat de jury uiteindelijk het schuldig uitsprak. Ook in hoger beroep bleef de levenslange gevangenisstraf staan.

Na acht jaar bleek de belangrijkste deskundige een complete charlatan, die op volslagen onwetenschappelijke wijze forensisch onderzoek naar zijn hand zette. Hij werkte naar het verlangde resultaat toe in plaats van open te staan voor elke uitkomst.

De veroordeelde komt voorlopig vrij, krijgt huisarrest en een enkelband en moet twee jaar wachten op een nieuw proces. Hij is inmiddels zijn huis kwijt en al zijn geld en is een gebroken man.

Na eindeloos juridisch gemarchandeer maakt hij gebruik van een uiterst kunstmatige juridisch constructie, waar hij schuld aanvaardt maar niet bekent. Op grond hiervan wordt hij eindelijk vrijgelaten.

Het bijzondere van deze serie is, dat je kijkt naar een feitelijke weergave, die op geen enkele manier becommentarieerd wordt. Het is heel bijzonder dat de filmers overal bij waren, behalve bij de jury-beraadslagingen. Op een gegeven moment ging de documentaire zelf ook een rol spelen in de rechtszaak: beelden van de oorspronkelijke zitting werden gebruikt bij de tweede.
Het enige waar je vragen bij zou kunnen stellen is, dat je niet weet wat de samenstellers hebben weggelaten.

Ik heb gefascineerd zitten kijken naar deze parodie van een rechtszaak en werd bevestigd in mijn overtuiging dat je momenteel beter niet naar dat rare land toe kan gaan. De politiek is er volledig verziekt en nu blijkt dat je ook maar beter niet in handen van het Amerikaanse rechtssysteem terecht kan komen.

(Mijn nichtje, dat officier van justitie is, formuleerde het als volgt: als je moet worden beoordeeld door een jury ben je in Amerika goed af als je schuldig bent, maar wee je gebeente als je niet schuldig bent!).

 

The Staircase (Netflix)                      9

Een ander soort toeter

Kinderen houden van rituelen. Als mensen iets vertellen over hun basisschooltijd hebben ze het vaak over de bonte avond waarmee het kamp altijd eindigde, of over het lied dat de leerkrachten zongen bij het afscheid van groep 8.

Ik had op mijn school ook een ritueel ingevoerd: op de laatste schooldag voor de vakantie liet ik aan het eind van de dag het afgrijselijke geloei horen van een gastoeter.

De kinderen verheugden zich hier elke keer op en werden helemaal opgewonden als het moment suprême naderde.

Ze wilden natuurlijk allemaal zelf even toeteren, maar dat mocht niet van mij. Als reden gaf ik op dat je hiervoor eerst de status van directeur moest bereiken. De echte reden was, dat je dit voorrecht nooit aan maar een kind kunt verlenen en ik moest er niet aan denken alle kinderen aan bod te moeten laten komen.

Er was één leerling die duidelijk heel gemengde gevoelens met betrekking tot dit ritueel had, Patrick*. Patrick was onze klassieke autist. Deze classificering kwam niet van ons, maar van hemzelf: hij vertelde het trots aan iedereen. Nog voor Passend Onderwijs bestond hadden we al afgesproken met zijn moeder dat we hem zo lang mogelijk op school wilden houden.

Dat viel niet altijd mee. Regelmatig werden indrukken en spanningen hem teveel en vloog hij uit de bocht.

Ik nam hem dan bij me op mijn kamer en installeerde hem aan tafel met de grote emmer zendingsgeld. Hij begon meteen de munten te sorteren en werd na een minuut of tien meestal weer rustig.

We hadden dan een man-tot-mangesprek en ik bracht hem terug naar de klas.

Soms vroeg hij mij of hij de toeter even mocht zien, want hij werd hierdoor gefascineerd. Aan de ene kant vond hij het net als alle kinderen een machtig ding, aan de andere kant was hij er doodsbang voor.

Hij hield de toeter dan voorzichtig vast en lette goed op dat zijn vingers niet in de buurt van de knop kwamen.

Als de vakantie naderde zocht hij me regelmatig op om me te vertellen dat ik hem niet moest vragen te toeteren en dat ik het ook niet vlak naast zijn oren moest doen. Ik beloofde plechtig mij van beide zaken te onthouden.

