Allemaal koninginnen

Of: de avonturen van Martin in postzegelland.

Als je via internet iets bestelt kom je terecht in een database. Soms heeft dat tot gevolg dat je allerlei aanbiedingen in je postbus vindt.

Ik bestelde ooit enkele postzegels die ik mooi vond. Ze kostten niet veel geld en ik wilde ze graag in een lijstje aan de muur hangen¹.

 

 

Nu sta ik te boek als postzegelverzamelaar en niet lang geleden viel in dikke catalogus op de deurmat. Hierin werden duizenden postzegels te koop aangeboden en ook spullen die met de hobby te maken hadden.

Ik bladerde door de gids en stond versteld van het aanbod.

 

Ik had vroeger een neef en een oom die postzegels verzamelden. Ik schatte terecht in dat deze hobby niets voor mij was. Je moest zitten te friemelen met piepkleine stukjes papier, je moest ze moeizaam losweken en voorzichtig met een pincet in een hoesje frommelen. Het aanbod was zo verschrikkelijk groot dat je verzameling nooit van zijn leven ook maar een beetje compleet zou worden.

Ik ben er dan ook nooit aan begonnen, tot vandaag.

Mijn vrouw en ik herkenden beiden postzegels van vroeger (toen mensen elkaar nog kaarten en brieven stuurden) en uit nostalgische overwegingen bestelde ik er hier een paar van.

Toen bleef mijn blik hangen bij een speciale aanbieding: 1000 Nederlandse postzegels voor €15,-!

Die kon ik niet voorbij laten gaan. Mijn aloude drang ergens veel van te bezitten stak de kop op. Ik fantaseerde dat er prachtige exemplaren tussen zouden zitten en misschien wel een enkele heel zeldzame, die heel veel geld waard was².
De verkopers zouden zich de haren uit het hoofd trekken dat ze bij de samenstelling van het pakket niet beter opgelet hadden. Toen ik het bestelnummer had ingevoerd bedacht ik dat ik eigenlijk ook een album nodig had om mijn schat in op te bergen. Ik kon mijzelf er net van weerhouden ook een speciale filatelie-pincet aan te schaffen. In het medicijnkastje lagen er drie, daar zou ik mij voorlopig waarschijnlijk wel mee kunnen redden.

Wie voor het eerst een beetje rondneust in de wereld van de postzegelverzamelaars ontdekt dat er heel veel is waar hij geen verstand van heeft:

Wat betekent postfris (gebruikt en ongebruikt)?  Wat is een tete-beche met en zonder gutterpair? Vierzijdige roltanding? Wat zou een dubbelenpartij zijn?

Ik liet mij hierdoor niet weerhouden en wachtte vol spanning het pakket af.

Duizend postzegels is heel veel. In het begin bekeek ik elk plaatje zorgvuldig en probeerde soort bij soort op de grote eettafel te leggen, maar al gauw verloor ik mijn geduld en besloot rigoureus te schiften. Ik ontdekte dat nieuwere zegels mij nauwelijks konden boeien. Ik zag dat men in de postale wereld kennelijk elke gelegenheid aangrijpt om een speciale postzegel uit te geven. Van het vijftig jarig bestaan van de NAVO tot werelddierendag: overal bedacht men een meestal heel lelijke zegel voor.

Weg ermee. Ik gooide alle nieuwerwetse zegels in een doosje en legde de oude (nog met een waarde in centen, soms zelfs halve centen!) apart.
Ik had mijn draai gevonden en was al aardig op weg een echte gespecialiseerde filatelist te worden.

Er was één soort postzegels duidelijk oververtegenwoordigd: die met een koningin erop.
De bekendste is natuurlijk de zegel met Juliana van opzij. In mijn herinnering zat die op alle brieven en kaarten.
Maar er waren nog veel meer vrouwelijke monarchen. Ik had al door dat er heel wat research bij zou komen kijken vóór ik precies wist met welke vorstin ik van doen had, want ze zetten er op postzegels bijna nooit een naam bij.

 

Over de tafel hangend speurde ik naar zegels die tot dezelfde serie behoorden, want die moesten bij elkaar in mijn album.
Bij sommige zegels kon ik amper zien wat erop stond, omdat menig overijverige postbeambte zich kennelijk niet had weten in te houden bij het stempelen. Ik leerde nu dus wat het verschil is tussen postfris en gebruikt. (Wat ongebruikt is weet ik nog steeds niet).

Ik kwam erachter dat omgang met postzegels iets is voor mensen met een goed ontwikkelde fijne motoriek en veel geduld. De broze stukjes papier laten zich slechts met de grootst mogelijk moeite achter de doorzichtige venstertjes van het album proppen en zitten dan ook nog eens scheef. Je moet ook niet de fout maken even te hoesten terwijl je net alles op volgorde hebt gelegd. Ik pauzeerde regelmatig.

Er komt vast een moment dat ik heel precies ga uitzoeken wat er allemaal aan informatie te vinden is, maar voorlopig ben ik even klaar met mijn filatelistische uitspattingen. Meer later!

¹Een vraatzuchtig beestje heeft zich inmiddels tegoed gedaan aan de postzegel van 1 cent. Hij heeft de andere denominaties tot nu toe met rust gelaten. Ze hebben tegenwoordig ook nergens meer respect voor!

