Manifest in woelige tijden

Een Neerlands Hoop in Bange Dagen klassieker luidt: het is weer tijd om te bepalen waar het allemaal op staat. In 1978 was de deelname aan het wereldkampioenschap voetbal in Argentinië de aanleiding. De cabaretiers vroegen zich af of je wel moest voetballen in een land waar gemarteld werd en gemoord. Bloed aan de paal heette het nummer.

Ze maakten zich er niet populair mee.

Mijn wekelijkse discussie met een fervente Wilders-aanhanger, het boek dat ik aan het lezen ben (waarover later meer) en enkele gesprekken met mijn zoons brachten mij ertoe om ook eens pas op de plaats te maken: waar sta ik nu, anno 2019 eigenlijk?

Ik ben net 64 geworden, door welke principes laat ik mij leiden? Wat is belangrijk voor mij, welke standpunten moet ik innemen?

Ik maakte wat aantekeningen en kwam op de volgende opsomming, je zou het een manifest kunnen noemen van een geëngageerd persoon in woelige tijden.

  • Het ouderwetse “fatsoen” is altijd een goede leidraad. Op de één of ander manier weet iedereen eigenlijk wel wat het inhoudt en als iedereen zich zou voornemen niets onfatsoenlijks te zeggen of te doen zou de wereld al een veel prettiger plaats zijn.
  • In het verlengde hiervan kan worden vastgesteld dat je je sociaal moet opstellen: opkomen voor de zwakkeren en niet alleen aan het eigen belang denken.
  • Het helpt als je je van tijd realiseert dat we ons hier in Nederland in een uiterst bevoorrechte positie bevinden. Er is vrede, welvaart en vrijheid van meningsuiting.
  • Onze democratie rammelt af en toe, op Europees niveau is onze invloed gering, maar bijna alle andere staatsvormen zijn een stuk slechter.
    Je kunt wel wensen dat “er beter naar je geluisterd wordt”, dat “ze” de problemen eens goed moeten aanpakken, vinden dat er teveel gepraat wordt en hunkeren naar een sterke man die van aanpakken weet (”dat gaan we regelen”), maar de kans is groot dat het helemaal niet beter wordt. Wel slechter.
  • Als je denkt dat een misstand zo groot is dat je de democratie of de rechtsstaat geweld aan kan doen om die op te lossen kan je weleens van een koude kermis thuiskomen. Soms is het middel erger dan de kwaal.
  • Bedenk of je zelf in een land zou willen wonen waar een minderheid zijn wil oplegt.
  • Geloof in het mechanisme van de wetenschap: je doet gedegen onderzoek en laat je leiden door de uitkomsten. Blijf tegelijkertijd controleren of je aannames kloppen.
  • Controleer complottheorieën en onderwerp ze aan wetenschappelijke criteria.
  • Accepteer dat in een democratie de besluitvorming vaak traag is en de resultaten soms tegenvallen.
    Als er wetten of regelingen worden aangenomen zullen er altijd mensen misbruik van maken. Accepteer dat en spoor je volksvertegenwoordigers aan de wetten nog beter en sluitender te maken.
  • Koester de vrije pers. Macht moet altijd worden gecontroleerd en de pers is daarvoor een uitstekend middel.
    Lees kritisch maar heb ook vertrouwen in de beroepseer van goede journalisten.
    Het NOS-journaal is links: onzin.
  • Houd de rechtsstaat in ere. Heb vertrouwen in de beroepseer van rechters en als je niet tevreden bent kan je in hoger beroep gaan. Alle rechters zijn D’66 ers: onzin.
  • Heb begrip voor anderen en andersdenkenden. Iedereen heeft recht op zijn mening en iedereen heeft het recht niet over één kam geschoren te worden. Hoed u voor generalisatie.
  • Het ouderwetse spreekwoord “Wat gij niet wilt dat u geschiedt doe dat ook een ander niet” is zo gek nog niet.
  • Wantrouw mensen die zich uitsluitend verlaten op de sociale media.
    Wantrouw mensen zonder humor.

 

Je zou er haast moedeloos van worden: er zijn heel wat mensen op de wereld (waaronder de president van de Verenigde Staten) die precies tegenovergesteld aan dit manifest denken en handelen.