Hij bracht me bij die gelegenheden ook op de hoogte van zijn strategie: hij zou goed op de klok letten en een minuut van tevoren met zijn handen over zijn oren onder zijn tafeltje gaan zitten. Op die manier zou hij de crisis waarschijnlijk wel het hoofd weten te bieden.

Ik bood aan hem voor de zekerheid even te komen waarschuwen als het tijd was om onder zijn tafeltje te kruipen. Hij nam dat aanbod dankbaar aan.

Als dus alle leerkrachten de laatste minuten van de laatste schooldag opvulden in afwachting van het moment dat ze hun kinderen konden laten gaan ging ik het lokaal binnen waar Patrick al nerveus naar de klok zat te kijken. Ik gaf hem een knipoog, hij trachtte vanachter zijn steeds afzakkende bril hetzelfde te doen en gleed onder zijn tafeltje. Daar kneep hij zijn ogen dicht en deed zijn handen voor zijn oren.
Zijn klasgenoten waren wel wat van hem gewend en wachtten vol spanning op de toeter.

Toen ik die dan eindelijk gebruikte verlieten alle kinderen juichend hun lokaal, de meesten kwamen om mij heen staan en wilden dat ik nog eens en nog eens toeterde. Ze probeerden tegen beter in toch nog even of ik te vermurwen was en vonden het jammer als ik de toeter opborg. Daarna groetten ze me luidkeels en renden de school uit, hun vakantie tegemoet.

Ik liep naar het lokaal waar Patrick nog steeds onder zijn tafeltje zat en tikte hem voorzichtig op de schouder.

Het gevaar was geweken en ook hij kon aan zijn vakantie beginnen.

 

 

*Patrick heet in het echt anders.

 

De scheepstoeter

Friezen staan doorgaans niet bekend als goedlachse vriendelijke types. Mijn oom Wiebe vormde hierop geen uitzondering. Als we op bezoek waren kneep hij altijd zo hard in mijn hand dat het pijn deed. Hij onderzocht of zijn neefje een watje was.
Oom Wiebe kon sneller bidden dan ieder ander. Het nadeel hiervan was dat je absoluut niet kon verstaan wat hij zei, het voordeel dat je snel aan je eten kon beginnen: eerst sop (soep) en daarna drêge (droge) worst.
Ik vermeed mijn oom zoveel mogelijk, bang dat ik nog verder op de proef gesteld zou worden.

Ook mijn vader had weleens met hem in de clinch gelegen. Toen Wiebe zich verloofde met tante Tine, mijn vaders zus, wilde hij graag een wit voetje halen bij haar oudste broer Jelle. Hij nodigde mijn vader uit voor een zeiltochtje op het Pikmeer. Ze zouden aan de overkant in Grou aanleggen en daar een Sonnemaatje drinken. De man die later mijn vader zou worden wilde maar al te graag mee, hij kon ook goed zeilen en wilde dat graag demonstreren. Er was echter maar een kapitein op het schip, en dat was Wiebe.
(Op de foto: Wiebe en Tine).

Vanaf zijn plaats aan de helmstok gaf hij bevelen aan zijn bemanning (mijn vader) en aanwijzingen aan andere zeilers en brugwachters. Voor dit laatste gebruikte hij een koperen scheepstoeter.

Mijn vaders taak bestond uit het bedienen van de fok, hij mocht geen moment het roer overnemen.
Hij was hierover zo verontwaardigd, dat hij na aankomst in Grou van de boot afsprong en meteen de bus terug naar huis nam. Wiebe moest alleen, zonder fokkenmaat terugzeilen.

Een enorm familiedrama dreigde. Wiebe was heel kwaad op zijn aanstaande zwager en mijn vader peinsde er niet over excuses te maken.
De zaak liep zo hoog op dat Tine in overspannen toestand dreigend met een schaar op mijn vader afkwam.
Geschokt door het feit dat zijn zus, die altijd toch zo erg gesteld was op haar oudste broer de kant koos van haar verloofde haalde hij bakzeil (om in nautische termen te blijven spreken). Een knappe prestatie voor een Fries. Hij maakte het goed met Wiebe en spoedig gingen ze weer zeilen. Mijn vader bediende braaf de fokkenschoot en leek het helemaal niet erg te vinden dat hij geen moment mocht sturen.

