Burgerschap en hitsige dokters

Het is weer zover: iemand is met een lumineus idee gekomen het basisonderwijs opdracht te geven “aandacht te besteden aan” een maatschappelijke kwestie.

Meestal gaat het om obesitas, venerische ziekten, homoseksualiteit of milieubeheer. De minister gelast de scholen een onderwerp in het curriculum op te nemen, het onderwerp wordt opgenomen in het overzicht van landelijke schooldoelen of de scholen krijgen een gratis lespakket.

Scholen moeten proberen hier tijd voor in te ruimen, terwijl van de leraren ook verwacht wordt dat de prestaties op het gebied van taal en rekenen flink opgevijzeld worden. Er wordt dus maar weer wat tijd afgeknabbeld van de creatieve vakken of gymnastiek.

Dit keer is er de vraag of er op school gepraat kan worden over burgerschapskwesties: wat betekent het om in een democratie te wonen en wat houdt het begrip onafhankelijke rechtsstaat in.

Voor het eerst ben ik het eens met een suggestie. Ik vind het inderdaad belangrijk om al vroeg met de kinderen in gesprek te gaan en hen te vertellen over andere landen, waar het vaak niet zo fijn toeven is als in Nederland.
Onze democratische rechtsstaat is broos en staat onder grote druk, met name via de sociale media. Mensen met foute ideeën en grote monden dragen simplistische oplossingen aan voor complexe problemen en het vertrouwen in volksvertegenwoordiging en rechters wordt ondermijnd.
Het is erg belangrijk dat kinderen leren hoe belangrijk het is de democratie in ere te houden.

Voor de goede orde: we hebben het hier niet over vlagvertoon of over het aanleren van dat malle Wilhelmus.

Je zou kunnen wachten tot deze onderwerpen op de middelbare school aan de orde komen, maar sinds het vak staatsinrichting is opgeheven en er van geschiedenis, aardrijkskunde en maatschappijleer een slap soepje gemaakt is heb ik hier niet veel fiducie in.

 

#MeToo in witte jas

Drieduizend werknemers (vooral vrouwen) in de gezondheidszorg hebben een enquête met betrekking tot ongewenste intimiteiten ingevuld. Men is geschrokken van de resultaten. Vooral coassistenten en andere jonge artsen die nog een lage plaats innemen in de hiërarchie van het ziekenhuis zijn regelmatig slachtoffer.

In het nieuws werden drie voorbeelden genoemd: een oudere arts komt de personeelskamer binnen en merkt op dat het er naar sperma ruikt.
Een ander “pijpt” de deurkruk en vraagt een jonge collega of zij dit ook bij haar vriendje doet.
Ten slotte is er een dokter die een collega klemzet tegen de muur en haar probeert te zoenen.

Het lijkt me van groot belang ervoor te zorgen dat er verschillend gewicht wordt toegekend aan dit soort klachten.

In het eerste geval lijkt het mij voldoende als een (senior)arts zijn collega terecht wijst (“Dokter Boer doet zijn naam weer eens eer aan”). Het lijkt me dat aankomend artsen wel aan erger dingen zullen worden blootgesteld. Misschien moet deze jolige heelmeester eens aan zijn gevoel voor humor geopereerd worden.

In het tweede geval moet inderdaad de vertrouwenspersoon worden ingeseind, niet omdat een jonge collega in haar waardigheid is aangetast, maar vanwege de omstandigheid dat er een gestoord persoon in het ziekenhuis rondloopt. Stel je voor dat je zo’n man aan je bed krijgt. Dan nog liever een cliniclown.

In het derde geval is disciplinaire actie op zijn plaats. Niemand heeft het recht je lichamelijke integriteit te schenden en hier is duidelijk sprake van machtsmisbruik.

Het lijkt me in het belang van slachtoffers dat we niet alle klachten op een hoop gooien en ook een beroep doen op de weerbaarheid van jonge artsen en op het verantwoordelijkheidsgevoel van hun oudere collega’s. Als die niet wegkijken en laten merken dat bepaald gedrag ongewenst is zijn we al een heel stuk verder.

Mens erger je

Nederlanders hebben een hiërarchie van ergernissen opgesteld, het CBS heeft het uitgezocht.

Er is iets helemaal niet goed gegaan bij het onderzoek, want de belangrijkste ergernissen staan er niet bij:

Kindernamen

Ik ken een vader en moeder die hun dochter Muriel hebben genoemd. Er is een zekere discrepantie tussen deze Engelse naam en de oernederlandse achternaam, maar dit is overkomelijk. Wat echt niet kan, is dat ze de naam van het kind uitspreken alsof die rijmt op subtiel.

Andere ouders denken origineel te zijn als ze hun kind namen geven als Sharena, Harmony, Chastitty of Mellody (let op de spelling). Als het maar op een klinker eindigt.

En het ergst zijn natuurlijk de bakfietstypes die hun nageslacht Spijker, Storm of Bruis noemen.

Hoe lang zal het duren vóór Juëquinaisheley haar eigen naam zal kunnen spellen?

Dikke brommers

Je zou zeggen dat er niets vervelender is dan ingehaald worden door een jankende buikschuiver (vroeger waren dat Kreidlers en Zündapps, waarvan ik er ook heel graag een had willen berijden, maar mijn ouders verboden dat). Onderschat de scooterachtige lompe pruttelploffers anno 2018 echter niet. Ze gaan nauwelijks harder dan een fiets, de berijder maakt een uiterst inactieve indruk en ze laten nog een benzinewalm achter ook.

Tattoos

Nog steeds overkomt het me dat ik medelijden heb met een persoon die zich ernstig bezeerd lijkt te hebben: hun arm of been is helemaal blauw.

