Zwerven op Youtube

UOGB

Wie speelt er nou ukelele?
Ik herinner me dat ik wel eens Hawaïaanse muziek hoorde, daarin wordt vaak ukelele gespeeld. Brigitte Kaandorp had er ook eentje, maar dat was waarschijnlijk omdat ze expres een beetje een lullige indruk wilde maken.

Want het blijft natuurlijk een raar gezicht, een volwassene met zo’n poppengitaartje.

Ik weet niet waarom ik bleef haken bij een opname van het  Ukelele Orchestra of Great Britain, een gezelschap van acht Engelsen, die zich uitsluitend bedienen van dit instrument. Ze kunnen er van leven!
De aanvoerder ziet eruit als de tweede bediende van het onderdelenmagazijn, maar hij is briljant.

Het zijn natuurlijk heel knappe musici die mooie muziek maken, maar ze presenteren ook een komische act. Ze steken de draak met zichzelf, dat is misschien wel de enige manier waarop je te werk kunt gaan als je zo’n instrument bespeelt.

Het doet een beetje denken aan de Harlem Globetrotters: stuk voor stuk uitmuntende basketballers, maar helaas niet lang genoeg. Ze maakten dus maar een show van hun sport en zetten boomlange “echte” spelers voor gek met hun virtuoze balbeheersing.

Ik heb nooit een echt optreden meegemaakt, dat moet een heel aparte ervaring zijn. Ik zag natuurlijk wel menig filmpje op Youtube, deze vind ik het bijzonderst.
Ik weet uit ervaring hoe moeilijk het is je eigen partij vast te houden in een koor, hoe moet het zijn om je eigen lied te blijven zingen terwijl je collega’s allemaal tegelijkertijd hun eigen nummer ten gehore brengen? En hoe zorg je ervoor dat het ook nog een beetje goed klinkt?

Verder maken ze er natuurlijk het beste van gedurende de lockdown, dit vind ik een heel mooi voorbeeld. Let vooral op de rol van de bas-ukelele (die heb je ook!)

Sarah Cooper

Ook haar kwam ik tegen toen ik Youtube afstruinde.

Razendknappe satire, nu eens niet door een typetje, ook niet door een montage waarbij alle stupiditeiten van Trump op een rijtje worden gezet, maar door het simpelweg mee-mimen van zijn woorden.

Op geen enkele manier kan de complete krankzinnigheid van de Amerikaanse president beter worden aangetoond: echt kijken!
Ze heeft er nog veel meer gemaakt!

And?

En tot slot zomaar een grappig plaatje:

E-bike

In juli 2017 werd mijn eerste e-bike thuis afgeleverd door een meneer die was ingehuurd om fietsen te bezorgen, maar niet veel verstand van fietsen had. Dat heb je ervan als je een fiets online koopt.

De Sparta beviel wel goed, het was een fijne fiets, maar op 16 april vorig jaar werd hij gestolen. Hij stond op slot en ook aan de ketting, maar dat had niet geholpen.

Gelukkig was ik goed verzekerd en nam me voor de nieuwe fiets dit keer gewoon bij de fietsenmaker te kopen.

Ik was niet erg tevreden over de online fietswinkel, vond dat je beter je plaatselijke middenstander kunt ondersteunen en vooral: het is prettig om naar een mens toe te kunnen gaan als je service nodig hebt.

Ik bleek de kleine lettertjes van mijn verzekering niet goed te hebben gelezen, ik kreeg geen geld uitgekeerd maar mocht (moest) bij dezelfde onlinewinkel een nieuwe uitzoeken.

Ik was er niet blij mee, maar kon toch moeilijk afzien van de uitkering. Bij de Fietsenwinkel bestelde ik precies dezelfde fiets die ik eerder had gehad. Die had ik destijds met zorg uitgezocht en was prima bevallen.

Mijn fiets zat niet meer in het assortiment. Ik probeerde dit nog even als argument te gebruiken om alsnog mijn fiets elders te mogen kopen, maar dat lukte niet.

Met onze vakantie op Terschelling in zicht (de fiets is dan onmisbaar) begon de tijd te dringen.