Toen ze in opperbeste stemming weer in de thuishaven aangelegd hadden en alweer op weg waren naar huis, herinnerde mijn vader zich dat hij zijn muts aan boord had laten liggen en ging even terug.
Hij nam niet alleen zijn muts mee, maar ook de koperen scheepstoeter.

 (Jelle Minnema)

Hij leefde later erg mee met zijn zwager toen die vertelde dat zijn toeter op onverklaarbare wijze was verdwenen en hielp hem de boot van boeg tot achterplecht te doorzoeken.
“Fêst yn it wetter fallen”, (vast in het water gevallen) was zijn conclusie.

Wiebe moest voortaan op het water communiceren door hard te roepen en mijn vader had een nuttig instrument verworven dat hem later nog vele keren goed van pas kwam.

Zo gebruikte hij de toeter als hij met de schoolkinderen op kamp was en kon hij ons tijdens vakanties in verre landen op eenvoudige wijze duidelijk maken dat het eten klaar was en dat wij ons bij de tent moesten vervoegen.

Wat leren we van dit verhaal?

Dat wraak zoet is en dat men zich in het belang van goed onderwijs en een soepel functionerend gezinsleven af en toe wat wederrechtelijk mag toe-eigenen, vooral als de voormalige eigenaar een vervelende stijfhoofdige Fries is.

 

 

 

Factfulness

Het zijn geen blijde tijden voor de pessimisten onder ons.  Als je het hoofd niet in het zand gestoken hebt is er ook weinig reden om de wereld zonniger in te zien.

Je kunt bijna geen kant uitkijken of je wordt geconfronteerd met wat allemaal fout gaat.
Het meest deprimerende voorbeeld hiervan is niet lang gelden gekozen tot president van de Verenigde Staten.

Gelukkig biedt humor soms een uitweg

 

 

 

Verder helpt het erg als je het laatste boek van Hans Rosling leest:

Factfulness; ten reasons we’re wrong about the world – and why things are better than you think.

 

Rosling is medicus en statisticus. Hij benadert alle problematiek vanuit de beschikbare data en blijft erop hameren dat dit de enig juiste methode is.

 

Het is slecht gesteld met de feitenkennis, niet alleen bij leken maar ook bij talloze gezelschappen van wetenschappers en beleidsmakers. Door de jaren heen nam hij elke gelegenheid te baat de groepen die hij toesprak te testen op hun feitelijke kennis van de situatie in de wereld, het resultaat was iedere keer bedroevend. Een chimpansee zou het in de meeste gevallen beter hebben gedaan.

Hij legde zijn gehoor vragen voor als:

In all low-income countries across the world today, how many girls finish primary school? (20, 40 or 60 %).
En:
How many of the world’s 1-year-old children today have been vaccinated against some disease? (20, 50 or 80 %)?

De juiste antwoorden zijn 60% en 80%.
Heel veel mensen hebben een veel negatiever beeld van de situatie op de wereld dan gerechtvaardigd is.
Punt is, dat op grond van deze pessimistische kijk heel veel fout beleid wordt gemaakt en heel veel geld verkeerd wordt uitgegeven.
Rosling voert een kruistocht tegen vooroordelen gebaseerd op slechte of onvolledige informatie en “gut-feeling”. Hij pleit voor zorgvuldig beleid gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek.

Rosling toont aan dat we af moeten van het vage onderscheid tussen rijke, ontwikkelde landen en arme onontwikkelde. Er is de laatste decennia ongelooflijk veel veranderd, de oude terminologie is niet meer geschikt.
Hij gebruikt in zijn boek een indeling die gebaseerd is op inkomen: als je op grond hiervan statistieken opmaakt zijn die veel zuiverder dan wanneer je uitgaat van geografische of demografische overeenkomsten.

Een steeds terugkomend fenomeen in zijn presentaties is het stippendiagram. Op een grafiek met x- en y-as wordt data geprojecteerd in de vorm van grote en kleine gekleurde balletjes. Aan de hand van hun positionering wordt de informatie gepresenteerd, in een geanimeerde versie kan ook nog de factor tijd worden ingevoerd: de ballen worden dan groter of kleiner en verschuiven over de grafiek. Grafisch mooi, effectief en indrukwekkend.