²Als je vroeger over de Nieuwezijds Voorburgwal richting Spui fietste zag je aan je rechterhand altijd enkele kraampjes staan waar ze postzegels verkochten.
Guus Luijters en Carmiggelt besteedden er in een stukje allebei aandacht aan.
Ze vertelden dat er nog weleens jongetjes rondliepen met hun postzegelalbum onder de arm en dat die steevast verschillende keren werden aangesproken door oudere verzamelaars: “Mag ik even in je album kijken”? Die mannen hoopten dat ze er een zeldzame, kostbare zegel in zouden aantreffen, die ze dan het nietsvermoedende jongetje voor een prikje zouden ontfutselen.

De trein

Ik vertelde een vriend dat ik naar een mooi concert in het Concertgebouw van Amsterdam was geweest. “Je hebt je auto zeker in de parkeergarage onder het Stedelijk Museum gezet” vroeg hij.

Ik was verbaasd, omdat ik nooit met de auto naar Amsterdam ga. Ik heb het idee dat ik dan voortdurend met opstoppingen te maken zou hebben en heel veel moeite zou moeten doen een parkeerplek te vinden, waar je dan ook nog eens veel voor moet betalen.

Ik neem natuurlijk altijd de trein. Als het een beetje meezit sta ik binnen een halfuur op het Centraal Station, daar kan ik verder met de tram of met de metro.

Ik houd erg van de trein en vind het nog steeds een klein mirakel dat je comfortabel gezeten, lekker naar buiten kijkend of in een boek, met vliegende vaart naar je bestemming gebracht wordt.

Het komt een enkele keer voor dat het heel druk is en dat je een gedeelte van het traject moet staan, maar ik heb bijna altijd een zitplaats.

Ik weet niet wat er de reden voor is, maar de plaatsen waar twee banken tegenover elkaar gepositioneerd zijn worden het eerst in beslag genomen. Kennelijk zit je daar het lekkerst. De coupé vult zich altijd volgens het principe van de personal bubble: nieuwe mensen gaan eerst alleen zitten en pas als dat niet meer kan nemen ze naast iemand anders plaats.

Ook heel fijn zijn de aparte compartimenten in de Intercitytreinen. Daar kunnen zes mensen in, maar als je erin zit komt er zelden iemand bij.

Soms blijk je je in een stiltecoupé te bevinden, o wee als je dan te hard praat of telefoneert, je krijgt dan boze blikken of wordt terecht gewezen.

 

Wij hebben een voordeelurenkaart en hebben ook Keuzedagen: elke twee maanden mogen we een dag gratis reizen, plus nog één andere dag. Voor een beetje meer geld mag je eerste klas, wat natuurlijk helemaal een feest is.
In de eersteklascoupés met de rode stoelen is bijna altijd plaats. We vragen ons wel eens heel kinderachtig af of al onze medereizigers ook wel over een eersteklasbiljet beschikken en hopen dat de conducteur snel komt controleren, waarbij wij dan kunnen laten zien hoe betrouwbaar wij zijn en de misbruikers verbannen worden.
Het zou best kunnen dat andere reizigers aan ons twijfelen: zou die man met die sandalen en die korte broek wel weten dat hij in de eersteklas zit?

Niet lang geleden zaten we vlakbij een reiziger die de eigenaar van NS moest zijn. Wij wisten dat omdat hij in zijn eentje vier plekken innam: hij zat aan het gangpad en op de stoelen voor hem had hij zijn koffer en jas gedrapeerd.
Hij was bezig met heel belangrijke zaken op zijn laptop, waarbij hij natuurlijk niet gestoord mocht worden.

Als je om je heen kijkt moet je constateren dat negen van de tien medereizigers naar het schermpje van hun telefoon zitten te kijken. De tiende is aan het bellen. De strekking van het gesprek is altijd hetzelfde: “In de trein. Zwolle. Over tien minuten.”

We zitten vaak in een Sprinter, die maar een nadeel heeft: hij heeft geen toilet. Dat hij op elk station stopt (inderdaad: een sprinter en geen langeafstandsloper) vind ik niet zo’n bezwaar.

 

We mogen ook regelmatig plaatsnemen in een Intercity, waar vaak studenten langskomen met een gigantische buidel om hun middel waarin talloze lekkernijen zitten. Ze dragen een zak heet water op hun rug waaruit ze via een slangetje bekertjes koffie en thee vullen. Ze kondigen hun komst van tevoren aan en zijn niet boos als je niets van hen koopt.

Er is een tijd geweest dat men een railtender gebruikte: smalle hoge karretjes die precies in het gangpad pasten.

In veel dubbeldekkers herinnert een liftje, waarmee het karretje naar boven werd gebracht hier nog aan. Ik zie ze nu nooit meer.
Het is eigenlijk heel raar dat de railtenders afgeschaft zijn, omdat juist vanwege die liftjes de opgangen waarvan de reizigers gebruik moeten maken claustrofobisch smal zijn.

 

De allermooiste trein is de machtige koploper: als de treinstellen aan elkaar zijn gekoppeld loop je onder de cabine van de machinist door.
Ik zou best eens bij de machinist willen staan als deze trein rijdt: je hebt een majestueus uitzicht over het spoor.