Omdat enkele fietsen die ik aanvankelijk uitkoos een lange levertijd hadden kwam ik uiteindelijk uit bij eentje die weliswaar duurder was dan mijn oude en die ook alleen leverbaar was in damesmodel (je kunt ook zeggen: unisex), maar die direct leverbaar was.

Binnen twee weken na de diefstal kon ik alweer opstappen, dat was dus heel snel.

Ik ben nu de trotse bezitter van een Brinckers e-bike. De naam suggereert een oernederlands product, maar hij komt voor het grootste deel uit China.

Ik hoef niet meer mijn been over het zadel te zwaaien bij het op-en afstappen, maar blijf dat uit gewoonte doen.

 

Hij bevalt gelukkig goed, ik had een paar aanloopproblemen: ik moest zelf de moeren die het achterwiel op zijn plaats houden extra aandraaien (hard remmen had het wiel scheefgetrokken omdat ze aanvankelijk niet goed aangedraaid waren) en ik had al snel een lekke achterband. Deze moest meteen vervangen worden, want hij was van inferieure kwaliteit.

Ik heb mijn nieuwe fiets dus inmiddels ruim een jaar en heb er inmiddels ruim 1700 km mee afgelegd.

Daar komen hopelijk heel wat bij als we weer heerlijk op Terschelling gaan fietsen!

 

Ja meneer

Toen ik directeur werd van een basisschool bleek dat de kinderen de teamleden – en dus ook mij – aanspraken met juf + voornaam of meester + voornaam.
De ervaring leerde dat kinderen hier geen enkele moeite mee hadden.  Voor hen was dit even natuurlijk als het gegeven dat ze hun vinger op moesten steken als ze een vraag wilden stellen.

Ik vond het wel grappig op deze manier de aanspreektitel terug te krijgen die ik al lang kwijt was sinds ik in andere onderwijssoorten terecht was gekomen.

Het deed me ook denken aan de anekdote die mijn zus vertelde over haar vriend Ron, die ook onderwijzer was. Die had zojuist zijn intrek genomen in zijn nieuwe flatwoning toen de buurman zich kwam voorstellen: “Ik ben drs. de Vries”.

Ron had toen heel ad rem de begroeting beantwoord met: “Aangenaam, ik ben meester Bezemer”, waarna de buurman in zijn nopjes terugkeerde naar zijn eigen woning in de overtuiging dat het trappenhuis verrijkt was met nog een academicus.

Het beviel me wel dat de kinderen juf Annelies en meester Martin zeiden, ik vind het goed dat het verschil in rol tussen leerling en leraar op deze manier bevestigd wordt.
We verwachtten van de kinderen ook dat ze de leerkrachten met u aanspraken, wat ik een goede vormende gewoonte vind, bedoeld om kinderen duidelijk te maken dat je door niet iedereen te tutoyeren je respect toont aan volwassenen die over veel meer levenswijsheid beschikken. Dat niet elk groot mens dit respect verdient laat ik maar even in het midden.

Anno 2020 wordt nog maar weinig aandacht besteed aan aanspreekvormen. We zeggen geen excellentie meer tegen ministers en ik geloof dat je zelfs de koning met meneer mag aanspreken.

Ik was als kind onder de indruk als mijn vader zich meldde na het opnemen van de telefoon: “U spreekt met Minnema”. Ik vroeg me af welke leeftijd je bereikt moest hebben om je voornaam weg te laten. De tijd heeft me ingehaald.

Ik gebruik nog altijd mijn voor- en achternaam als ik mij voorstel en moest er een beetje om lachen toen ik Jeroen Krabbé dat hoorde doen als “Mister Krabbé”.

Maar ik blijf eraan hechten om ouderen en onbekenden zelf wel met u aan te spreken. Dat kost mij geen enkele moeite.

Ik was dus verbaasd toen ik dit stukje aantrof in mijn krant.

“Meneer” is voor deze briefschrijver een stigmatiserende en denigrerende term.

Vreemd, ik weet dat je als oudere persoon door allerlei omstandigheden van bijna alle waardigheid beroofd kan zijn, maar kan me voorstellen dat je er prijs op stelt dat dit minimale teken van respect wel gehandhaafd wordt.

Ik hoop dus dat als ik (God verhoede het) in een verzorgingshuis ben beland de verpleegkundige tegen me zegt: “Meneer Minnema, we komen u even naar het toilet helpen” en niet: “Nou Martin, het is tijd om te poepen”.