Als je dan ook nog kijkt naar de toestand waarin het milieu verkeert dreigt het gevaar dat je cynisch wordt of onverschillig.

Er zijn echter drie redenen om hoop te blijven houden: er blijkt ongelooflijk veel mogelijk op technologisch gebied (15 jaar geleden was het ondenkbaar dat bussen op elektriciteit zouden rijden), er is wel degelijk forse mentaliteitsverandering mogelijk (denk aan het roken) en er zijn veel geweldige jonge mensen die wel degelijk geëngageerd zijn en die de wereld vast een stuk mooier gaan maken.

 

Nicky de Saint Phalle in Beelden aan zee.

Wie ons huis binnenkomt wordt verwelkomd door een mooi beeld van Nicky de Saint Phalle. We kochten het enkele jaren geleden in Frankrijk, het heeft nu een ereplaats in ons huis.

De Saint Phalle is beroemd om haar prachtige gekleurde beelden van gevulde vrouwen.

In Beelden aan Zee, het museum in Scheveningen, is nu een tentoonstelling van haar werk.

Ze zijn prachtig, wat een levenskracht en creativiteit heeft de kunstenares tentoongespreid!

Als we de expositie goed bekeken hebben gaan we nog even naar het buitengedeelte van het museum, hier staan enkele beelden uit de vaste collectie.

We zitten een tijdje op een bankje en genieten van de warmte van de zon en de frisse zeelucht. Ik kan er geen genoeg van krijgen.

 

We gaan nog even de Pier op en nemen dan de trein terug vanuit Den Haag, maar brengen natuurlijk eerst een bezoek aan Bik (ik blogde hier eerder over).

Hier kan geen haute cuisine tegenop.

 

Beelden aan Zee met Nicky de Saint Phalle:                        9
Frites met kibbeling:                                                                 9
De Intercity Den Haag- Almere (met een goed boek)         9

 

Wat een dag.

Groenvoer

Het verbaast me nogal dat mensen om mij heen vaak heel zeker zijn met betrekking tot hun kennis over voedsel.

Ze weten feilloos wat gezond is en wat niet en vertellen iedereen die het horen wil weetjes op het gebied van verstandig eten.

Vaak hemelen ze biologisch voedsel op en hebben ze zware kritiek op supermarkt-eten. Soms lijkt het erop dat ik met mijn leven speel als ik maaltijden bereid met ingrediënten die ik bij de Vomar kocht.

Ze spreken over foute E-nummers en zeggen dat suiker gewoon gif is! Aspartaam is levensgevaarlijk en Stevia is een wondermiddel.

Als ik hiertegen in breng dat wetenschappelijk onderzoek geen enkele gevaarlijke bijwerking van deze kunstmatige zoetstof heeft kunnen vaststellen en dat ik Stevia naar niks vind smaken kijken ze me meewarig aan.

Ze vertellen hoe lekker dennenappelthee is en dat het ook nog vreselijke ziektes geneest.

Ik heb eens in een documentaire over de Amerikaanse markt gelezen, dat men daar overal de uit maïs gedestilleerde glucose-fructosestroop in doet, voornamelijk als “vulling”. Dit is lucratief omdat maïs heel goedkoop is (de verbouw ervan is gesubsidieerd), en voor een groot deel duurdere ingrediënten vervangt.

Hier is duidelijk sprake van bedrog: als je een pizza koopt verwacht je ingrediënten als meel en kaas en niet dat hij voor een kwart bestaat uit fructosestroop.

Je kunt echter niet zeggen dat de fabrikant ons vergiftigt. Het lijkt er soms op dat mensen echt denken dat voedselproducenten gevaarlijke rommel in ons eten stoppen.
Als je even stilstaat bij die gedachte weet je dat dit zeer onwaarschijnlijk is. Ze zouden groot (juridisch) risico lopen als mensen ziek worden of zelfs sterven als gevolg van de consumptie van hun waren. En ze hebben een naam te verliezen. Als bekend wordt dat je ziek wordt van een bepaald product koopt niemand het meer en kan de producent wel inpakken.