Bij nadere beschouwing blijkt dat er geen sprake is van een blessure, maar dat zij een tattoo hebben laten zetten.
De meeste tattoos zijn al lelijk, maar het wordt nog erger als er een verhaal bij hoort: de datum van de dag dat mijn moeder mijn vader verliet. Of: in de inkt waarmee dit prachtige portret onuitwisbaar op mijn borst is geprikt is de as verwerkt van mijn lievelingshond.

Waar komt toch de drang vandaan om in het Engels te communiceren?
Het wordt natuurlijk pas echt erg als tatoeëerder noch getatoeëerde kan spellen.

Het gebeurt niet vaak dat stupiditeit zo to the point geïllustreerd wordt.

Amerikaanse kretologie

Ik krimp regelmatig in elkaar als jongeren het weer eens nodig vinden een gebeurtenis die nauwelijks gewicht heeft menen te moeten begeleiden met geëxalteerde uitroepen die ze van internet hebben overgenomen: O My God (waarbij de o van God bijna als een a wordt uitgesproken) en What the Fuck.

Mobiele telefoon

Ga in de trein zitten en kijk om je heen. Hoogstwaarschijnlijk ben je de enige die niet naar het schermpje van zijn/haar telefoon tuurt.
Niet lang geleden aten we in een restaurant, het tafeltje naast ons werd in beslag genomen door een jongen en een meisje die ieder voor zich de ganse tijd met hun telefoon bezig waren. Gezellig!

Heeft het CBS wel de goede vragen gesteld?

 

 

 

Zwemmen

Als ik mijn eerste baantje zwem draait de badjuf de luxaflex omhoog, die een uurtje geleden neergelaten was.
Ik zwem in het uur dat bestemd is voor bejaarden en dikke mensen, vóór ons was het vrouwenzwemuur. Waarschijnlijk hebben Islamitische deelneemsters gevraagd hun activiteiten aan het oog van mannen te onttrekken.

Mijn zwemmaatje, die aanhanger van Wilders is, windt zich hier heel erg over op. Hij vindt het volslagen onzin dat deze maatregel speciaal voor gelovige vrouwen genomen wordt.

Ik breng hier tegenin dat de badjuffrouw er niet veel last van lijkt te hebben dat ze deze activiteit moet ontplooien en dat het mij een kleine prijs lijkt om vrouwen aan het zwemmen te krijgen. Ik weet uit ervaring dat veel migranten nauwelijks de deur uitkomen en zelden aan gezonde lichaamsbeweging doen, terwijl ze wel een verhoogde kans op met name diabetes hebben.

Zoals gewoonlijk is hij het niet met mij eens en zegt dat hij overweegt een officiële klacht in te dienen. Als ik vraag wat hij nu eigenlijk precies voor last ondervindt volgt een tirade over Moslims die onze samenleving bedreigen en geen enkel recht hebben op een speciale behandeling.

Ik laat hem maar even lekker doorsudderen in zijn zelfgekozen slachtofferschap en observeer inmiddels de andere zwemmers.

Met enig aplomb heeft een magere oude dame zich in het water laten zakken, je kunt goed zien dat ze hier in haar element is. Ze heeft een knotje onder haar badmuts en draagt een zwembrilletje. Ik heb groot ontzag voor mensen met een zwembrilletje, omdat die kennelijk zoveel uren in het water liggen, dat hun ogen aangetast dreigen te raken door het chloor. Dit risico is bij mij niet aanwezig, aangezien ik elke week maar een uur te water ga. Het kan ook zijn dat de brildragers er behoefte hebben onder water te kunnen kijken, maar ik kan me dit niet goed voorstellen. De aanblik van wanden en bodem van een Almeers zwembad lijkt mij niet bijzonder aantrekkelijk.

De oude dame beoefent verschillende zwemstijlen en benut hiervoor de diagonaal van het zwembad. Dit mag niet, wij worden verondersteld met de klok mee “in carré” baantjes te trekken. Er is een bordje neergezet met instructies hieromtrent. Ik heb nog niet de moeite genomen de leiding erop opmerkzaam te maken dat het bassin rechthoekig is en we in feite dus geen carré zwemmen, maar ben zo blij dat door deze adequate regelgeving chaos voorkomen wordt dat ik hier niet moeilijk over zal gaan doen. Ik kan natuurlijk wel een schriftelijke klacht indienen.

De bejaarde zwemster gaat zo op in het showen van haar kunnen dat de badjuffrouw haar niet terecht durft te wijzen. Als de schoolslag (borst en rug) aan de beurt is geweest volgt de rugcrawl: met een statige traagheid beschrijft om de beurt de linker- en rechterarm een boog door de lucht, waarna de hand met de vingers stijf gestrekt onder water verdwijnt.

We kunnen alleen maar raden welke arbeid er ondertussen onder water door de tanige magere benen verricht wordt.

Vóór zij na gedane arbeid uit het water oprijst, heeft zij ons als toegift laten zien dat zij zelfs de primitiefste vorm van voortbeweging in het water beheerst. Zij is op zijn hondjes langzaam naar de ladder gepeddeld.

Een mollige oude heer (ook met brilletje!) verplaatst zich op wonderlijke wijze door het water. Hij dompelt elke keer zijn gehele lichaam onder en komt na enkele tellen omhoog om adem te halen. Hij doet denken aan een duikboot die oefent in het stijgen en dalen. Aangezien hij steeds een stukje verder opduikt moeten we er van uitgaan dat hij zich onder water voort stuwt. Als hij aan de oppervlakte komt produceert hij iedere keer een snuivend geluid, dat associaties met een walvis oproept.