Zo behoud ik het best mijn identiteit!

Potatoes

Midden in de Atlantische Oceaan, halverwege tussen Afrika en Zuid-Amerika ligt een piepklein eilandje: Tristan da Cunha.
Het werd in 1506 ontdekt door een Portugese admiraal, die het naar zichzelf vernoemde. Overigens zette hij geen voet aan wal, omdat dat te gevaarlijk was.

Er leefden maar weinig mensen, voornamelijk schipbreukelingen.
In 1816 kwam er een Brits garnizoen, dat een oogje in het zeil te houden op napoleon, die verbannen was naar het nabijgelegen St Helena.

Er was in die tijd nog maar één oorspronkelijke bewoner, die Thomas Currie heette.
Currie beweerde dat er een grote schat op het eiland begraven lag, maar wilde niet vertellen waar. De Britten geloofden hem, want hij betaalde met goud.
Om hem aan het praten te krijgen gaven ze hem rijkelijke hoeveelheden drank. Dit maakte zijn tong echter niet losser en na verloop van tijd stierf hij aan alcoholvergiftiging.

In 1946 bemanden enkele wetenschappers een observatiestation en verveelden zich stierlijk op het “Loneliest Inhabited Island in the World”.
Allan Crawford was de leider van het station, hij kwam op het idee om een petitie in te dienen bij de Postmaster General: het eiland moest zijn eigen postzegels krijgen, dat was fijn voor de bewoners, maar ook voor langsvarende schepen en filatelisten.
Omdat hij nogal wat tijd over had ontwierp hij zelf vast een eerste setje.
Hij wist dat het heiligschennis was om de beeltenis van de koning te gebruiken, daarom koos hij voor de Engels vlag.
Probleem was, dat Tristan da Cunha geen eigen geld had. De inwoners konden het uitstekend zonder redden, ze gebruikten aardappels als ruilmiddel.
Crawford bedacht dat 4 aardappels ongeveer het equivalent was van 1 penny, dus hield beide denominaties aan voor de waardebepaling van zijn zegels.

 

De zegeltjes zijn prachtig, maar de Postmaster General was onverbiddelijk.

Tristan da Cunha heeft nog jaren moeten wachten op eigen postzegels, toen die er eindelijk waren stond er alleen maar een waardebepaling in pennies op en natuurlijk dat vermaledijde hoofd van de koningin, dat op geen enkele Engelse postzegel ontbreekt.

Ze zijn allemaal veel en veel lelijker dan de zegels van Crawford.

 

Tot slot nog een toepasselijk citaat:

“He glanced about him to make sure we weren’t overheard, leaned forward, and whispered, ‘He collects stamps.’
The family looked bewildered.
‘You mean he’s a philatelist?’ said Larry at length.
‘No, no, Master Larrys,’ said Spiro. ‘He’s not one of them. He’s a married man and he’s gots two childrens.”

― Gerald Durrell, My Family and Other Animals

 

 

Talent

Mijn vader was pedagoog en was dus niet alleen in zijn rol als vader, maar ook beroepsmatig geïnteresseerd in de vorderingen van zijn kinderen.
Van mijn oudste zus hield hij nauwgezet de taalontwikkeling bij en ook de andere kinderen volgde hij op de voet. Hij bewaarde veel van wat we meekregen van school.
Ik stuitte op een map met tekeningen en werkstukjes die ik op de kleuterschool gemaakt had, sommige dus zestig jaar oud!

Het is een wonderlijke sensatie deze creatieve uitbarstingen na zoveel tijd weer in handen te hebben. Kan het zijn dat ik me van sommige nog herinner dat ik ermee bezig was?