In 1980 stierven twee mensen nadat ze diepvriesgroente hadden gegeten waarin tijdens het transport koelvloeistof terecht was gekomen. Dit was een ongeluk, geen opzet, maar de schade liep in de miljoenen. Iglo is er nooit meer echt bovenop gekomen.

De handel is er overigens ook achter gekomen dat groen hot is. Op elke verpakking die je in handen krijgt wordt ons duidelijk gemaakt dat we hier een uiterst betrouwbaar milieuvriendelijk geproduceerd product in handen hebben, op natuurlijke wijze bereid en zonder toevoeging van kunstmatige stoffen. Zelfs op de verpakking is niets aan te merken, want die is recyclebaar.

Er bestaat een woud van vignetten en kwaliteitsaanduidingen, waarin niemand nog de weg kan vinden.

Mag ik even braken? Soms gaan ze wel heel ver met hun geslijm:

Inmiddels is er wel degelijk een echt probleem op voedselgebied: mensen die weinig geld te besteden hebben kopen veel te vaak ongezond fastfood. Gezond eten is vaak te duur.

Ik las in een voortreffelijk boek van James O’Brien (How to be Right) dat pogingen om mensen meer bewust te maken van hun ongezonde voedingspatroon door de rechtse media zwaar worden bekritiseerd. Men noemt het daar het Nanny-syndroom. De overheid zou veel te betuttelend optreden en zou meer moeten vertrouwen op de eigen verantwoordelijkheid van de mensen.

Hij schildert echter het beeld van de leefomgeving van veel arme Engelsen: in elke straat stikt het van de fastfoodwinkels en overal staan reclameborden die vertellen dat je zo lekker en goedkoop bij MacDonald’s en KFC kan eten. Bied daar maar eens continu weerstand aan!

De bescheiden overheidscampagnes steken hier wel erg mager bij af….

Wat dat betreft zijn we er in Nederland, geloof ik, wat beter aan toe.
(Hoewel de Telegraaf zich wel zorgen maakt dat naast Zwarte Piet ook onze gehaktbal wordt afgepakt).

 

 

 

 

Zoenen

Niet lang geleden vertelde iemand me dat het geven van drie zoenen bij een begroeting (en afscheid!) op z’n retour is.

Wat een opluchting!

Wanneer ik op televisie Engelsen bezig zie, of ander Europeanen, dan ben ik jaloers: één, keurige zoen en dan is het over. Niet drie van die ingewikkelde, waarbij je elkaar de wangen synchroon, maar in spiegelbeeld, moet aanbieden terwijl je zelf een goed plaatsje moet vinden om je lippen te plaatsen. En dat drie keer!

Als er brillen in het spel zijn wordt het nog ingewikkelder. Probeer maar eens te vermijden dat die met elkaar in contact komen.

De Fransen maken zich er nog makkelijker van af: die zoenen met veel misbaar ergens ter hoogte van het oor in de lucht.

Een van de dames van de bridgevereniging stelt zich vastberaden op als de leden elkaar voor het eerst in het nieuwe jaar zien: ze wil niet dat iedereen haar aflebbert.

(Ik kan haar dus heel goed plagen door aan te kondigen dat ik er naar uitzie haar drie lekkere pakkerds te geven. Ze wordt er helemaal zenuwachtig van.)

Soms heeft het voordelen om lang te zijn: als ik geen zin heb in zoenen strek ik de rug en kijk vaag een andere kant op als iemand me begroet. Knappe jongen (of meisje) die er dan bij kan!

Overigens zijn er ook nadelen: in winkels wordt me vaak gevraagd of ik even iets van het bovenste schap wil pakken en als ik vóór iemand plaatsneem in bioscoop of theater maak ik mezelf extra klein om de persoon achter me niet alle zicht te ontnemen. Het komt er dus op neer dat ik als een soort Quasimodo (de gebochelde van de Notre Dame) de voorstelling uitzit, en me naderhand niet meer goed kan uitstrekken.

Je zou het lengteschaamte kunnen noemen.

Ik zeg wel stoer dat ik zoenen vermijd als ik daar zin in heb, maar je wil natuurlijk een dame niet voor het hoofd stoten als zij van plan is je met een kus te begroeten. Je gaat er dus automatisch in mee als je denkt dat iemand het zoenproces in gang zet.