De schrijver laat zien dat onderzoeksgegevens van de VN er heel duidelijk op wijzen dat er op heel veel terreinen in vergelijking met 100 jaar geleden ongelooflijk veel vooruitgang is geboekt.
Probleem is dat onze zienswijze door allerlei denkfouten (zoals verkeerd generaliseren, het “enkele perspectief-instinct” en het “urgentie-instinct”) systematisch te pessimistisch wordt ingekleurd. Hij stelt deze fouten in tien hoofdstukken achter elkaar aan de orde en geeft mooie voorbeelden.

Je zou bijna denken dat Rosling een blij ei is, en geen oog heeft voor wat wel degelijk mis is op de wereld.
Dat is hij gelukkig niet, hij erkent dat er nog heel veel moet gebeuren en dat er reële bedreigingen zijn, maar wil ons er graag van overtuigen dat de wereld tegelijkertijd bad kan zijn, maar ook better. Hij geeft het voorbeeld van zijn eigen grootvader, die 100 jaar geleden geboren werd. Die leidde een totaal ander leven dan hij. Ga maar na wat er in al die tijd veranderd/verbeterd is. En dat binnen drie generaties!

Of we nu zo blij moeten zijn met zoveel nieuwe muziekopnamen en mobiele telefoons is de vraag, maar er is toch wel heel veel reden om wat minder pessimistisch te zijn.

Nu nog even de beleidsmakers overtuigen…..

 

Factfulness                 9

Er staat een flink aantal Ted-talks op Youtube, dit is een korte

 

 

Jong in 2018

We maakten zaterdag een mooie fietstocht. We kwamen langs het strand waar een festival gaande was. De deelnemers moesten 15 euro betalen om hun auto te parkeren en daarna nog een flink eind over het fietspad lopen voor ze zich in het feestgedruis konden storten. Wij moesten ons erlangs zien te manoeuvreren.

De fysieke inspanning op deze warme dag werkte kennelijk inspirerend op het gevoel voor humor: verschillende wandelaars riepen dat we op moesten passen omdat ons wiel draaide. Klassieke humor. Ik herinner me dat ik dit grapje als peuter behoorlijk geslaagd vond.

Een ander was zich niet helemaal van de verkeerssituatie bewust en beet me toe dat we hier helemaal niet mochten fietsen toen ik mijn fietsbel voorzichtig “ping” liet doen.

Toen we ’s avonds dezelfde weg terugfietsten kwam ons een duo op een scooter tegemoet. Ze zwaaiden hartelijk naar ons, maar veranderden het zwaaiende gebaar op het laatste moment in een opgestoken middelvinger.
We stonden paf van deze gedurfde actie, waar op knappe wijze de versleten ouderwetse omgangsvormen werden uitgedaagd door ze op originele wijze te ontmaskeren.
Diep onder de indruk van dit speelse gebruik van internationale beeldtaal stelden we vast dat deze subtiele tegendraadsheid in eigen kring waarschijnlijk erg veel waardering zou opbrengen.

 

Dit is beslist geen column waarin een klaagzang wordt aangeheven tegen wat minder prettig gedrag van het domme deel der nieuwe generatie.

Ik wil wel graag een fantastische tegenstelling blootleggen: datzelfde weekend mochten we een optreden bijwonen van het Almeers Jeugd Symfonieokest. Een ander soort genieters van muziek.

Inmiddels voor de vijfde keer verzorgde een selectie van dit gezelschap een huiskameroptreden op uitnodiging van Jan en Ans Janssen, die op deze manier de rol van mecenas op zich nemen.

Drie violisten, een cellist, een bespeler van de contrabas en een pianist vormden samen een sextet dat een prachtig programma verzorgde.

Daarnaast was er een optreden van een piepjong lid van het AJSO. Hij speelde op de cello samen met de pianist stukken van Arvo Pärt en de Piano Guys.

De ramen stonden wijd open, buiten klotste het water van de Noorderplassen waarop het zonlicht weerkaatste. Zeven jonge mensen speelden geconcentreerd en enthousiast de sterren van de hemel. Ze genoten zichtbaar en namen het verdiende applaus met veel plezier in ontvangst.

Twee confrontaties met jonge mensen anno 2018. Wat een contrast!

 

De lagere school

Uitgevers zijn altijd op zoek naar boeken die ze kunnen uitgeven die niet zoveel gekost hebben en toch veel geld opbrengen.