Het voordeel van de kleuterleeftijd is, dat je dan onbekommerd je gang gaat. Bij het stijgen der jaren word je kritischer en blijkt de kloof die gaapt tussen wat je in je hoofd hebt en uiteindelijk op papier krijgt steeds groter te worden.
Er komt een moment dat je het maar opgeeft. Op de middelbare school was ik nog even enthousiast geworden toen ik op de verstrekte lijst  van schoolmaterialen die aangeschaft moesten worden een tekendoos met inhoud ontwaarde; samen met mijn moeder ging ik naar V&D en vulde een mooie houten doos (met vakjes!). Er moest Oost-Indische inkt in, een ganzenveer, kneedgum, houtskool en zelfs een fixeerspuitje. Kwasten en penselen natuurlijk, het doosje met waterverf-rondjes past er niet meer in.
Jammer genoeg konden deze met zorg uitgezochte artikelen er niet voor zorgen dat een tekentalent zich openbaarde. Ik keek jaloers naar mijn klasgenoten, die kans zagen de mooiste tekeningen te produceren.
Ik besloot dat er geen tekenaar of schilder in mij huisde, mijn artistiek talent moest duidelijk in een andere richting worden gezocht. (Gaven de in stevige blokletters opgeschreven letters van mijn naam en leeftijd wellicht een aanwijzing?)

Aangezien bovenstaand werkje gesigneerd is, is er weinig twijfel omtrent de maker.
In de map trof ik ook een verdwaalde tekening aan van mijn oudste zus Atie.
En ik heb zo mijn twijfels over dit schooltafereel:

Ik vermoed dat deze tekening ook in de verkeerde map is terechtgekomen. Waarschijnlijk is deze ook door Atie gemaakt, of anders door mijn andere zus (de onderwerpkeuze suggereert het eerste, de taalfout op het bord het tweede).

Ik lijd er niet onder dat ik absoluut niet tekenen kan, maar ben wel een beetje jaloers op mensen die dit talent wel bezitten.

Elke zondagmiddag neemt mijn vrouw plaats voor de computer en doet mee aan een workshop portrettekenen. De lerares tekent zelf mee, geeft deskundig commentaar en vraagt de deelnemers drie portretten te maken: voor het eerste hebben ze een kwartier, voor de twee andere meer tijd.

Mijn mond valt elke keer open als ze me het eindresultaat laat zien.

Zonder meer te vergelijken met deze twee heren, die ook niet van talent gespeend waren:

Toch?

Crisisberichten

Ik leef erg mee met de mensen die op dit moment volop in onzekerheid zijn over hun toekomst: is er straks nog werk voor mij? Kan ik voorkomen dat mijn zaak failliet gaat?

Ik kan me heel goed voorstellen dat deze mensen letterlijk slapeloze nachten hebben.

Ik prijs mezelf dus heel vaak gelukkig dat ik me wat betreft werk en geld geen zorgen hoef te maken. Pensionado’s blijven voorlopig buiten schot en mijn echtgenote zit in het onderwijs, dus zij loopt geen risico haar werk te verliezen.

Aanvankelijk ging ik er van uit dat er voor mij in het dagelijkse leven amper wat was veranderd: ik houd niet van grote manifestaties waar heel veel mensen bijeen zijn, dus ik mis niets op dat gebied. Hand in hand de kameraden, oranje en rondjes op schaatsen hebben mij nooit kunnen bekoren, dus dat hier niets meer gebeurt: lauw loene.

 

Ik heb mijn boeken, postzegels en we kijken mooie films en series. We kunnen nu ook de tuin weer in, het ziet er naar uit dat onze vakantie ook door kan gaan (alleen nog even uitvissen hoe ik een saucijzenbroodje aan boord van de boot naar Terschelling eet met een mondkapje op) dus deze hele crisis gaat eigenlijk aan ons voorbij.

 

Toch is dat niet helemaal waar. Ik ben echt begaan met het lot van alle mensen die nu wel in de problemen zitten, dat houdt me serieus bezig. De krant en het journaal berichten over bijna niets anders, dus zelfs als je de andere kant op zou willen kijken lukt dat niet.

Ik moet ook niet veel hebben van alle saamhorigheidsinitiatieven en aansporingen binnen het kader van de intelligente lockdown.