Het overkwam me eens dat ik dacht zo’n signaal op te vangen en dus overging tot zoenen terwijl ik de betreffende dame voor het eerst van mijn leven zag.

Zo gebeurde het dat de verbouwereerde moeder van een van mijn vriendinnen tot haar eigen verbazing gezoend werd door een wildvreemde.

Ik had mijn vergissing heel snel door en wist niet hoe gauw ik weg moest komen (tot grote hilariteit van mijn vriendin).

Mannen geven elkaar de hand, dat is voor iedereen een vanzelfsprekendheid. Waarom eigenlijk?

Ik maakte er vroeger een punt van om homoseksuele vrienden in plaats van een handdruk ook een kus te geven. Wilde ik hiermee demonstreren dat ik heel ruimdenkend was? Of dat ik gays eigenlijk bij de vrouwelijke helft van de mensheid indeelde?

En hoe zit het met vaders en zonen? Gaan die elkaar als de zoon man geworden is ook ineens een hand geven?

(Ik doe dat natuurlijk niet: we geven elkaar een berenhug en planten dan een zoen ergens in de nek. Mooie tussenoplossing).

Het is allemaal erg ingewikkeld, en nu heb ik het nog niet eens gehad over tongen. Ik herinner mij de allereerst keer nog heel goed. Ik zat in de zesde klas en werd op kamp verleid door een soort Walküre die haar vlechten bovenop haar hoofd droeg. Ze pakte me stevig vast en stak tot mijn grote ontsteltenis haar tong in mijn mond. Ze smaakte naar augurk.

 

Misschien moeten we naar de Maori’s kijken. Die zoenen niet, maar neuzen. Zou dat minder complicaties opleveren?

 

 

 

Wereldvondst of toch nep II

 

In een oude partij postzegels die ik via internet kocht vond ik enkele heel oude exemplaren die (volgens Wikipedia) heel veel waard zouden zijn.

Nadat we uitgebreid hadden nagedacht over wat we zouden gaan doen met de opbrengst van dit buitenkansje besloot ik contact te zoeken met een expert. Die zou kunnen bevestigen dat ik een geweldige vondst had gedaan en me verder de weg kunnen wijzen hoe ik haar te gelde kon maken.

We reden naar een gerenommeerd veilinghuis in Weesp en mochten plaatsnemen voor een imposant bureau. Even later kwam een bebrilde filatelie-expert binnen die een halve seconde nodig had om vast te stellen dat de zegels niet echt waren.

Hij wees erop dat het papier er heel nieuw uitzag (wat ik eigenlijk ook had moeten constateren) en dat het hier waarschijnlijk kopietjes betrof die mensen in hun album plakken om de lege plekken te verhullen.

Omdat het wel heel erg gênant zou zijn als wij binnen één minuut weer buiten zouden staan bood hij aan mijn album nog even te checken. In sneltreinvaart (het was duidelijk dat hij dit vaker deed) monsterde hij de bladzijden van mijn bescheiden album en verklaarde dat er niets bijzonders inzat.

Met dat laatste was ik het niet eens: ik heb ze allemaal netjes inmijn boek gestopt omdat ik ze allemaal bijzonder prachtig vind. Ik ging maar niet in discussie.

Om ons toch nog wat op te monteren gaf hij nog wel de geruststelling dat de rest wel allemaal echt was. Dat was heel prettig om te horen.

We reden niet in bedrukte stemming terug naar huis. Gewone stervelingen als wij lopen natuurlijk niet tegen een wonder aan. In de loterij winnen we ook al nooit wat.

We vertelden elkaar dat het maar goed is dat we niet rijk zijn, daar word je alleen maar ongelukkig van!

Dit zegeltje vond ik ook nog, de expert moest  een loep in zijn oog schroeven om te bepalen of hij echt was, maar ook hier was het vonnis: nep.

Het was prettig om in Wikipedia te lezen dat het ook andersom kan gaan:

Bij een reparatie vond een meubelmaker een veldeel van 15 zegels van de Bazeler duif in een lessenaar . Hij gaf de zegels terug en de eigenaar verkocht ze voor een habbekrats, omdat ze niet meer frankeergeldig waren, aan een handelaar. Nu is datzelfde veldeel een pronkstuk in het postmuseum van Bern.