 

Nederlandse Spoorwegen                8

Madeline was jarig en kreeg als cadeautje een ritje met de trein. Bekijk het filmpje.

 

De BoerToer

Bij aankomst op Terschelling doe je er goed aan een exemplaar van de Sjouw te bemachtigen. In deze publicatie staat alles opgesomd wat voor een badgast (zeg nooit: toerist) van belang kan zijn.
Op de eerste dag van onze vakantiek stelde ik een lijstje met leuke dingen op en maakte plannen.

Dit jaar stond de Boertoer op het programma, een recreatieve fietstocht langs de landbouwbedrijven van Terschelling. Verheugd constateerde ik dat we ons op 12 augustus nog op het eiland zouden bevinden. Daar gingen we aan meedoen!

 

De gedenkwaardige dag brak aan, en bordjes wezen ons de weg. Op onze eerste boerderij vielen we met de neus in de boter (deze beeldspraak is wel heel erg toepasselijk!), want de boerin had glazen melk vers van de koe klaargezet.

 

Ik kreeg meteen een associatie met een uitstapje dat ik lang geleden met mijn zesde klas van de Bilderdijkschool in Amsterdam maakte. We gingen op bezoek bij de boer.
Ik vermoedde dat het voor de meeste van mijn leerlingen de eerste keer was dat ze op een boerderij waren.
Ook hier had de boerin voor ons als verrassing een blad met glazen verse melk klaar staan. De kinderen keken er uiterst gereserveerd naar. De boerin was ervan overtuigd dat ze maar weinig aansporing nodig zouden hebben om deze heerlijke traktatie tot zich te nemen. Als de meester het goede voorbeeld zou geven zouden zij ongetwijfeld snel volgen.
Ik moest hard slikken toen mij het glas voorgehouden werd. Ik houd niet van melk en al helemaal niet van volle melk. Ik moest bijna kotsen bij de gedachte een glas warme melk, vers van de koe waarin enkele haren dreven te moeten opdrinken.
Maar ik had hier een voorbeeldfunctie en goed onderwijs vereist offers. Ik zette het glas aan mijn lippen en dronk het zo snel mogelijk leeg. Ik zag kans mijn kokhalzen voor een gulle lach te laten doorgaan en moedigde mijn leerlingen aan mijn voorbeeld te volgen.
Toen de boer ons kwam halen voor een bezoekje aan de stinkende stal waren alle andere glazen onaangeroerd.

 

Dit keer hoefde ik gelukkig niet op het aanbod in te gaan. De boer drong erop aan dat we ons snel naar de stal moesten begeven, dan zouden we de geboorte van een kalfje kunnen aanschouwen.

We troffen een liggende koe aan waar aan de achterkant twee pootjes uitstaken waaraan een touw gebonden was. De boerin trok hier heel hard aan en enkele ogenblikken later floepte er een kalfje uit. De koe stommelde overeind en begon de boreling terstond te likken, geen acht slaand op het feit dat het beest geheel onder de gele poep zat. Wat is de natuur toch mooi.

 

Op een volgende boerderij waren vooral paarden. Mijn vriend Erik, die toevallig ook op Terschelling was en samen met ons aan de fietstocht deelnam, had gezien dat je hier ook een workshop paardenspiegelen voor volwassenen (gebaseerd op lichaamstaal) kon volgen.

Hij veinsde grote belangstelling en zag op een of andere manier pesterig kans de boerin zover te krijgen dat ze juist mij uitvoerig begon uit te leggen wat het inhield.

Ik weet niet hoe het kwam, maar ondanks het feit dat ik mijn gezicht volstrekt uitdrukkingsloos hield was het kennelijk toch duidelijk dat ik nogal sceptisch tegenover dit soort aangelegenheden sta. De boerin verhevigde haar pogingen mij te overtuigen van het nut om tegen een warme paardenkont te leunen en ik zocht wanhopig naar een ontsnappingsmogelijkheid.

Ik werd bevrijd door enkele kinderen die een pony wilden aaien en blies de aftocht met de belofte dat ik de komende woensdag wellicht aan een fluistersessie mee zou doen.

 

Op weg naar de volgende boerderij besefte ik ineens dat ik eigenlijk helemaal niet van boerderijen houd. Het stinkt er, er zijn gevaarlijke dieren en het is er altijd vies en rommelig. Ik ben een stadsjongen die qua agrarische ervaring met een bezoek aan de zuivelafdeling van de supermarkt ruimschoots aan zijn trekken komt.

 

We besloten de boertoer de toer te laten en lekker taart te gaan eten onder de molen van Formerum.

 

Nog een Glas in lood raampje

In de zomer van 2017 woonden we een workshop bij, waarin we ieder een glas-in-loodraampje maakten.
We leerden de techniek van het glas snijden, het in lood zetten van de verschillende stukjes en het solderen.

Ik was erg tevreden over het resultaat en nam me destijds voor er nog een te maken.

 

 

 

 

Dat is inmiddels gebeurd, onder deskundige begeleiding van Henny Terpstra maakten we elk een nieuw raampje.