Marktonderzoek heeft ongetwijfeld aan het licht gebracht dat nostalgie het erg goed doet.

Als het aantal levensjaren toeneemt treden nostalgische gevoelens wellicht ook meer op de voorgrond.
Iedereen (behalve Henk Krol) weet dat pensionado’s over het algemeen goed in de slappe was zitten, dus ligt het voor de hand deze steeds groter wordende groep te paaien.

Het getuigt dus van briljant zakelijk inzicht dat er steeds meer boeken verschijnen die het verleden in beeld brengen en ook vaak romantiseren.

Ik heb een aardig aantal in bezit: fotoboeken over de vijftiger jaren (heerlijk zwart-wit en in elke straat maar twee auto’s), het grote jaren 50 en 60 boek en Gouden jaren van Annegreet van Bergen.

 

 

 

Mijn nieuwste aanwinst is De lagere school van Wim Daniëls.

De titel zegt het al, het boek gaat over de voorloper van de basisschool.
Ik zat zelf op een lagere school in Amsterdam en gaf er later ook les. Ik maakte de overgang van het oude systeem naar het nieuwe mee en zag er naar uit alle oude herinneringen weer eens op te halen.

Toen ik het boek doorbladerde kwamen moest ik meteen denken aan:

  • De meester die vertelde aan de hand van de schoolplaten (wij rekten de les expres door onbenullige vragen over details te stellen die de meester geduldig allemaal beantwoordde).
  • Het voorlezen uit verschrikkelijk spannende boeken.
  • De schoolmelk. Als het jouw beurt was mocht je met een scherp potlood gaatjes in de aluminium doppen prikken. Soms werden de kratten bij de kachel gezet omdat de inhoud gedeeltelijk bevroren was; toen wij de flesjes mochten leegdrinken zat er nog steeds een klont bevroren water in, de overgebleven romige vloeistof smaakte heel vies.
  • Het klaar-overen: ik behoorde tot de verkozen elite en voelde me apetrots en heel erg belangrijk met de witgekalkte koppel en spiegelei.
  • Het overblijven, boterhammen met theeworst waar ik na verloop van tijd zo’n genoeg van kreeg dat ik ze niet meer opat. Het kwam niet in mij op mijn moeder te vertellen dat ik liever ander broodbeleg had, er kwam pas verandering toen mijn moeder voor de derde achtereenvolgende dag het onaangebroken pakje brood in mijn schooltas aantrof.
    Als de andere kinderen naar huis gingen mocht ik boeken lezen uit de schoolbibliotheek.
  • Het afscheid na de zesde klas. Ik vormde met vriendjes een bandje dat muziek playbackte en zong een liedtekst die mijn grote zus had geschreven.
  • Mijn tijd als hospitant (vroeger heette je kwekeling), gedurende enkele maanden bij de meester die ik ook als kind had gehad. Als hij aan het begin van de dag “eerbiedig” tegen de kinderen zei vlogen ook mijn handen automatisch in de bidstand.
  • De allereerste dag op de Bilderdijkschool, waar ik drie dagen in de week les zou geven aan de zesde klas. Het hoofd van de school stond de andere twee dagen voor de klas. In mijn bijzijn scheurde hij de enveloppe open waarin de rekenopgaven van de Cito-eindtoets zaten. Die zou de volgende dag worden afgenomen, ik moest ter voorbereiding maar even kijken welke lastige onderwerpen aan de orde zouden komen, die kon ik dan even met de klas doornemen.
    Ik stelde als nieuwkomer geen vragen, maar heb mij in mijn eigen onderwijscarrière nooit meer schuldig gemaakt aan dergelijk frauduleus handelen.

Ik was daarna actief in veel andere onderwijssectoren en kwam terug toen de basisschool al lang een feit was. Voor mij was het grootste verschil dat er nu kleuters in de school rondliepen, die je heel vertrouwd een handje gaven als je met ze opliep.

In De lagere school komt in 32 hoofdstukjes heel veel langs, toch valt het boek een beetje tegen.