Wereldvondst of toch nep?

Er zijn verschillende plekken op internet waar je voor relatief weinig geld leuke partijen postzegels kan kopen,

Als ik er weer een gekocht heb wacht ik de komst van de doos vol spanning af.

Als hij gearriveerd is doe ik een snelle scan van de inhoud en haal de grootste rommel er vast uit. Soms zitten er tientallen zegels bij uit de categorie die ik “honden & heiligen” heb genoemd. Ze zijn foeilelijk, de makers hebben vaak geprobeerd de esthetische armoede met het formaat te compenseren.

Vaak zijn er ook boeken bij die duidelijk geplunderd zijn vóór ze te koop werden gezet. Ze vertonen allemaal witte vlekken waar de leukste zegels hebben gezeten.

Het is nog treuriger als het albums betreft die met veel zorg en aandacht door de makers zelf zijn vormgegeven. De zegels zijn keurig ingeplakt en soms ook van commentaar voorzien. De verzamelaar geeft op elke bladzijde een uitgebreid exposé over de geografische of historische achtergrond van de soms onooglijke stukjes papier die afkomstig zijn van alle uithoeken van de wereld.

Alle liefde, tijd en aandacht die er door de jaren ingestopt zijn worden maar zelden gewaardeerd door de nabestaanden. Die laten door een expert de waardevolle zegels eruit slopen en gooien de trieste restanten dan op de markt.

Het komt dus regelmatig voor dat mijn oogst uitermate karig is en dat het overgrote deel van mijn aankoop niet in mijn albums, maar in een grote verhuisdoos met ongewenst materiaal belandt.

Met deze doos zit ik inmiddels zelf in mijn maag: hij wordt alsmaar voller en wat doe ik ermee? Bij het oud papier zetten is “zonde” en in de garage laten staan heeft ook niet veel zin. Het zal niet lang duren of de zilvervisjes krijgen lucht van al dat lekkere gom op de achterkant van de zegels….
Er is natuurlijk een oplossing: de doos zelf ook weer te koop zetten op Marktplaats. Op deze manier ontstaat een trage stroom van duizenden postzegels die per post (o, ironie!) voortdurend van de ene verzamelaar bij de andere terecht komt.

Het doorvlooien van een berg oude postzegels is een bezigheid waarvan ik me kan voorstellen dat niet iedereen er enthousiast van wordt.
Het is inderdaad soms niet erg bemoedigend als je achter elkaar de ene vorst na de andere onder ogen krijgt. Allemaal ernstige mannen met snorren en een enkele vrouw met diadeem en baljurk. En nog meer honden en heiligen.

Maar gelukkig zit er af en toe een pareltje tussen. Je hebt ineens een onooglijk stukje papier in handen en komt erachter dat het een zegel is die honderd jaar of nog langer geleden door iemand op een brief geplakt is, die vervolgens na een verre reis op de bestemming is aangekomen. De ontvanger heeft de postzegel niet weggegooid, maar deze bewaard of weggegeven. Van hoeveel verzamelingen zou hij deel hebben uitgemaakt? Ben ik inmiddels misschien al de tiende eigenaar?

Net zo fijn is het, als je een mooie zegel tegenkomt die niet ontsierd is door een lelijk poststempel. Die is dan nooit gebruikt en heet “postfris”. Je ziet dan een kunstwerkje op miniatuurformaat.

Als ik een slechte aankoop heb gedaan ben ik boos op mezelf: ik had dat geld vast beter kunnen besteden. Maar gelukkig brengt de post ook weleens een doos die een goudmijn blijkt te zijn.

Enkele dagen geleden kreeg ik een zending die niet geplunderd is.

Ik stel me voor dat een oude filatelist overleden is en dat diens huis snel door zijn zoon ontruimd moest worden. Sommige spullen kon hij gebruiken, andere konden direct naar de vuilstort en weer andere konden het best geveild worden.
De zoon was de postzegelverzameling tegengekomen, had hem in een plastic bak gekieperd en op internet te koop gezet.

En aangezien ik het hoogste bod had uitgebracht kwam hij bij mij….