            

In de eerste workshop werkten we volgens een ontwerp van Henny zelf, met eenvoudige vormen. In de vervolgbijeenkomst, die begin augustus 2018 plaatsvond, mochten we zelf ideeën inbrengen.

 

Ik wilde graag een nieuw logo voor mijn website en vroeg haar een ontwerp te maken met als voornaamste motief een letter M. Dat deed ze voortreffelijk, tot mijn genoegen leek het een beetje art deco.

Als je een ontwerp voor een glas in loodraam maakt moet je altijd rekening houden met de dikte van de loodstrippen waarin de glasplaatjes gevat worden. Als je dit vergeet kloppen je maten niet meer.

 

 

De speciale glas-in-loodschaar is een prachtig hulpmiddel: de schaar heeft een afstand tussen de bladen, waardoor bij het knippen een klein stukje “verdwijnt”. Die ruimte wordt later ingenomen door het lood.

 

Greet gaf ook aanwijzingen voor het ontwerp, het eindresultaat pakte prachtig uit.

Ik zocht mijn kleuren bij elkaar en begon aan mijn tweede raam.

Voor mij was de techniek om met kleinere stukjes en hoeken te werken nieuw.
In de praktijk lijkt het allemaal nogal simpel maar in de praktijk valt het niet mee alles mooi passend te krijgen.

Ik ben erg tevreden over het eindresultaat, het siert nu al de homepage van mijn site.

Volgend jaar weer een!

Verslag van de eerste workshop

Website van Henny Terpstra

Toch maar weer Terschelling

We moesten dit jaar een lastige keus maken: boeken we een reis bij Terror Airlines waarbij we het genoegen kunnen smaken heel lang zwetend in een rij te staan om dan vervolgens opeengepakt in een aluminium buis naar een ver land gebracht te worden om daar gestoken door enge beesten op bed te liggen terwijl je inmiddels het verschil niet meer weet tussen diarree en kotsen of gaan we weer naar Terschelling?

Het blijft altijd spannend of je de boot zal halen, maar als je de auto + caravan aan boord hebt weten te manoeuvreren en je plaats neemt in de salon weet je dat de vakantie echt begonnen is.

Op het eiland genieten we van fietsen door de duinen (mooier vertier is er niet, vooral als het heel warm is) en werken we ons lijstje af van dingen die we gedaan willen hebben.

Nogal wat onderdelen van het lijstje behelzen het tot ons nemen van lekkere dingen, maar dat mag als je heel veel fietst.

Bezoekje aan de Friteria (lekkerste patat van Nederland):               √

Visje eten in de haven:                                                                              √

Minstens een bezoek aan elk strandpaviljoen:                                    √

Bloemen plukken in de zelfpluktuin:                                                    √
(Greet maakte een mooie aquarel van ons boeket).

(De lijst is nog veel langer, hij wordt aangevuld met speciale evenementen van dit jaar, zoals een theatervoorstelling in het kerkje van Hoorn).

Daarnaast dompelen we ons onder in het campingleven, waaraan onderstaande observaties zijn ontleend.

Φ Enkele tenten verderop is een beroepsmoeder neergestreken.  Ze is voortdurend in de weer met haar drie kleine kinderen en is onverminderd enthousiast. Ze prijst de kinderen voortdurend, is vertederd als ze andere tenten binnenlopen en grijpt niet in als ze aanhoudend gillen.
Het lijkt erop dat veel van de opmerkingen die ogenschijnlijk bedoeld zijn voor haar kroost, eigenlijk gericht zijn aan de omstanders. Heel vaak zijn het retorische vragen (“hebben we dan in onze luier gepoept?”) of verkapte pogingen omstanders het bijzondere talent te laten inzien waarmee haar kindjes gezegend zijn. (“Wat knap dat jullie dat helemaal zelf gemaakt hebben!” als ze anderhalve paardenbloem en twee sprietjes gras als boeket presenteren).

Φ Af en toe ga ik per ongeluk naar het toiletgebouw als het daar spitsuur is. Ik raak verzeild in de topdrukte die na het avondeten heerst als alle kindertjes onder de douche moeten en daar allemaal luidkeels tegen protesteren. Menig ouder lijkt geen enkel overwicht te hebben op hun kind en werkt het ritueel met opeengeklemde kaken af, denkend aan de fles wijn die lonkt als hun voortbrengselen eindelijk zullen slapen.

Φ Het dak van de doucheruimte staan de antennes van de Wifi. Tieners scholen er samen en zijn druk in de weer met hun telefoons in de overtuiging dat de ontvangst daar beter is.
Aan de rand van het veld staat nog een mast met enkele antennes. Onze buren staan er precies onder en vertellen dat ze geen oog dicht doen vanwege de straling. Na twee nachten ze verhuizen ze met hun hele bedoening naar een andere plek.
Wij doen voor het slapengaan ons aluhoedje op en hebben dus geen last.

Φ De buren hebben bezoek gekregen van een bekende. Nadat de gast begonnen is met praten houdt ze niet meer op. Wij kunnen alles woordelijk volgen. Het lijkt erop dat de spreekster geen onderscheid kan maken tussen hoofd- en bijzaken, of tussen wat mogelijk interessant is en wat niet. Alles komt uitgebreid aan bod en de buren geven hun pogingen zelf ook eens wat te berde te brengen na verloop van tijd op.