  • Zoals ik al eerder schreef: er wordt voortdurend gesproken over “afspraken”, terwijl het natuurlijk gewoon om regels gaat.
  • Pijlen, strepen, hekken, quota en looprichtingen: ik houd me eraan, maar niet van harte. Regels brengen ook altijd met zich mee dat er mensen zijn die het nodig vinden de naleving ervan af te dwingen, al dan niet in officiële hoedanigheid. Hiervan gaan mijn tanden altijd knarsen.
  • Ik weet best dat degenen die nu wel doorwerken het erg druk hebben, maar het is natuurlijk wel gewoon hun werk. Ook dat ze hun werk serieus nemen en goed doen is niet bijzonder: het is veel fijner goed werk af te leveren dan slecht.
    Wat in dit verband heel wrang is: op de beroepen die nu zo bejubeld worden wordt al jarenlang zwaar bezuinigd. Ik denk dat de meeste verpleegkundigen liever een fatsoenlijk salaris hebben dan dat men voor hen met pollepels op pannendeksels slaat.
  • Ik twijfel ook een beetje aan de motieven van veel bewonderaars: zijn het dezelfde mensen die op oudejaarsavond hulpverleners aanvielen? Die iedere keer op het Malieveld en bij AZC’s hun grote bek laten horen?
  • Samen dit en samen dat. Hierbij moet ik steeds denken aan de term participatiemaatschappij. VVD en CDA hebben ons land al tijden geleden zo ingericht en gebruikten deze misleidende term om botte bezuinigingen te verhullen.
  • Rutte doet het goed, dat staat vast, maar we moeten natuurlijk niet vergeten dat onze samenleving erg kwetsbaar is geworden door de ver doorgevoerde marktwerking en het liberale denken, dat de tegenstellingen steeds groter zijn geworden nadat Rutte’s VVD decennialang het beleid vormgegeven heeft.
  • Als je terugdenkt aan alle botte bezuinigingen op met name de culturele sector valt je mond open als blijkt dat er voor de KLM zomaar miljarden uit de kast kunnen worden getrokken.

Dingen waar je pro-Corona niet veel aandacht aan besteedde blijken na twee maanden lockdown toch belangrijker dan je dacht. Zo mis ik het nu wel erg dat ik niet meer kan bridgen en, vooral, niet meer bridgeles kan geven. Ik was me er helemaal niet van bewust, maar de momenten van triomf en teleurstelling (als je goed gespeeld had of juist niet), waren toch wel heel fijne elementen van de week. De lessen waren altijd vrolijke bijeenkomsten, je kon zien dat de deelnemers wat verder kwamen en ze spraken regelmatig hun waardering uit.

Je hoort van nogal wat kanten dat er nu toch echt dingen anders moeten, dat we onze samenleving anders moeten inrichten en dat we veel meer samen moeten werken, nationaal en internationaal.
Optimisten rekenen erop dat dit ook echt gaat gebeuren. Ik houd mijn hart vast.

Het zou al een beetje helpen als Trump geen tweede termijn krijgt en dat de Brexit steeds minder hard wordt.

Ten slotte: wat zal het weer fijn zijn om naar een museum te kunnen gaan, of weer een bezoek te kunnen brengen aan onze zoon in Berlijn.
En natuurlijk: onbekommerd op bezoek gaan bij familie en vrienden!

Het komt vast allemaal goed. We houden vol!

Arme tandarts

De tandarts stond naast zijn stoel en keek naar buiten. Hij dacht terug aan de tijd dat er meerdere keren per dag een persoon in zijn stoel plaatsnam, die hij dan vervolgens langzaam onderuit liet zakken om hem vervolgens aan pijnlijke behandelingen te onderwerpen.

Hij streek met zijn hand over de plek waar zich gewoonlijk de bibberende billen van zijn slachtoffer bevonden. Nu kwam er bijna niemand meer, maar zijn assistente had voor die ochtend een afspraak gepland met een quarantainetrotseerder.

In zijn hoofd maakte hij plannen over de manier waarop hij dit hoogtepunt van de dag zou kunnen rekken. Aan welke nutteloze serie behandelingen kon hij zijn slachtoffer blootstellen?

Vijf minuten vóór de afgesproken tijd ging de bel. De tandarts drukte op het knopje dat de deur de deur naar de wachtkamer opende en wreef zich in zijn gehandschoende handen.

Hij bond zijn mondkapje voor, in zijn nopjes dat zijn sadistische glimlach effectief aan het oog was onttrokken. “Komt u verder”.