Ik ontdekte al snel dat er heel mooi spul tussen zat en besloot de inhoud langzaam en methodisch te doorzoeken.
Als snel had ik een flink aantal interessante zegels gevonden, waar ik een mooi plaatsje voor inruimde in mijn albums.

En toen had ik ineens twee zegels in handen waarvan ik meteen al zag dat ze heel oud moesten zijn.

Ik ging op onderzoek uit (leve het internet!) en vond als snel een artikel op Wikipedia. Het bleek hier om Zwitserse postzegels te gaan.

The Zürich 4 and 6 were the first postage stamps issued in continental Europe, on 1 March 1843. Both were inscribed “Zürich” at the top.
The 4-rappen stamp was also inscribed “Local-Taxe” at the bottom, since it was intended to pay for letters mailed within the city, while the 6-rappen, inscribed “Cantonal-Taxe”, was for use on letters going anywhere in the canton.

Country of production Switzerland
Location of production Zürich
Date of production 1 March 1843
Nature of rarity Extremely rare
No. in existence Unknown
Face value 4 and 6 rappen
Estimated value CHF 48,000 and above

 

The Double Geneva is a rare Swiss stamp that was issued by the City of Geneva in 1843, making it the third-oldest stamp of the European continent after the Zurich 4 and 6 (1842), and the British Penny Black and Two penny blue, (1840).[1] It bears the name Double Geneva for the double image on the stamp and its place of origin.[2]

Country of production Switzerland
Location of production Geneva
Date of production 30 September 1843
Nature of rarity Extremely rare
No. in existence Unknown
Face value 5/10 rappen
Estimated value CHF 55,000

 

Ik was diep onder de indruk toen ik zag dat ze zo oud zijn: 1843!

Maar ik moest even slikken toen ik zag dat ze “extremely rare” zijn en samen op een veiling ruim 100.000 Zwitserse Franc zouden kunnen opbrengen…. (Een Zwitserse Franc is ongeveer evenveel als 1 euro).

Ben ik inderdaad op een goudmijn gestuit of zijn het vervalsingen?

Zou een oude Friese postzegelverzamelaar echt de hand hebben kunnen leggen op zulke kostbare postzegels? Zou ik dan de enorme mazzel hebben gehad ze nu voor een prikje te hebben gekocht?

Zou ik ze voor veel geld kunnen verkopen? Moet ik dan veel belasting over de inkomsten betalen?

Ik blijf met beide benen op de grond staan, dit soort sprookjes is meestal te mooi om waar te zijn.

Maar je weet maar nooit…..

 

Wordt vervolgd!

Crea

Toen we twee jaar geleden op Terschelling waren deden we mee aan een workshop glas-in-lood maken. We waren erg tevreden met de workshop en het resultaat en deden het jaar daarop weer mee:

http://martinhoudthetbij.nl/nog-een-glas-in-lood-raampje/

Afgelopen augustus maakten we weer nieuwe raampjes, het wordt steeds wat moeilijker, dit keer werkte ik met een ontwerp waarin ook gebogen lijnen voorkwamen.

Hoewel er steeds een jaar tussen zit  blijken we de kunst aardig in de vingers te hebben.
De docent vergrootte het ontwerp dat ik op internet gevonden had zodat het raampje het door mij gewenste formaat kreeg. Ik koos de kleuren (ik houd van helder glas met primaire kleuren) en ging aan de slag.

De afmetingen van de verschillende stukjes gekleurd glas moeten precies kloppen, als dat niet zo is krijg je het nooit voor elkaar een goed sluitend geheel te krijgen.
Dat betekent zo precies mogelijk snijden en daarna nog wat slijpen met de machine.

Ik vind dat mijn raampje erg goed geslaagd is.

Greet heeft een heel andere weg bewandeld, met ook een bijzonder resultaat:

Volgend jaar weer!

Taalgevoel

Een aantal van mijn familieleden is gezegend met wat we bij gebrek aan een betere term taalgevoel moeten noemen.