Φ Het blijft altijd lastig: groet je de mensen, of niet? Ik probeer mij te verplaatsen in de positie van het echtpaar dat met hun tent vlakbij de toiletten staat: zou ik willen dat alle mensen die van plan zijn hun behoeften te doen en langs mijn tent komen mij gedag zeggen? Soms vier keer per dag?
Als iemand oogcontact weigert is het duidelijk: we kunnen elkaar zwijgend passeren. Maar als een mede-campinggast je verwachtingsvol aankijkt is het duidelijk dat je goedemorgen moet zeggen.

Φ Een nieuw fenomeen: er zoeven mensen pijlsnel over het grasveld. Ze zitten op een e-bike die echt heel hard gaat. Er moet niet net een kleintje op hun pad zijn gekropen.

Φ We krijgen regelmatig bezoek van een zwerm mussen. Ze vinden minuscule stukjes voedsel in het gras, af en toe gooi ik wat broodkruimels voor ze neer.
Er zijn ook jonkies bij. Aan hun formaat kun je dat niet zien, ze zijn net zo groot als hun ouders, maar hun gedrag verraadt dat ze nog niet zo lang geleden uit het nest zijn gekomen. Ze vliegen net zo vaardig als de volwassen mussen en kwetteren er net zo lustig op los, maar af en toe laten ze hun vleugeltjes heel pathetisch bibberen en doen net of ze zwaar behoeftig zijn. Hun ouders hebben een wat mottig en mager voorkomen en zijn er waarschijnlijk slechter aan toe dan zij, maar soms trappen ze erin en stoppen gewoontegetrouw wat eten in hun opengesperde bekje.

Φ Als ik ’s avonds laat nog even een plas moet loop ik over de doodstille camping en zie boven me de prachtige heldere sterrenhemel. Ik weet alleen de Grote Beer te vinden maar ben diep onder de indruk. De lucht is kraakhelder en met onvermoeibare regelmaat strijkt het licht van de Brandaris over het eiland.

Wat is vakantie toch mooi.

 

De scheepstoeter

Friezen staan doorgaans niet bekend als goedlachse vriendelijke types. Mijn oom Wiebe vormde hierop geen uitzondering. Als we op bezoek waren kneep hij altijd zo hard in mijn hand dat het pijn deed. Hij onderzocht of zijn neefje een watje was.
Oom Wiebe kon sneller bidden dan ieder ander. Het nadeel hiervan was dat je absoluut niet kon verstaan wat hij zei, het voordeel dat je snel aan je eten kon beginnen: eerst sop (soep) en daarna drêge (droge) worst.
Ik vermeed mijn oom zoveel mogelijk, bang dat ik nog verder op de proef gesteld zou worden.

Ook mijn vader had weleens met hem in de clinch gelegen. Toen Wiebe zich verloofde met tante Tine, mijn vaders zus, wilde hij graag een wit voetje halen bij haar oudste broer Jelle. Hij nodigde mijn vader uit voor een zeiltochtje op het Pikmeer. Ze zouden aan de overkant in Grou aanleggen en daar een Sonnemaatje drinken. De man die later mijn vader zou worden wilde maar al te graag mee, hij kon ook goed zeilen en wilde dat graag demonstreren. Er was echter maar een kapitein op het schip, en dat was Wiebe.
(Op de foto: Wiebe en Tine).

Vanaf zijn plaats aan de helmstok gaf hij bevelen aan zijn bemanning (mijn vader) en aanwijzingen aan andere zeilers en brugwachters. Voor dit laatste gebruikte hij een koperen scheepstoeter.

Mijn vaders taak bestond uit het bedienen van de fok, hij mocht geen moment het roer overnemen.
Hij was hierover zo verontwaardigd, dat hij na aankomst in Grou van de boot afsprong en meteen de bus terug naar huis nam. Wiebe moest alleen, zonder fokkenmaat terugzeilen.

Een enorm familiedrama dreigde. Wiebe was heel kwaad op zijn aanstaande zwager en mijn vader peinsde er niet over excuses te maken.
De zaak liep zo hoog op dat Tine in overspannen toestand dreigend met een schaar op mijn vader afkwam.
Geschokt door het feit dat zijn zus, die altijd toch zo erg gesteld was op haar oudste broer de kant koos van haar verloofde haalde hij bakzeil (om in nautische termen te blijven spreken). Een knappe prestatie voor een Fries. Hij maakte het goed met Wiebe en spoedig gingen ze weer zeilen. Mijn vader bediende braaf de fokkenschoot en leek het helemaal niet erg te vinden dat hij geen moment mocht sturen.

Toen ze in opperbeste stemming weer in de thuishaven aangelegd hadden en alweer op weg waren naar huis, herinnerde mijn vader zich dat hij zijn muts aan boord had laten liggen en ging even terug.
Hij nam niet alleen zijn muts mee, maar ook de koperen scheepstoeter.

 (Jelle Minnema)

Hij leefde later erg mee met zijn zwager toen die vertelde dat zijn toeter op onverklaarbare wijze was verdwenen en hielp hem de boot van boeg tot achterplecht te doorzoeken.
“Fêst yn it wetter fallen”, (vast in het water gevallen) was zijn conclusie.