Men heeft aan de kassa niet moeilijk gedaan toen vijf mannen zich aanmeldden die duidelijk niet tot de doelgroep behoren: zij zijn veel te jong. Ze zijn een jaar of twintig en zwaar getatoeëerd. Ze houden hun buik in tijdens het douchen en zorgen ervoor dat we de afbeeldingen goed kunnen zien. Er zijn naast doodshoofden en Indianen ook Maori-motieven te zien, waardoor we even in twijfel worden gebracht: hebben we hier met een Aboriginal te maken?
Ze praten onder het zwemmen over auto’s en voetbal en houden af en toe even stil om met elkaar te bespreken wat er op kantoor is voorgevallen.

Laatst wilden zij ook machospelletjes doen en stonden op het punt het kleinste lid van de groep in het water te jonassen. Ze werden door de badmeester tot de orde geroepen.
Hun onverantwoorde gedrag bracht enorme risico’s met zich mee voor de andere zwemmers. Voor je er erg in hebt heeft zo’n oude of dikke man een hartaanval en dat zou dan hun schuld zijn!

Bij een van de andere zwemmers lijkt ziekenhuisopname inderdaad niet ver weg. Als hij zich heel voorzichtig in het water heeft laten zakken zwemt hij uiterst traag zijn baantjes. Hij draait eigenlijk rondjes midden in het zwembad: hij snijdt hoeken af en zwemt nooit tot aan het einde. We zeggen het natuurlijk niet hardop, maar vragen ons allemaal af wie hij nu eigenlijk voor de gek houdt!
Hij heeft een gepijnigde blik in de ogen en zijn mond hangt altijd een beetje open. Ik ben bevreesd dat er water bij hem naar binnen zal lopen, omdat hij zo langzaam zwemt en diep in het water ligt.
We hopen maar dat hij niet op een dag van de bodem moet worden gevist.

En dan is er nog de kunstzwemster. Zij zoekt het diepste deel van het zwembad op en oefent daar haar kunstjes. We zien regelmatig een stel onderbenen boven het water uitsteken, de voeten gedisciplineerd gestrekt en keurig naast elkaar. We stellen ons voor hoe mooi het zal zijn als je op die manier twintig benen van tien zwemsters perfect synchroon uit het water zou kunnen zien oprijzen en weer zien wegzakken. Maar zij is maar alleen.
Ze heeft zo’n knijper op haar neus die ervoor moet zorgen dat er geen water in komt. Ze heeft geleerd haar hoofd strak in de nek te leggen en constant een grote glimlach op haar gezicht te houden, maar die knijper doet er wel wat aan af.

We zijn inmiddels aan ons tiende baantje begonnen. Er loopt wat water uit mijn oor, zodat ik kan horen dat mijn zwemmaatje inmiddels uitgeraasd is.
Ik besluit dat ik vandaag geen poging ga ondernemen hem op andere gedachten te brengen en luister naar het bridgeprobleem dat hij me voorschotelt: “Je hebt in je hand een vierkaart schoppen van de heer, vijf kleine hartjes, het stuk van klaveren en twee pukkies ruiten. Naast je wordt een sans geopend……”

Americana II

Er was een tijd dat je ervoor moest zorgen op tijd thuis te zijn als je geen aflevering van je favoriete serie op tv wilde missen.
Toen kwam de mogelijkheid programma’s op te nemen, je kon naar de videotheek, of je kocht DVD’s.

Dit is inmiddels helemaal achterhaald, iedereen kijkt naar een betaalzender.
Wij kozen voor Videoland (omdat we The Handmaid’s Tale wilden zien) en Netflix.

Kijken naar deze Amerikaanse aanbieder is een gemengd genoegen.
Prettig is, dat er een aantal leuke en interessante films/documentaires/series te zien is.

Als je een serie aan het kijken bent krijg je als je Netflix opnieuw opstart meteen het aanbod de draad weer op te pakken, vaak is er ook de optie de introductie over te slaan (dat is na verloop van tijd wel handig, dan ken je de intro inmiddels wel).

Wat ik niet fijn vind, is dat mij op grond van een ondoorgrondelijk algoritme voortdurend een groot aantal aanbevelingen wordt gedaan. Netflix vertelt me dat een serie voor 93% overeenkomt met mijn voorkeur. Nergens is te vinden hoe ze aan dat percentage komen en vaak klopt er geen bal van.

Ik ben gewend goed uit te zoeken welke series de moeite van het kijken waard zijn. Ik lees recensies en beoordelingen en noteer titels.
Daarmee benader ik de zoekmachine en word meestal teleurgesteld: staat niet op Netflix. Wel worden mij trouwhartig heel andere films aangereikt waarvan de naam enigszins lijkt op wat ik zocht.

Dat benadert voor mij het toppunt van stupiditeit: je zoekt film A, maar neemt ook genoegen met een film waarvan de titel enkele letters gemeenschappelijk heeft met de door jou gezochte film.

Zouden ze in het geboorteland van Netflix werkelijk zo stom zijn?

We proberen natuurlijk veel aangeboden series, maar haken meestal al na vijf minuten af. Wat hebben ze in Amerika toch een ontstellende berg puin dat door moet gaan voor amusement.

Er staan ook veel documentaires op Netflix, maar op de een of andere manier hebben we daarmee nog niet veel geluk gehad: we probeerden er een paar, maar vonden dat in de meeste heel erg veel gepraat wordt en dat het tempo nogal laag ligt.

Films: er staan nooit nieuwe op, ik voel me niet aangetrokken tot het aanbod.

We gebruiken Netflix nu een paar maanden en zijn tot de overtuiging gekomen dat deze dienst zich voornamelijk richt op kijkers die het eigenlijk niet zo erg veel kan schelen waar ze naar kijken (als het maar beweegt). Dit wordt gedemonstreerd door het feit dat men nooit stopt: als je klaar bent met de ene aflevering wordt de volgende al opgestart en als de serie afgelopen is begint ongevraagd een nieuwe….