 

 

Ik had al een tijdje een pijnlijk gevoel in mijn kies als ik op iets hards beet. Tegen beter weten hoopte ik dat het vanzelf weg zou gaan. Toen ik op een avond voor het slapen gaan ook zonder kauwen pijn voelde wist ik dat maatregelen geboden waren. Ik maakte de volgende dag een afspraak met de tandarts.

 

Ik was natuurlijk vijf minuten te vroeg en mocht meteen door naar de behandelkamer. De tandarts wachtte mij op, hij had zijn mondkapje al omgedaan.

Geen hand deze keer, maar ik vond dat in dit geval niet echt erg. Toen we nog wel schudden gaf hij nooit een stevige handdruk. Het was altijd net of hij een dode vis in mijn hand legde.

 

De verdovende prikken werden vaardig en pijnloos gegeven. Ik dacht terug aan vijfentwintig jaar geleden, toen een chirurg in het VU-ziekenhuis mij van twee verstandskiezen beroofde. De man was klein van stuk, ik was er destijds van overtuigd dat hij zijn geringe lichaamslengte afreageerde op grote mannen die de pech hadden in zijn behandelstoel te zijn aangeland.

De kleine ivoorjager had mij gevraagd of ik het goed vond dat een aantal studenten mee zou kijken. Aangezien ik me in een academisch ziekenhuis bevond kon ik daar nauwelijks bezwaar tegen maken.

Hij vertelde zijn studenten dat het verstandig was de patiënt niet de injectiespuit te laten zien. Je moest daartoe de spuit in een vloeiende beweging van achter het hoofd der patiënt naar diens opengesperde mond brengen, zodat hij pas zou kunnen reageren als het al te laat was. De aanblik van een scherpe naald zou de patiënt er wel eens toe kunnen brengen zijn mond hermetisch te sluiten. Zonder gebruikmaking van geweld zou die dan niet meer opengaan, en dan waren de rapen gaar.

Ging deze witgejaste dwerg er nu van uit dat alleen de tandartsen-in-opleiding hem konden horen?

Ik was uitermate alert, wat heel verstandig is als men op het punt staat je ernstig lichamelijk letsel toe te brengen. Zijn uitleg had mij nog banger gemaakt dan ik al was! Maar er was besloten dat twee van mijn verstandkiezen het veld moesten ruimen en daar zou ik niet aan kunnen ontkomen. Dus ik sloot mijn ogen en gaf me over. Wat niet zo makkelijk is als je je realiseert dat er 6 paar studentenogen op je opengesperde mond gericht zijn.

 

Ik ben destijds behoorlijk ziek geweest van de dubbele extractie (zo heet dat in tandartsentaal), nu viel het mee. Er bleek echter wel een ontsteking aanwezig, die met antibiotica behandeld moest worden.

Ik moest in totaal twintig pillen slikken en dat heb ik geweten! Mijn lijf is qua antibiotica niets gewend, dus reageerde bijzonder heftig op de complete kaalslag die nu plaatsvond. Het medicijn doodde namelijk niet alleen de kwade bacteriën in mijn kaak, maar ook alle andere in mijn lijf, waarvan ik een aantal tot bevriende hulptroepen reken. Zo heb ik kleine vriendjes in mijn darmen, die er met z’n allen voor zorgen dat ik me niet vijf keer per dag naar de wc hoef te spoeden en andere achter in mijn mond (in mijn tonsillen), die de zaakjes rondom de toegang tot mijn maag regelen. Allemaal ausradiert door die Nazipillen!

Met een onaangenaam raspend gevoel in mijn keel en de wc binnen handbereik vraag ik me zorgelijk af welke andere lichaamsfuncties door de nietsontzienende zogenaamde betermakers zijn aangetast.

Nog drie pillen te gaan. Ik hoop dat er nog een klein beetje over is van mijn vertrouwde fauna en dat het die overlevenden dan lukt weer een bloeiende levensgemeenschap op te bouwen.

 

Ik heb voorlopig weer even mijn buik vol van tandartsen en pillen.