Deze eigenschap heeft meestal deze kenmerken:

  • Je ontdekt vaak taalfouten in geschreven teksten. Ergens in je hoofd gaat een alarmbelletje af als je ogen iets registreren wat niet in de haak is. Het kan zijn dat de persoonsvorm meervoud aangeeft, maar dat het onderwerp enkelvoud is. Je stopt met lezen, gaat terug en controleert of je het goed gezien hebt. Hetzelfde geldt voor verkeerde werkwoordspelling of semantische onjuistheden.
  • Als je de betekenis van een woord niet kent, of je kunt het niet vertalen in het Nederlands kan je vaak heel goed een “educated guess” doen. Je neemt de plaats van het woord in de zin in aanmerking, de context en soms lijkt het woord op iets uit een taal die familie is.
  • Je bent vaak goed in de uitspraak van vreemde talen en na een tijdje luisteren kan je accenten of dialect ook goed imiteren.
  • Je kunt informatie in geschreven vorm erg goed in je opnemen.
  • Het kost je meestal niet veel moeite een goed leesbare tekst te produceren, sommigen kunnen ook erg goed rijmen (mijn grote zus is hier heel goed in).

 

Ik kreeg een filmpje onder ogen van de dochter van mijn nichtje. Ze is fan van het Nederlandse vrouwenvoetbalteam en moedigt ze aan met het aanstekelijke “Hup Holland Hup”. Ze realiseert zich dat het woordje hup wel erg vaak voorkomt en vervangt dit door het mooie alternatief tup of lup.

Dat ze ook in het bezit is van het taalgevoel-gen blijkt echter uit het feit dat ze ter aanmoediging van de leeuwinnen niet gemakzuchtig “laat de leeuw niet in z’n hempie staan” zingt, maar er heel keurig haar van maakt…..

 

Ik verwacht dat we Jade’s eerste roman binnen vijftien jaar tegemoet kunnen zien.

Kijk naar deze link.

 

De zilveren knoop

1854

Het zat Guurt niet mee die dag.

Het was nog aardedonker toen hij zich ’s ochtends klaarmaakte om naar de haven te gaan waar de vissersboot klaarlag.

Ze zouden die dag zoals gewoonlijk een paar trekken maken op de Zuiderzee om met het kuilnet paling te vangen.

Hij kleedde zich zo warm mogelijk, want het was koud. Toen hij de enige warme trui die hij bezat over zijn hoofd trok scheurde die finaal in tweeën. Het kledingstuk was zo versleten en zo vaak gerepareerd, dat het in stukken uit elkaar viel.

Besluiteloos keek hij naar de vodden in zijn hand. Die trui was echt niets meer waard, hij moest iets anders aantrekken.

Guurt was knecht op een Schoklander vissersboot en verdiende heel weinig. Hij woonde met zijn vrouw Hendrikje in een vervallen huisje op Schokland en had nooit genoeg geld om  rond te komen. Meestal kon hij aan boord eten, dat scheelde, maar geld voor nieuwe kleren was er nooit. Hendrikje probeerde alles zo goed mogelijk te herstellen, maar door het zware werk aan boord sleten Guurt’s kleren snel.

Hij wist dat Hendrikje het helemaal niet met hem eens zou zijn, maar trok toch zijn mooie jas aan, die deel uitmaakte van zijn zondagse pak. Hij had er geen zin in de hele dag kou te lijden. Het was een korte jas, die gesloten werd met twee zilveren knopen.

Hij haastte zich naar de boot en al snel was hij druk in de weer met de netten.

Door de beweging van zijn armen werd er veel kracht uitgeoefend op de knopen van zijn mooie jas en na verloop van tijd brak het oogje van de bovenste knoop af.

Toen Guurt even over de reling van de boot hing viel de knoop met een kleine plons in het water. Langzaam zonk hij naar de bodem en nestelde zich in de modder.

Het lekkere maaltje paling dat Guurt mee naar huis bracht kon de boosheid van Hendrikje niet wegnemen. In onvervalst Schokkers schold ze hem de huid vol. Die zondag hield hij zijn Bijbel angstvallig voor zijn borst, zodat niemand kon zien dat er nog maar één knoop zat.

 

1999

Ons zoontje speelt in de tuin van onze eengezinswoning en komt even later opgewonden binnen: kijk eens wat ik in de aarde gevonden heb?

 

Moeder en kind

 

Small Talk

Ik heb al vroeg een moeizame relatie met het gesprek in al zijn verschijningsvormen ontwikkeld.