Netflix is dus maar zeer ten dele geschikt voor kijkers als wij. We zullen ons best moeten doen er de pareltjes uit te zoeken.

Die zijn er gelukkig wel. Ik kan aanraden uit de top-50:

The Crown
House Of Cards
Fargo
Luther
Broadchurch
Homeland

Gelukkig is er ook nog die andere Amerikaanse club: Amazon. Ik wilde heel graag The Florida Project zien en bestelde de DVD.

Wat een schrijnend prachtige film, die een haarscherp beeld geeft van de Amerikaanse samenleving. Maar je wordt er niet blij van…

 

 

Wordt vervolgd.

Postzegels 2

Ik schreef ongeveer een jaar geleden over mooie postzegels die ik had gekocht. Het ging om een setje ontworpen door Jan van Krimpen dat na de tweede wereldoorlog in gebruik kwam.

Zelf nog meegemaakt

Ik was er van overtuigd dat ik als kind deze postzegels regelmatig op post had aangetroffen. Zo stond me bij dat ik eens een met een van Krimpenpostzegel gefrankeerde verjaardagkaart van mijn grootmoeder had ontvangen, die ze geadresseerd had aan “Den Jongenheer Martin”. Ik vond dat wel chique en was ervan overtuigd dat mijn oma beter klassenbewustzijn had dan, bijvoorbeeld, mijn klasgenootjes.

Ik kwam die kaart toevallig weer tegen. Als ik het poststempel probeer te ontcijferen kom ik op het jaartal 1969. Hij moet gestuurd zijn ter ere van mijn 14e verjaardag.
Maar er zit helemaal geen bijzondere postzegel op en ook de tenaamstelling is heel gewoontjes.
Ik moet me maar troosten met de prachtige afbeelding die mijn beppe koos:

Blijkbaar kan je door je eigen geheugen in de maling worden genomen.

Snailmail

Wie stuurt in de 20e eeuw overigens nog een brief of een kaartje?
Mijn zoon had enige jaren terug het plan opgevat iemand met een echte brief te verblijden. Toen ik de enveloppe zag ontdekte ik dat hij de naam en het adres van de ontvanger keurig in de rechterbovenhoek van de enveloppe geschreven, op de plaats waar de postzegel zou moeten worden geplakt.

Nog niet alles is verloren

Ik citeer hierbij een prachtige passage uit een van de columns van Guus Luijters in het Parool:

Bij zo’n oranje brievenbus kregen een stuk of acht peuters in parmantige jasjes brievenbusles van hun juf. De juf was niet ouder dan zesentwintig schatte ik. Het mocht dus haast een wonder heten dat zij nog wist wat een brief was en dat je hem om hem ergens heen te sturen in een brievenbus moest doen.
Zou ze weten dat er een postzegel op moet, bedacht ik, zorgelijk als ik nu eenmaal ben. En waar je zo’n postzegel kopen kan? En kregen de kinderen wel een cijfer?
Nadat de laatste peuter opgetild was om in de gleuf van de brievenbus te kijken vervolgde het groepje huppelend en kwetterend zijn weg.

Lijm is lekker

Het gaat trouwens niet goed met mijn mooie oude postzegels. Een papiervisje heeft zich vergrepen aan de postzegel van 1 cent. Je kunt zien dat het een bescheiden beestje is want hij beperkt zich tot de laagste denominatie, maar fraai is het niet.
Ik heb maar een nieuw setje gekocht, hopelijk laat hij dit met rust.

 

Een stortvloed van informatie

Je hoort van alle kanten berichten over nepnieuws en gemanipuleerde informatie.

Er is inderdaad sprake van een zorgelijke situatie, hoewel je niet moet denken dat het iets van deze tijd is: de geschiedenis is er vol van.
Het is natuurlijk wel zo dat de onjuiste of onvolledige informatie tegenwoordig heel erg sophisticated wordt verspreid en buitengewoon snel. Internet speelt hier natuurlijk de belangrijkste rol.

Ik ben niet zo erg bang door fake news te worden misleid. Ik kan meestal wel aardig beoordelen of de bron betrouwbaar is en als ik twijfel kan ik vrij gemakkelijk uitsluitsel omtrent het waarheidsgehalte krijgen.

Wat ik veel lastiger vind, is het beoordelen van de uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek.
Niet lang geleden las ik dat er geen bewijs is gevonden voor de aanname dat de bezuinigingen op de geestelijke gezondheidszorg ertoe hebben geleid dat er meer verwarde personen lange tijd niet de zorg en aandacht krijgen die ze nodig hebben.
De opstellers van het rapport hadden gekeken naar officiële cijfers, maar de schrijver van het artikel zette hier meteen een vraagteken bij. Kon het niet zo zijn dat er wel degelijk minder goede zorg wordt verleend door de officiële instanties, maar dat nu andere partijen deze last op de schouders hadden gekregen? De politie bijvoorbeeld, of buren?

Normaal gesproken laat ik mij graag leiden door objectief wetenschappelijk onderzoek.
Ik bracht in een discussie naar voren dat ik had gelezen dat er geen sprake is van een stijging in criminaliteit, zoals door veel mensen wordt gedacht (hierin ongetwijfeld beïnvloed door de Telegraaf), maar juist van een daling!
Mijn discussiepartner voerde aan dat er wel degelijk meer misdaad was, maar dat er steeds minder aangifte wordt gedaan.
Ik vermoed dat hier nauwelijks sprake van is (en hoe groot is de wetsovertreding als men niet eens bereid is aangifte te doen?), maar kan dit niet bewijzen.