Daniëls baseert zich op zijn eigen ervaringen (hij is een jaar ouder dan ik), gesprekken met anderen en wat research.
Het boek is een beetje onevenwichtig: hier en daar lijkt het de pretentie te hebben volledig te zijn, wat onmogelijk is. Af en toe wordt uitgeweid over de voorgeschiedenis van het Nederlandse onderwijsstelsel maar heel veel komt niet aan bod.
Ik heb natuurlijk niet geturfd, maar ik heb de indruk dat hij nogal veel uitgaat van de situatie op katholieke lagere scholen in het zuiden van Nederland. Dat hij zelf op de Noord-Brabantse Sint-Jozefschool zat zal ongetwijfeld een rol spelen.

Hij maakt verder af en toe vergelijkingen met de stand van zaken op de basisschool anno 2018 en slaat hier af en toe de plank mis.

Het boek is mooi verzorgd, maar ik begrijp niet waarom de vormgever ervoor heeft gekozen de citaten uit oude kranten in schrijfmachineletters te zetten. Ik heb er begrip voor dat hij grafisch onderscheid wil maken tussen de tekst van de schrijver en die van de krant, maar deze oplossing is ronduit lelijk en wekt ook nog een verkeerde associatie: bij schrijfmachineletters denk je aan een brief, niet aan een krantenartikel.

De ondertitel van het boek luidt Toen alles nog heel anders was. Dat is goed geformuleerd, Daniëls maakt zich gelukkig niet schuldig aan romantisering (“Toen alles beter was”).

Al met al dus een lichte teleurstelling. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat de schrijver zich er een beetje makkelijk van af gemaakt heeft. Nostalgie verkoopt, maar je bent het aan je lezers verplicht zo volledig mogelijk te zijn en goede research te plegen.

 

De Lagere school                  6 ½

 

 

Toestanden rond de examens

Er zijn twee gevallen openbaar geworden waarin er gefraudeerd werd met examens. Dat komt voor mij niet als een verrassing.

Je moet wel naïef zijn als je verbaasd bent over de gebeurtenissen op het Limburgse VMBO, waar aan het licht is gekomen dat er met cijfers gesjoemeld is.

Een accident waiting to happen, als je rekening houdt met de omstandigheden in het onderwijs.
De leiding van de school waarop de getroffen leerlingen zaten gaf onder meer als reden dat de leraren erg betrokken waren en veel hart hadden voor de kinderen die aan hen waren toevertrouwd.

Dit zal vast een rol hebben gespeeld, met zoals nu gebleken is desastreuze gevolgen. Ik denk dat de leerlingen die nu zonder diploma zitten prijs zouden hebben gesteld op wat minder hart en wat meer professionaliteit.

Er speelt natuurlijk veel meer. Zo is er de geweldige nadruk op afrekenen en controleren. De schoolleiding, met bestuur en Inspectie hijgend in hun nek verwacht voortdurend verantwoording en hamert op de resultaten.
Iedereen die werkzaam is in het onderwijs kent de beruchte overzichten, op klas- en schoolniveau, met de hatelijke oranje en rode vakjes. Veel rode vakjes betekent veel problemen.
Het bestuur zet de directeur onder druk (ik zie me nog zitten in het kantoor van de bestuursvoorzitter van de stichting waar mijn school deel van uitmaakte: de muren behangen met uitdraaien van de schooloverzichten. Ik hoopte maar dat andere scholen ook wat rode vakjes hadden…). De directeur gaat leunen op de leerkrachten, die op hun beurt de zwakke leerlingen achter de broek gaan zitten.

Het schrikbeeld is voor alle partijen dat de school van de inspectie het stempel “zwak” krijgt. Dat is slecht voor het imago en je weet dat je dan onder verscherpt toezicht wordt geplaatst. In de praktijk betekent dit, dat er uitgebreide verander- en verbeterplannen moeten worden opgesteld, die dan uitgebreid door de inspectie van commentaar worden voorzien. Er moet van alles afgevinkt worden, maar het is vaak onduidelijk wat de opbrengst van deze papierberg voor de kinderen is.

De tijd dat de Inspecteur wel eens een helpende hand toestak ligt ver achter ons. Hij kijkt naar de cijfers en rekent af volgens de ijzeren wetten van het beoordelingsprofiel.

Onderschat ook de druk niet die uitgeoefend wordt door de ouders. Menig leraar ziet met angst en beven de komst tegemoet van een boze vader of moeder als hij een kind een slechte beoordeling gaf, of als de resultaten van de cito-toets tegenvielen. Ouders zien zichzelf als consument en stellen de leraar ervoor verantwoordelijk als hun kind slecht scoort. “Mijn zoon staat een 3 voor Engels, wat bent u van plan hieraan te doen?”