Wiebe moest voortaan op het water communiceren door hard te roepen en mijn vader had een nuttig instrument verworven dat hem later nog vele keren goed van pas kwam.

Zo gebruikte hij de toeter als hij met de schoolkinderen op kamp was en kon hij ons tijdens vakanties in verre landen op eenvoudige wijze duidelijk maken dat het eten klaar was en dat wij ons bij de tent moesten vervoegen.

Wat leren we van dit verhaal?

Dat wraak zoet is en dat men zich in het belang van goed onderwijs en een soepel functionerend gezinsleven af en toe wat wederrechtelijk mag toe-eigenen, vooral als de voormalige eigenaar een vervelende stijfhoofdige Fries is.

 

 

 

Een jaar op de elektrische fiets

Precies een jaar geleden werden onze elektrische fietsen afgeleverd. Ik schreef erover in dit blogbericht.

 

 

Ik heb mijn fiets dus een jaar en legde er in die tijd een afstand mee af van ruim 1800 km.

Ter vergelijking: ik reed de laatste jaren met mijn auto gemiddeld nog geen 5000 km.

 

Voor diegenen die overwegen een elektrische fiets aan te schaffen hier wat tips en wederwaardigheden:

  • De bezorger van mijn fiets had als beroep het besturen van een busje en het afleveren van pakjes. Hij was geen fietsenmaker.
    Hij draaide het stuur recht en bevestigde de trappers. Later bleek dat hij het stuur niet had vastgezet, hij had ook niet het beschermende folie van het frame verwijderd.
  • Als je een fiets via internet koopt heb je niet een adresje waar je even langs kan met een probleem.
    De internetfietswinkel belooft wel een heel pakket van garantie en service, maar in de praktijk gaat alles nogal ingewikkeld: het telefonische contact komt soms moeizaam tot stand, de medewerker die je aan de lijn krijgt is niet altijd even deskundig.
  • Van de belofte “service aan huis” komt niets terecht. Toen ik er eens om vroeg kwam de medewerker aanzetten met een wachttijd van twee weken.
  • Al snel bleek dat er iets met de banden was. Het leek of er een slag in het wiel zat, maar na controle bleek dat de banden niet goed waren en vervangen moesten worden.
  • Na enige tijd deed mijn achterrem niets meer, ik kon het euvel zelf niet verhelpen (en ik had nog wel een speciaal stuk gereedschap hiervoor gekocht). De fietsenmaker moest eraan te pas komen.
  • Ik ben een grote man die in de loop der tijd nogal wat reserve heeft opgebouwd. Mijn spaken hebben het zwaar. Ik kreeg het advies mijn achterwiel op een andere manier te laten spaken. Het gewicht zou op deze manier beter verdeeld worden.
  • Ik heb het advies opgevolgd, maar inmiddels wel weer een gebroken spaak gehad.
    (Ik vroeg de fietsenmaker of ik wellicht niet beter een zwaarder wiel in mijn fiets kon nemen, bijvoorbeeld van een transportfiets. Dit schijnt niet te kunnen. Als je op een ecobike rijdt mag je niet te zwaar zijn…).
  • Op een keer zat mijn stuur los, de rijwielhersteller op Terschelling heeft het voor mij in orde gemaakt.
  • Hoewel ik altijd met een lage ondersteuning rijd gaat de accu toch wel behoorlijk snel leeg. Hij is nooit helemaal leeg geweest, maar na een kilometer of 60 komt het eind wel in zicht.
  • Ik nam de meest complete verzekering die te krijgen was, zelfs met pechhulp door de ANWB. Deze kost mij € 7,79 per maand.

Heb ik spijt van mijn aankoop?

Totaal niet. Fietsen op een elektrische fiets is een feest, je kunt al je aandacht besteden aan reisgezel en omgeving, je hebt volstrekt geen last van hellingen of tegenwind.

Ik kan het iedereen aanraden. Ga wel, als het niet al teveel in prijs scheelt, naar een gewone fietsenmaker. Het is een beetje gênant je fiets bij een internetwinkel te kopen en dan voor service en reparaties aan te moeten kloppen bij een plaatselijke fietshandel. De onze klaagt overigens volstrekt niet en heeft ons steeds prima geholpen.

 

Sparta M81                 9

 

 

Bananagrams

Onze vriendin uit Engeland was op bezoek.
Ze bracht een spelletje mee, dat we (volgens haar) heel erg leuk zouden vinden.

Nu houd ik niet zo erg van spelletjes. Ik word er zenuwachtig van en ik verlies altijd.
Zodra er een tijd-element bij komt kijken klap ik dicht. Ik hoor alleen maar het tikken van de klok. Zelfs als we nog niet eens begonnen zijn heb ik al het idee dat ik op achterstand sta.

Bij Bananagrams, waar het hier om gaat, moet je zo snel mogelijk klaar zijn, dus dan weet je het wel.
Het is de bedoeling dat je met jouw letters woorden maakt op kruiswoordpuzzelmanier. Wie het eerst al zijn letters gebruikt heeft is winnaar.