Er speelt een wonderlijk mechanisme op dit gebied: ik heb de indruk dat veel mensen het prettig vinden om te zwelgen in onterechte negativiteit. Is het makkelijker om pessimistisch te zijn dan optimistisch?
Je zou kunnen zeggen dat mensen zaken liever wat somberder bekijken dan te lichthartig.

Dan is er ook nog het probleem dat er methodologisch nogal eens tekortkomingen zijn. Elma Drayer in de Volkskrant belicht de berichtgeving rond het zorgwekkend hoge percentage studenten met een burnout. Ze raadpleegde de onderzoekscijfers en constateert dat de groep respondenten veel te klein is om significante conclusies te kunnen trekken.

Veel onderzoekers maken gebruik van vragenlijsten en baseren hun bevindingen op de antwoorden van de respondenten. Er worden statistische bewerkingen op de data losgelaten om de foutenmarge zo klein mogelijk te laten zijn, maar ik twijfel aan de oprechtheid en eerlijkheid van de invullers.
Mijn eigen ervaringen op dit gebied (ik werkte een tijd lang bij een opinie-onderzoekbureau en ben deelnemer geweest aan heel wat psychologisch onderzoek) hebben me sceptisch gemaakt.

Het valt niet mee je standpunt te bepalen.
Er rest je eigenlijk maar een optie: je gezond verstand gebruiken, je oren en ogen goed openhouden en op basis hiervan de veelheid van informatie proberen te behappen…

 

Lucebert was fout

Ik ben geboren in 1955. Tien jaar na de bevrijding stonden sommige levensmiddelen nog op de bon. Nederland was hard op weg met de wederopbouw, veel mensen hadden geen zin terug te kijken en wilden hun energie richten op de toekomst.

Toch was de Tweede Wereldoorlog, de bezetting, een alomtegenwoordig thema dat elk moment de kop op kon steken.

Het was nog vrij gebruikelijk Duitsers moffen te noemen iedereen kon invulling geven aan de termen goed of fout.

Nederland telde een overweldigend aantal mensen dat goed was geweest en de foute vaderlanders konden zich beter heel erg gedeisd houden.

Mijn ouders hebben de oorlog bewust meegemaakt. Mijn moeder was van 1922 en vertelde later dat de oorlog haar haar mooiste jaren had gekost: van haar 18e tot haar 23e leefde ze in een bezet land en maakte in 1944-45 de hongerwinter mee.

 

Na de bevrijding had ze een korte relatie met een van onze Canadese bevrijders.

Als we op vakantie gingen moesten wij om Duitsland heen, ze vond het niet erg als we op school een onvoldoende voor Duits hadden. Mijn vader hield wel van Duitse liederen, maar zong ze niet in haar nabijheid.

Ik las met rode oortjes de boeken over WO II en wist zeker dat ik vanaf het begin deel zou hebben uitgemaakt van het Verzet. Ik zou de Duitsers wel een lesje leren met met mijn stengun en vervalst persoonsbewijs!

Later werd ik wat realistischer. Ik realiseerde me hoe moeilijk het moest zijn geweest om tijdens de oorlog de juiste dingen te doen: onder het Duitse bewind kon je zomaar je baan, huis, vrijheid of zelfs je leven verliezen.

Het zag er vooralsnog naar uit dat leven onder de Duitse bezetting de nieuwe realiteit was, niemand wist dat er na vijf jaar een eind aan zou komen.

Mensen trouwden, maakten kinderen, collaboreerden, bedreven zwarte handel en probeerden er het beste van te maken.

Er waren ook onvoorstelbaar dappere mensen die de bezetting niet accepteerden. Ze gingen in het verzet of namen onderduikers in huis, zoals mijn oma, die ineens zes kinderen had in plaats van vijf.

 

Wat zou ik het prachtig hebben gevonden als mijn vader ook verzetsheld was geweest.
Hij sprak niet zoveel over de oorlogsjaren, maar vertelde wel met enige trots dat hij eens, toen een colonne Duitsers zijn huis passeerde zijn hand voor zijn mond had gehouden met wijs- en middelvinger aan weerszijden van zijn neus. Op deze manier maakte hij dus het V-teken.
Een Duitse soldaat had zijn gebaar door het raam gezien en een schot gelost, dat een beeldje op de piano had getroffen.
Zelfs met de prille leeftijd van toen was ik niet heel erg onder de indruk van deze verzetsdaad. Ik verwachtte niet dat de Koningin hem het kruis van verdienste voor zijn heldhaftigheid zou opspelden.

Het was dus met enige verbazing dat ik in een oud krantenartikel deze passage tegenkwam:

Het artikel was gepubliceerd op 24 mei 1980 in Trouw ter gelegenheid van het afscheid van mijn vader van de Hervormde Pedagogische Academie, waar hij directeur en leraar was geweest.

 

Ik kan mij niet herinneren dat mijn vader ooit heeft gesproken over tankgrachten graven of onderduiken. De slag om Arnhem vond plaats in september 1944, het zou nog zeven maanden duren voor Nederland helemaal bevrijd was. Hoeveel maanden daarvan heeft hij ondergedoken gezeten, en bij wie? Ik zou dit verhaal graag hebben gehoord, net als dat van oom Anton en tante Netty, vrienden van mijn ouders. Zij konden smakelijk vertellen over die keer dat er onverwacht bezoek kwam en zij als onderduikers een haastig heenkomen moesten zoeken. Ze verborgen zich in een zijkamer terwijl in de huiskamer een potje biljart werd gespeeld. Zij hoorden de bezoeker vertellen dat hij nogal last had van gasontwikkeling na het eten van een bord bruine bonen. Om de druk op zijn ingewanden op een beleefde manier te laten afnemen stopte hij af en toe even met biljarten, opende de deur naar de zijkamer, stak zijn achterwerk naar binnen en liet alles gaan.