Als je deze factoren in ogenschouw neemt, is het dan verwonderlijk dat hier en daar wat met cijfertjes geschoven wordt? Als je kunt voorkomen dat je school in de problemen komt, als je een conflict kunt vermijden, kan je dan niet beter af en toe “met de hand over het hart strijken”, zeker als je ervan uitgaat dat een toets “toch maar een momentopname is”?

Ik ben ervan overtuigd dat verreweg de meeste leraren en schooldirecties integer zijn en weten dat niemand gebaat is bij bedrog.
Maar ik ben ook niet heel erg verbaasd over wat er nu in Limburg is gebeurd.

 

 

Een jaar op de elektrische fiets

Precies een jaar geleden werden onze elektrische fietsen afgeleverd. Ik schreef erover in dit blogbericht.

 

 

Ik heb mijn fiets dus een jaar en legde er in die tijd een afstand mee af van ruim 1800 km.

Ter vergelijking: ik reed de laatste jaren met mijn auto gemiddeld nog geen 5000 km.

 

Voor diegenen die overwegen een elektrische fiets aan te schaffen hier wat tips en wederwaardigheden:

  • De bezorger van mijn fiets had als beroep het besturen van een busje en het afleveren van pakjes. Hij was geen fietsenmaker.
    Hij draaide het stuur recht en bevestigde de trappers. Later bleek dat hij het stuur niet had vastgezet, hij had ook niet het beschermende folie van het frame verwijderd.
  • Als je een fiets via internet koopt heb je niet een adresje waar je even langs kan met een probleem.
    De internetfietswinkel belooft wel een heel pakket van garantie en service, maar in de praktijk gaat alles nogal ingewikkeld: het telefonische contact komt soms moeizaam tot stand, de medewerker die je aan de lijn krijgt is niet altijd even deskundig.
  • Van de belofte “service aan huis” komt niets terecht. Toen ik er eens om vroeg kwam de medewerker aanzetten met een wachttijd van twee weken.
  • Al snel bleek dat er iets met de banden was. Het leek of er een slag in het wiel zat, maar na controle bleek dat de banden niet goed waren en vervangen moesten worden.
  • Na enige tijd deed mijn achterrem niets meer, ik kon het euvel zelf niet verhelpen (en ik had nog wel een speciaal stuk gereedschap hiervoor gekocht). De fietsenmaker moest eraan te pas komen.
  • Ik ben een grote man die in de loop der tijd nogal wat reserve heeft opgebouwd. Mijn spaken hebben het zwaar. Ik kreeg het advies mijn achterwiel op een andere manier te laten spaken. Het gewicht zou op deze manier beter verdeeld worden.
  • Ik heb het advies opgevolgd, maar inmiddels wel weer een gebroken spaak gehad.
    (Ik vroeg de fietsenmaker of ik wellicht niet beter een zwaarder wiel in mijn fiets kon nemen, bijvoorbeeld van een transportfiets. Dit schijnt niet te kunnen. Als je op een ecobike rijdt mag je niet te zwaar zijn…).
  • Op een keer zat mijn stuur los, de rijwielhersteller op Terschelling heeft het voor mij in orde gemaakt.
  • Hoewel ik altijd met een lage ondersteuning rijd gaat de accu toch wel behoorlijk snel leeg. Hij is nooit helemaal leeg geweest, maar na een kilometer of 60 komt het eind wel in zicht.
  • Ik nam de meest complete verzekering die te krijgen was, zelfs met pechhulp door de ANWB. Deze kost mij € 7,79 per maand.

Heb ik spijt van mijn aankoop?

Totaal niet. Fietsen op een elektrische fiets is een feest, je kunt al je aandacht besteden aan reisgezel en omgeving, je hebt volstrekt geen last van hellingen of tegenwind.

Ik kan het iedereen aanraden. Ga wel, als het niet al teveel in prijs scheelt, naar een gewone fietsenmaker. Het is een beetje gênant je fiets bij een internetwinkel te kopen en dan voor service en reparaties aan te moeten kloppen bij een plaatselijke fietshandel. De onze klaagt overigens volstrekt niet en heeft ons steeds prima geholpen.

 

Sparta M81                 9