 

Op zich gaat dit nog wel, er wordt een beroep gedaan op je kennis en je bent niet louter afhankelijk van geluk. Maar nu komt het: je begint met een bescheiden aantal letters, de rest blijft in het midden liggen. Zodra iemand zijn eerste portie letters gebruikt heeft roept hij PEEL en moet iedereen er een letter bij pakken.

In de praktijk betekent dit dus, dat als je net verdiept bent in een mooi woord, je je de pleuris schrikt omdat een of andere fanaat al door z’n letters heen is. Je pakt een nieuwe letter, waar je helemaal niet op zit te wachten en net als je je concentratie weer hebt wordt opnieuw PEEL geroepen.

Je probeert wanhopig letters kwijt te raken, maar je stapeltje groeit gestaag en je schiet geen pest op.

Ondertussen zitten de anderen gezellig hun lettertjes neer te leggen en doen alweer hun mond open om PEEL te roepen. Je wil PEEL je reet zeggen, maar dat mag niet.

Dan is er natuurlijk iemand helemaal klaar, terwijl jij nog een hele stapel hebt liggen. Die speler roept BANANAS, want dat moet van de spelregels.
Je hebt verloren, maar er is nog één hoop: de BANANAS-schreeuwer kan een woord verkeerd gespeld hebben, en is dan af. Om de terminologie van het spelletje te handhaven: hij is een rotten banana.

Op internet zijn filmpjes te zien, waarop drie mensen heel gezellig het spelletje zitten te spelen. Er is geen geluid bij, ik vermoed dat dit geen toeval is.

Welke infantiele misantroop verzint zulke spelletjes?

Gelukkig is er ook nog een rustiger variant, waarmee ik kan leven, de Banana Smoothie. Hier worden alle tegeltjes uitgedeeld en kan je ongestoord je woorden leggen. Je verliest natuurlijk, want de anderen zijn altijd sneller (en jij hebt nog twee Q’s en drie X-en), maar er zit tenminste niet de hele tijd iemand PEEL te gillen.

Gisteren won ik eindelijk een potje van mijn vrouw, mijn gedeukte ego is een klein beetje opgeknapt.
Gelukkig stond ze grootmoedig toe dat ik Ipad en Instagram had neergelegd (een mens moet immers met zijn tijd meegaan), hoewel dit volgens de spelregels niet toegestaan is. Borg is ook op het randje, maar dat had ze niet gezien.

(Eigenlijk dus een rotten banana)

(Mijn vrouw had 13 letters over!)

 

Als Netflix weer eens niets te bieden heeft en als je boek uit is zou je het spelletje kunnen spelen. Muziekje aan en borrelnootjes bij de hand.

 

(Wie verbaasd is over mijn hekel aan spelletjes terwijl ik toch een verwoed bridger ben moet zich realiseren dat bridge een sport is, geen spelletje. En zelfs als je het een spel noemt heb je het toch in ieder geval over de koningin der kaartspelen. En er zit tenminste niemand tussendoor te schreeuwen).

 

Klinkende munt

Ik heb van mijn moeder een metalen busje geërfd waarin allemaal muntjes zitten.
Ze komen uit allerlei landen en zijn in haar bezit gekomen via haar moeder, mijn oma.

Mijn oma was getrouwd met een “Godsdienstonderwijzer”. Hij trok met zijn T-Ford van dorp naar dorp en verving daar de plaatselijke predikant als die niet kon preken. Mijn moeder vergezelde hem vaak.

 

Mijn grootouders woonden in Zeeland, de bevolking was daar doorgaans protestant en trouw kerkganger.
Tijdens de dienst werd gecollecteerd en na afloop telden mijn opa en mijn moeder het geld.

De collectezakken (vaak bevestigd aan lange bamboestokken zodat ook de moeilijk te bereiken gelovigen hun bijdrage konden leveren) werden leeggestort in de consistoriekamer en de muntjes werden gesorteerd. Ik stel me voor dat er weinig biljetten bij hebben gezeten.

Nu gebeurde het heel regelmatig dat de kerkgangers een buitenlands of heel oud muntje in de collectezak hadden gedeponeerd. Soms waren het zelfs penningen die geen betaalmiddel waren.
Mijn opa wist kennelijk niet wat hij met die vreemde muntjes moest doen en stopte ze maar in een busje.

Wat een fantastisch staaltje hypocrisie werd hier tentoongesteld: braaf naar de kerk gaan, aantoonbaar een bijdrage leveren aan de kerk (iedereen hoorde immers het geluid dat jouw muntje maakte toen het in de zak werd gegooid) en dan stiekem de boel belazeren met een waardeloze bijdrage.

Het is heel goed mogelijk dat het hier gaat om gemeenteleden die zo arm waren, dat ze echt geen cent konden missen voor de kerk, maar ik heb zo’n vermoeden dat er ook weleens een steile Zeeuwse boer bij zat die genoeg geld had.

Je vraagt je natuurlijk af hoe deze kerkgangers met zichzelf (en hun God) in het reine kwamen. Ik kan me namelijk niet voorstellen dat deze mensen zich niet realiseerden dat ze uiterst onchristelijk bezig waren.
Wat opvalt is, dat ze er niet voor kozen de collectezak aan zich voorbij te laten gaan, een bijdrage is immers niet verplicht. Kennelijk was dat, zelfs als je volkomen berooid was, absoluut not done.
De angst dat er door je medegelovigen op je neergekeken werd was dus groter dan de vrees voor de Heere.