In de zuivere vorm is het een van de mooiste communicatiemiddelen die we hebben, maar een gesprek voldoet lang niet altijd aan basale voorwaarden.

Heb je weleens stilgestaan wat het betekent als je vertelt dat je een goed gesprek met iemand hebt gehad? Is het niet heel vaak zo dat jij vooral aan het woord bent geweest, de ander vooral heeft geluisterd en er dus eigenlijk sprake is van een fijne monoloog?

Leven je ouders nog? Nou, mijn moeder is net overleden.

Je hebt ook vast weleens het omgekeerde meegemaakt: je wilt vertellen over je vakantieplannen, maar al snel luister je alleen nog naar die van een ander. Het kan nog erger: iemand informeert naar iets en geeft je amper de kans te antwoorden, als snel begint hij zelf oeverloos uit te weiden over het onderwerp.

Gezellig kletsen

Borrels en recepties zijn aan mij niet besteed. Ik kijk met verbazing en enige jaloezie hoe mensen moeiteloos gesprekken gaande houden met wisselende toehoorders en over alle mogelijke onderwerpen. Ze schakelen moeiteloos en hebben er kennelijk geen enkele last van als het gesprek alle kanten opgaat.

Het gebeurt me weleens dat ik me in een groepje bevind waarin opeens een interessant punt wordt aangesneden. Ik maak mij op anderen deelgenoot te maken van mijn originele opvattingen op dit terrein, maar voor ik er erg in heb zijn we alweer drie onderwerpen verder.

Als je niet praat doet een ander het wel

Ik luister dus relatief veel, maar dat heeft ook zijn nadelen. Vacuüm moet worden opgevuld, dus velen beschouwen het feit dat jij niet zoveel bijdraagt als een legitimatie om zelf voortdurend aan het woord te zijn. Dat ik hun die kans geef geeft hen de indruk dat hun betoog wel buitengewoon interessant moet zijn en vaak doen ze er nog een schepje bovenop. Ik ken iemand die steeds ongeloofwaardiger verhalen over zichzelf vertelt en laatst dacht iemand dat een anekdote over een spelshow van veertig jaar geleden tot het toppunt van amusement behoorde.

Het ijs moet gebroken.

Is het je weleens opgevallen wat mensen elkaar vertellen als ze elkaar nog niet zo goed kennen? Ze snijden uitsluitend strikt veilige onderwerpen aan waar ze al vele keren eerder over hebben verteld. Als hun partner ook aanwezig is zit die altijd blij te knikken (of vult aan), want die heeft het verhaal natuurlijk al honderd keer gehoord.

Catering

Ik houd me op gezellige bijeenkomsten dus meestal een beetje gedeisd en heb er geen enkel probleem mee voor de hapjes en drankjes te zorgen. Indien nodig creëer ik mijn eigen geschikte momenten, zoals met een klein gezelschap rond de tafel na een lekker maal.  Voor mij is dat de ideale setting voor een goed gesprek.

Had ik maar een hond.

Als je een hond hebt zal een gesprek met een andere hondenbezitter nooit een probleem vormen: jij vertelt alles over jouw trouwe viervoeter en de ander maakt je deelgenoot van al de schattige eigenschappen van zijn schijtbeest.

Maar dan de Britten

Jaren geleden bracht ik een bezoek aan de Engelse ambassade, die in een prachtig Haags pand gevestigd is. We werden bij de deur welkom geheten door de echtgenote van de ambassadeur, een heuse Lady. Za nam mijn hand, vroeg me waar ik woonde en liet na mijn antwoord weten dat iedereen daar zo’n prachtige tuin heeft. Met een: “Do tell me about your garden” richtte ze haar blik alweer op de volgende gast.

In de grote tuin werden lekkere drankjes geschonken en hier kreeg niemand de kans een beetje zielig in zijn eentje te staan. Ervaren ambassademedewerkers pikten je er zo uit, begonnen een levendig gesprek en koppelden je ongemerkt aan een groepje.

Het was een gedenkwaardige middag. De Engelsen zijn ongelooflijk stom bezig met de Brexit, maar als het gaat over beleefde conversatie en goede omgangsvormen kunnen we nog heel wat van hen leren.

 

 

 

Kommer