De atmosfeer in het kleine zijkamertje ging er niet op vooruit en de onderduikers hadden grote moeite zichzelf niet te verraden door te hard te proesten.
Na de oorlog hebben ze de bezoeker nog vaak aan het voorval herinnerd.

Toen ik ouder werd leerde ik dat de werkelijkheid ingewikkeld is. Mensen maken keuzes, soms pakken die goed uit en soms niet. Je moet niet te snel klaar staan met je oordeel.

Met Aantjes werd onverbiddelijk afgerekend en Lucebert heeft nu hetzelfde lot getroffen.

Als ik in 1939 kind was geweest in Duitsland zou ik vast diep onder de indruk zijn geraakt van het pompeuze machtsvertoon van de Nazi’s. Ik zou de vlaggen, de heroïek, de massaliteit en de uniformen prachtig hebben gevonden en wellicht lid zijn geworden van de Hitlerjugend.

Maar ik ben na de oorlog geboren, heb nooit voor moeilijke keuzen gestaan en hoef er dus ook niet bang voor te zijn ooit te worden ontmaskerd.

 

 

Gemeenteraadsverkiezingen: ik doe mee!

Volgende week krijgen we de kans van ons democratisch stemrecht gebruik te maken.

Hoewel ik geen fervent volger ben van de plaatselijke politiek beschouw ik het als mijn plicht mijn stem uit te brengen.
Je kunt veel kritiek hebben op het functioneren van de democratie, maar moet je desondanks gelukkig prijzen dat je in een land woont dat een democratische regeringsvorm kent*. Mensen die onder een dictatuur lijden zullen het hier roerend mee eens zijn.

De keuze op welke partij ik zal stemmen is voor mij niet moeilijk. Ik ben lid van Groen Links en aangezien deze partij op de kieslijst staat ligt het nogal voor de hand dat zij mijn stem krijgt.

Enige jaren geleden heb ik mijn diensten aangeboden aan de Almeerse afdeling. Wijs geworden door eerdere ervaringen gaf ik meteen aan dat ik voor colportage niet uit het juiste hout gesneden ben. Ik ben niet het type dat in verkiezingstijd gedreven bij mensen aanbelt om zielen te winnen of dat op een winderige markt folders aan ongeïnteresseerde voorbijgangers probeert te slijten. Ik gaf aan dat ik beter op mijn plek zou zijn als bestuurder of schrijver/redacteur.

Dit heeft ertoe geleid dat ik nog even kandidaat-bestuurslid geweest ben, maar van een echte toetreding is het niet gekomen omdat het onmogelijk bleek de agenda’s op elkaar af te stemmen. Ik ben nogal vaak weg ’s avonds.

Aan mijn bestuurlijke of redactionele kwaliteiten was dus niet veel behoefte, ik kon me wel op andere wijze nuttig maken. Mij werd gevraagd lijstvuller te worden.
Na rijp beraad besloot ik hierin te bewilligen. Er moest een  ingewikkelde administratieve route worden afgelegd, vele formulieren dienden te worden ingevuld, doopcelen gelicht en handtekeningen gezet.
Men stelde indringende vragen die ten doel hadden boven water te krijgen of ik een duister verleden had of skeletten in de kast.
Uiteindelijk kwam het verlossende woord: ik was door de ballotage!

Dus staat mijn naam voor het eerst in mijn leven op een kandidatenlijst, een hele eer. Dat het hier om een bijzonder bescheiden onverkiesbare 18e plaats gaat is van geen enkel belang.

Inwoners van Almere: maak uw keuze!

Referendum

Ik kreeg nog een stemkaart in de bus. Ik mag mij erover uitspreken of ik voor of tegen de sleepwet ben.

Aan het vorige referendum deed ik niet mee. Ik was al geen voorstander van referenda en constateerde ook nog dat Jan Roos en consorten deze stemming hadden gekaapt en probeerden er hun eigen populistische draai aan te geven. Ik hoopte dat de opkomst dermate laag zou zijn dat de uitslag niet geldig zou zijn.

Dat laatste viel tegen, we hebben allemaal gezien hoe dit is afgelopen.

Ondanks het feit dat Groen Links het referendum graag in leven had gehouden ben ik er niet rouwig om dat het verdwijnt.

Ik vertrouw in het systeem van gedelegeerde verantwoordelijkheid: volksvertegenwoordigers doen hun werk, zij behartigen onze belangen, en eens in de zoveel tijd mogen de kiezers aangeven of ze hiermee tevreden waren of niet.

Verreweg de meeste burgers (waaronder ikzelf) zijn onvoldoende ingevoerd in de materie om een gefundeerd oordeel te kunnen vellen. Ik laat de beslissing graag over aan professionals.

Ik ben dus consequent en zal aan dit referendum niet meedoen.

 

 

*“Many forms of Government have been tried and will be tried in this world of sin and woe. No one pretends that democracy is perfect or all-wise. Indeed, it has been said that democracy is the worst form of government except all those other forms that have been tried from time to time.”

(Winston Churchill).

Stront aan de knikker

Regelmatig klinkt in het steegje naast ons huis het geluid van roffelende kicksen.

De buurjongetjes zijn op weg naar het voetbalveld in het park tegenover ons huis.
Dit veld is er nog niet zo lang, het is een voorbeeld van geslaagd gemeentelijk beleid. Het wordt vanaf het moment dat het opgeleverd werd intensief gebruikt door heel veel kinderen uit de buurt. Er wordt meestal gevoetbald, maar er zijn ook baskets.