 

 

Jugendstil, art nouveau en art deco

Ik vervulde mijn militaire dienstplicht voor een groot deel in Seedorf, Duitsland. Boven mijn bed hing een poster die ik destijds mooi vond. Er stond een topless meisje op, met een bloemenkrans in haar haar, temidden van sierlijke ranken. Het moet een reproductie van een schilderij van Mucha zijn geweest¹, ik vermoed dat ik het destijds mooi vond niet omdat hij het geschilderd had, maar om twee andere redenen.
Ik houd het er maar op dat mijn poster een smaakvol statement was in een masculiene omgeving waarin vrouwen vaker op een andere, minder subtiele wijze waren afgebeeld. Denk aan het genre nonnen met ezels.
Toen de ouders een weekendje op bezoek zouden komen, en de nacht op onze slaapzaal zouden doorbrengen werden de kasten wat anders gepositioneerd zodat de ergste porno aan het oog onttrokken was.
Mijn mooie poster mocht zichtbaar blijven.

Was ik toen al liefhebber van Art Nouveau of Jugendstil? Waarschijnlijk wel.

Het is niet toevallig dat ik postzegels in deze stijl erg mooi vind, ik heb er inmiddels al aardig wat.
Ik zocht op internet wat informatie op: de stijl ontstond rond 1890 en wordt gekenmerkt door lange vloeiende lijnen, oogt haast sensueel, vrouwelijk, en bevat vaak ornamenten uit de natuur (bladeren, bloemen, ranken). Hij was niet zo heel lang populair,  en werd opgevolgd door Art Deco (geometrische motieven, ronde lijnvormen, scherp afgegrensde contouren, vaak uitgesproken kleuren; fascinatie met machines en moderniteiten). Als reactie hierop kwam de  Arts and Crafts op.

Art Nouveau en Art Deco (genoemd naar de Franse tentoonstelling Exposition Internationale des Arts Décoratifs et Industriels modernes in 1925) hadden grote invloed op het ontwerp van meubilair, boeken en posters en industrieel design.

Rond 1900 werden in veel landen postzegels uitgebracht die een of meer kenmerken vertoonden van Art Nouveau of Art Deco. Vaak zijn Gotische of Japanse motieven zichtbaar en in Scandinavië en Zwitserland greep men terug op de Middeleeuwen.
Groot Brittannië en de Verenigde Staten hebben bijna geen zegels in dit genre.

Ik heb een selectie gemaakt van de mooiste.

 

 

Nederland had ook prachtige ontwerpen:

 

Wie durft nog te beweren dat postzegels saai zijn?

 

¹Ik kan me de voorstelling nog goed voor de geest halen, maar voortschrijdend inzicht vertelt me dat ik waarschijnlijk toch geen poster had met werk van Mucha.
Onderzoek op internet leert namelijk dat al zijn dames kuis gekleed waren…
Het zou best kunnen dat de kunstenaar die mijn poster maakte door hem geïnspireerd was.

Mierzoet, maar o wat lekker…..

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Humor

Er worden nieuwe regels geïmplementeerd (“afspraken” zoals, ze ook wel genoemd worden). In deze crisis grijpen regelneefjes hun kans.
In het winkelcentrum is een ingewikkeld systeem van hekken en pijlen op de grond opgezet om ervoor te zorgen dat de mensenstromen zich niet tegen elkaar in bewegen.

Een meneer heeft het niet helemaal begrepen en wordt staande gehouden door een beveiliger. Je zou denken dat deze handhaver het tot zijn taak zou rekenen verwarde klanten even  te laten zien wat de bedoeling is, maar deze gemankeerde BOA vindt het nodig de man een lesje te leren. Hij moet terug om de route daarna goed af te leggen.

“Ben je nou helemaal belazerd”, riposteerde de klant. “Van mij kan je een coronaklap voor je harses krijgen!”

Zo had het moeten gaan, maar ja, niet iedereen is zo goed in het bedenken van snedig geformuleerde tegenwerpingen als ik. Achteraf.

De arme man keerde zich gedwee om en verliet het winkelcentrum, dat dan weer wel.

Ik heb al een paar grappen gehoord over de crisis, ik vind het een goed teken als mensen in staat blijken de humor overeind te houden.

In Argus, het vermakelijke blaadje dat wordt volgeschreven door oud-journalisten die er geen genoeg van kunnen krijgen, vond ik een mooie bloemlezing.

Ik heb er een paar verzameld:

 

Op sociale media komt ook heel veel langs,  we zitten niet op facebook, maar dit filmpje wil ik toch graag delen:

 

 

Het valt niet mee om dik te zijn.