Heeft het er iets mee te maken dat het hier om Protestanten ging?
Vast staat dat de Katholieken door de eeuwen heen ongelooflijk veel geld gedoneerd hebben aan de kerk, de schitterende kerken die met enorm veel inspanning en offers gebouwd zijn getuigen hiervan.
Zou de kathedraal van Den Bosch er gestaan hebben als de Roomse gelovigen ook zoveel waardeloze muntjes hadden gedoneerd?

 

 

Wat zit er allemaal in het busje?

Heel veel geld uit Europese landen, maar ook wel van veel verder weg. De munten zijn meestal eind 19e, begin 20e eeuw gedateerd.

Het hakenkruis op enkele muntjes: een lesje geschiedenis. De muntjes zijn uit 1937-1939.

Deze zijn allemaal zo versleten, dat niet meer vast te stellen is waar ze vandaan komen of uit welk jaar ze zijn. Het was natuurlijk wel klinkende munt in het kerkzakje.

Van links naar rechts: Zweminrichting Heemstede 1930, een reclamepenning van Brandstofhandel Apeldoorn, een hangertje Virgo Maria (van de concurrent dus), one penny 1902 (Engeland), een Chinese munt met vierkant gat en een munt van de Chambre de Commerce d’Evreux 1921

Het opschrift is bijna niet te lezen, Concoriares Arveoris, er staat een wapenschild op met een draak en een waardeaanduiding (?) van 6s. Op de achterkant een ridder te paard. Voor zover ik kan zien geen jaartal.

Het linkermuntje is een cent uit 1863; Op het andere muntje staat India Batav 1803, met aan de andere kant  het Nederlandse wapen en de waarde 5 1/16.

 

Ten slotte: toen ik de muntjes bekeek realiseerde ik me dat het heel goed mogelijk is, dat er een interessante (en misschien wel heel waardevolle!) bodemvondst bij zit.
Stel je eens voor, dat een gierige Zeeuw destijds geheel onwetend een fortuin heeft geschonken aan de kerk….
Misschien kwam dat hem wel van pas toen hij zich na zijn overlijden in de hemel verantwoorden moest.

Ik doe alle muntjes weer in het busje en fantaseer dat ik een keer bezoek krijg van een expert in de numismatiek die me vertelt dat er enkele unieke muntjes tussen zitten die ik voor heel veel geld zal kunnen verkopen.

De opbrengst gaat uiteraard naar de kerk….

Guldens aan de wand

Ruim een jaar geleden schreef ik over de schoonheid van de laatste guldenbiljetten in vergelijking met de euro-coupures. (Hier.)

Hoewel er vrij veel geld mee gemoeid is kon ik het toch niet laten, ik heb van bijna alle denominaties een biljet gekocht, ze hangen nu aan de muur.

Toen ik ging uitzoeken waar je guldenbiljetten kan kopen stuitte ik op een voor mij onbekende wereld van verzamelaars. Het gaat je duizelen als je op de sites kijkt: er is zoveel te koop.

Je bent er nog niet als je je keus bepaald hebt, want de kwaliteit van het gewenste biljet kan verschillen. Er zijn heel mooie te koop, die nooit in omloop zijn geweest en briefjes die heel duidelijk door meerdere handen zijn gegaan.

De handel heeft een mooie terminologie bedacht:

De kwaliteitsaanduidingen voor bankbiljetten van de hoogste kwaliteit naar de laagste kwaliteit:

  • U.N.C: Een bankbiljet dat nog niet in omloop is geweest, dus absoluut schoon en zonder vouwen.
  • Prachtig: Een bankbiljet, slechts korte tijd in omloop geweest, dus met een enkele lichte vouw- en lichte gebruikssporen.
  • Zeer Fraai: Een bankbiljet, nog steeds onbeschadigd, met enkele vouwen en enkele, door intensiever gebruik, ontstane vlekjes.
  • Fraai: Een bankbiljet met duidelijke gebruikssporen, vouwen, vlekken, kleine scheurtjes in de blanco rand, maar nog steeds compleet.
  • Zeer Goed: Een bankbiljet met scheurtjes die tot in de druk doorlopen. Rafelige randen en ontbrekende stukjes van de blanco rand.

Interessant dat men vindt dat je zelfs in de laatste categorie nog van Zeer Goed kan spreken.
Pas als een bankbiljet door een koe is opgegeten en alle magen heeft gepasseerd krijgt het waarschijnlijk de kwalificatie Redelijk.
(Een boer had eens zijn portemonnee verloren nadat hij vee op de markt had verkocht. Een koe zag de goed gevulde geldbuidel aan voor een lekker hapje. Echt gebeurd).

Ik kocht elke maand een biljet, meestal in de categorie Zeer Fraai of Prachtig en mijn verzameling hangt nu aan de muur. Ik heb alleen het briefje van 1000 nog niet, dat is me toch nog wat te duur.


Het prachtige Spinoza-biljet (1972) kost nu € 595,- en de Kievit uit 1994 zelfs € 850,- (beide kwaliteit UNC-).

 

Gelukkig heb ik het allermooiste guldenbiljet (uit 1985) wel