De buurjongetjes zijn goed toegerust. Ze dragen allemaal een felgekleurd voetbaltenue met op de rug Ronaldo of Romario. Dit zijn hun grote voorbeelden.
Een van hen heeft altijd een paar overmaatse handschoenen aan, hij is de keeper.

Als ze de straat zijn overgestoken hoor je het geluid van hun noppen niet meer, ze zijn op het gras aangeland en lopen nu groot risico in een verse drol te stappen.

Parallel aan de straat loopt namelijk een schelpenpaadje, dat hondenbezitters gebruiken om een rondje met hun huisdier te maken.
Ze stoppen regelmatig en terwijl hun viervoeter krampachtig gehurkt zijn ontlasting naar buiten perst kijken ze vaag in de lucht alsof ze niets te maken hebben met het poepende wezen aan de andere kant van de riem.

Bello heeft soms constipatie. Hij doet dan met zijn achterwerk nog steeds in de poepstand enkele pasjes, kennelijk in de overtuiging dat voorwaartse beweging een gunstig effect heeft op de uitdrijving.

Ik snap dat de voetballertjes geen oog hebben voor de boodschappen die in het gras zijn achtergelaten. Na een lange dag op school zijn ze eindelijk vrij en willen graag met hun spel beginnen. Maar straks hebben ze stront aan de knikker…

Toen het park werd aangelegd plaatste de gemeente een bord: verboden voor honden. Het is een belachelijk klein bord, dat bevestigd is aan een paal die bestemd is voor verkeersborden met een normaal formaat.
Dit bord wordt volslagen genegeerd.
De baasjes hebben ongetwijfeld schijt aan alle gebodsbepalingen, maar in dit geval is het niet uitgesloten dat hondenuitlaters uit de positionering van het bord afleiden dat ze niet in overtreding zijn als ze hun hond langs het pad zijn behoefte laten doen.

Het bord staat namelijk niet bij het pad, maar iets verder op het grasveld. Je zou de conclusie kunnen trekken dat er geen honden op het grasveld mogen, maar wel op het pad dat erlangs loopt.

Het lijkt erop dat hier sprake is van een nobel streven, dat in de praktijk totaal niet werkt: de kinderen moeten om het veld te bereiken allemaal over het poepomzoomde pad en trappen dus regelmatig in de uitwerpselen.

(Ik koos voor verdroogde exemplaren, had geen zin met mijn camera vlak boven een vers product te hangen).

 

Als het donker wordt komen de kinderen met de bal onder de arm terug, het avondeten is klaar.
Ze moeten dan weer het pad oversteken en trappen misschien weer in de poep. Je mag hopen dat ze hun kicksen bij de deur uit doen, want als ze ze aanhouden zal er naast de lekkere etensgeur ook nog wat anders te ruiken zijn in huize Renaldo.

 

 

Gemeente Almere
Aanleg speelveld voor de kinderen:            8
Beleid mbt poepende honden:                      1

Waarop baseer je je mening?

In deze tijd is er sprake van een groeiende kloof tussen mensen met verschillende meningen. Iedereen zit in zijn eigen bubbel en hoort en leest alleen maar berichten van gelijkgestemden.
Hierdoor is er vaak geen enkele toenadering tussen mensen en verharden de standpunten.

Ik heb me voorgenomen me hier niet bij neer te leggen, vooral in gesprek te blijven en als het kan oprecht meningen uit te wisselen.

Dat valt niet altijd mee, lees hierover mijn blogs (zwemmen met Wilders).
Ik blijf discussiëren met mijn politieke opponent, maar merk dat we in kringen ronddraaien. We gebruiken steeds dezelfde argumenten en wijzen elkaar op wetenschappelijke publicaties die onze mening kracht moeten bijzetten.
Probleem is, dat we verschillende bronnen raadplegen. Ik baseer mijn kennis o.a. op het lezen van de Volkskrant, het kijken naar het NOS journaal en documentaires. Soms raadpleeg ik het internet, maar probeer wel te achterhalen of die bron betrouwbaar is.

Wat is betrouwbaar?

Uitgangspunt voor mij is, dat een goede krant over het algemeen zijn best doet min of meer objectieve informatie te verschaffen. Iedereen weet dat complete objectiviteit niet mogelijk is (we blijven allemaal mensen), maar een kwaliteitskrant streeft hier wel naar.
Sleutelelementen zijn hierbij het principe van hoor en wederhoor, rectificeren indien nodig, beroepstrots en journalistieke integriteit. Een krant en zijn medewerkers hebben een naam hoog te houden en te verliezen.

De positie van universiteiten en onderzoekers is hiermee te vergelijken: ook hier geldt een academische standaard en het risico dat je je goede naam verliest.

Klopt de informatie?

Tijdens mijn discussies met mijn zwemmaatje lijkt het er wel eens op dat we in verschillende werelden leven. Als ik mijn mening geef (vaak gebaseerd op iets wat ik gelezen heb) voert hij regelmatig aan dat mijn informatie niet klopt, dat zaken heel anders liggen en dat er sprake is van een complot binnen de “linkse media en wetenschap”.
Mensen zoals ik worden verkeerd voorgelicht en zijn daardoor misleid.

Op dat moment is de discussie afgelopen: je komt geen stap meer verder.

The Post Online

Mijn opponent stuurt mij regelmatig linkjes naar bronnen die zijn gelijk moeten bewijzen, hij vindt vaak artikelen op The Post Online.
Ik heb die site al eens bezocht en mijn bevindingen in een blog besproken (het kwam mij op heel wat boze mailtjes van TPO-lezers te staan). Destijds volstond ik met een kort bezoek en een daaraan gekoppeld oordeel. Ik vond de site niet erg fris: er steeg een Geen Stijl -geurtje uit op en aan de formulering van de koppen kon ik al zien dat hier geen sprake was van zelfs een poging tot objectiviteit.