Er zijn meerdere redenen waarom ik niet graag op de Intensive Care terecht zou komen, misschien is wel de belangrijkste dat ik mij ervan bewust ben dat het tot de taak van de verpleegkundigen behoort om regelmatig patiënten te keren.
Ik zal er zelf niet veel van merken, want ik heb begrepen dat ze daar allemaal in kunstmatige slaap op hun buik liggen, maar de verpleging heeft het al moeilijk genoeg.

Een gezet persoon moet accepteren dat hij in het intermenselijk contact te maken heeft met nogal wat open deuren en goedbedoeld advies.

Het gaat natuurlijk bijna altijd over eten. Mensen vertellen mij wat ik wel en niet moet eten en vervallen vaak in een uitgebreide monoloog over hun eigen eetgewoonten.

Mijn statuur suggereert frequent bezoek aan een MacDonald’s en dat moet natuurlijk bekritiseerd dan wel afgeraden worden.

Er is een gouden regel die voor mij in al dit soort gesprekken bewezen wordt: wat lekker is, is ongezond en omgekeerd.

Met het heilig licht in de ogen vertellen zij wier BMI picobello is me welk gruwelijk lijden obesitas kan veroorzaken.

Ze realiseren zich niet dat ik daar zelf natuurlijk ook wel eens een enkele gedachte aan gespendeerd heb. Dat gaat helemaal vanzelf als je voortdurend het equivalent van een forse kleuter mee moet torsen. Als je een kleuter op je schouders hebt zegt die nog weleens iets leuks, maar de dag moet nog aanbreken dat mijn buik grappig uit de hoek komt.

Als ik vertel dat er erg veel prettige activiteiten zijn die de mens in zittende toestand kan uitvoeren wordt meewarig met het hoofd geschud.

Weer komt er een verhaal van wat men zelf allemaal pleegt te doen op het gebied van lichaamsbeweging. Enthousiast wordt het aantal uren genoemd dat in sportscholen wordt doorgebracht. Niemand vertelt de waarheid: dat het uitermate stompzinnig, geestdodend en vooral sáái is om voortdurend zwetend dezelfde handeling te herhalen.

Simpele, repetitieve handelingen zijn wellicht aanlokkelijk voor onze medemensen die een plaatsje bekleden hoog binnen het autistisch spectrum, normale mensen hebben het na vijf minuten wel gezien.

Fietsen en wandelen zijn erg handige middelen om ergens te komen waar men moet zijn. Als men nergens hoeft te wezen en na verloop van tijd gewoon weer thuiskomt is er dus sprake van een tamelijk nutteloze exercitie.

Er zal nooit eens iemand zijn die zegt: oké, je bent wat te zwaar, so what?

Als er geen preek komt kunnen je gesprekspartners het ook over een andere boeg gooien:

  • We zijn allemaal slachtoffer van de eetcultuur! Overal is voedsel te krijgen, het meest slechte eten is goedkoop en voor gezond eten moet je veel geld betalen.
  • We zijn eigenlijk nog jagers-verzamelaars: het was destijds heel verstandig je vol te stoppen als de gelegenheid zich voordeed. Je wist maar nooit hoe lang de volgende maaltijd op zich zou laten wachten.
  • Het is allemaal zo cultuur-bepaald! In onderontwikkelde landen is het juist een teken van welvaart en voorspoed als je veel vet hebt. Een mager stamhoofd kan niet rekenen op respect van zijn onderdanen.

De ergsten zijn natuurlijk zij die verkondigen dat ze kunnen eten wat ze willen, ze komen toch niet aan! Ze zeggen dat op verontschuldigende toon met een uitgestreken gezicht, je zou ze een schop voor hun zelfgenoegzame kont willen geven.

Maar een dik persoon mag dat niet. Hij moet geïnteresseerd en dankbaar luisteren naar alle verhalen en adviezen en mag alleen maar knikken.

Gelukkig zijn er heel knappe wetenschappers die onomstotelijk hebben bewezen dat lichaamsomvang vooral genetisch bepaald is. Je bent niet dik omdat je teveel eet, maar omdat je vader het ook was!

Zo mag ik het horen.