Toen ik wederom een linkje toegestuurd kreeg, dit keer met betrekking tot het gegeven dat de criminaliteit in Nederland afneemt, besloot ik het betreffende artikel zorgvuldig te lezen en te analyseren.

Ik wilde antwoord vinden op de vraag hoe het komt dat A. heel anders denkt dan ik. Ik had hem gevraagd waarop toch zijn gevoel van angst en dreiging gebaseerd is: Nederland is in vergelijking tot veel andere landen een fantastisch land waar het goed leven is en waarin de criminaliteit afneemt. Hij was het volstrekt niet met mij eens: het is niet zo dat de criminaliteit daalt, mensen zijn veel minder bereid aangifte te doen. Eigenlijk gaat het steeds slechter met Nederland, maar mensen zoals ik steken de kop in het zand.
Hij beloofde mij een artikel te sturen dat zijn gelijk zou bevestigen.

Het werden er twee:

Politiebond bevestigt wat u niet mag denken van policor gedachtenpolitie: Nederland = narcostaat

Criminaliteit in Nederland groeit en bloeit, nog geen 20 procent slachtoffers misdaad doet aangifte, nul vertrouwen in politie

In dit stuk staat dat de vakbondsman zich baseert op een politierapport.  Volgens de bijna vierhonderd ondervraagde rechercheurs in het rapport is het percentage slachtoffers dat aangifte doet gedaald tot nog geen 20 procent.
Er is geen enkele verwijzing naar de manier waarop het onderzoek is uitgevoerd en hoe het percentage van 20 tot stand is gekomen.

Voor mij is dit geen betrouwbaar bericht.

SCP-rapport ‘De Sociale Staat van Nederland 2017’ is geen studie maar een gedragsinterventie

Ongeloofwaardig, innerlijke tegenstrijdig, positief geframed en ideologisch gekleurd – Hoe de Nederlandse overheid meer doet dan alleen de zaken rooskleurig voorstellen

 

Ik heb de moeite genomen het artikel zorgvuldig te lezen, mijn bevindingen staan wat uitgebreider onderaan deze blog.

De auteur, Sietske Bergsma, stelt in haar artikel dat de studie niet klopt en dat de samenstellers op slinkse wijze de feiten verdraaien. Ze baseert haar kritiek op het SCP rapport voor een groot gedeelte op andere publicaties van een van de samenstellers, die dus “besmet” is.
Ze meent aan te tonen dat de onderzoekscijfers niet kloppen omdat ze er van uit gaat dat ondervraagden altijd consistent antwoorden.

Ze wil aantonen dat de opstellers onder een hoedje spelen met de overheid (”die vindt dat mensen ‘een duwtje in de rug’ moeten krijgen om wenselijk gedrag te vertonen: ze moeten stemmen op gevestigde, liefst linkse partijen”) en een onbetrouwbaar rapport hebben geschreven.
De werkelijke stand van zaken wordt verdoezeld (mensen in Nederland zijn helemaal niet gelukkig!) en de overheid probeert mensen te manipuleren.

Het lukt Bergsma in geen enkel opzicht haar beschuldigingen en claims waar te maken.

Het is uitermate leerzaam je te verdiepen in een medium zoals The Post Online.
Je ziet hoe men te werk gaat en begrijpt hoe het komt dat complotdenkers altijd wel bevestiging kunnen vinden voor hun paranoïde ideeën.

Kan de kloof wat smaller worden?

Terugkomend op het probleem dat ik in het begin van dit blog schetste: kunnen we de kloof misschien wat minder breed maken?
Ik denk dat hiervoor in ieder geval een “state of mind” nodig is die ik hierboven voorstelde: kijk kritisch naar je bronnen en vertrouw op de integriteit van kwaliteitsjournalisten en universiteiten.

En laat je niet leiden door angst en onderbuikgevoelens, hoezeer die ook worden aangemoedigd door dubieuze politici en websites.

 

 

———————————————————————————————-

Opmerkingen naar aanleiding van Bergma’s stuk:

Bergsma heeft forse kritiek op het SCP rapport, waarvan de conclusie luidt dat 85% van de Nederlanders zich gelukkig en welvarend voelt.
Zij vindt de studie ongeloofwaardig, innerlijk tegenstrijdig, positief geframed en ideologisch gekleurd.
De cijfers kunnen niet kloppen, ze zegt dat “De hoeveelheid gelukkige mensen telt, niet hoe gelukkig ze zijn“.
Ze wantrouwt de opstellers en heeft het idee dat de resultaten niet betrouwbaar zijn omdat de opstellers een geheime agenda hebben:
“De ideologische stuwkracht achter dit rapport is een overheid die vindt dat mensen een ‘duwtje in de rug’ moeten krijgen om wenselijk gedrag te vertonen op gevestigde, liefst linkse partijen te stemmen.”

→ Onze regering is in handen van drie rechtse en een middenpartij. Zij willen het liefst dat mensen op een linkse partij stemmen en fabriceren met dat oogmerk een ondeugdelijk rapport?

Een groot deel van haar betoog heeft betrekking op de persoon van Annemarie Wennekers (een van de opstellers). Zij levert weliswaar een kleine bijdrage, maar “haar bemoeienis rijkt (sic) verder”.
Vervolgens gebruikt Bergsma nogal wat opvattingen van Wennekers die zij op andere plekken, dus niet in dit rapport heeft geventileerd.
Ze schrijft over Wennekers’ wetenschappelijke opvattingen mbt het sturen van gedrag: “hoe hoger het gedrag is, hoe meer legitimatie te sturen”.

→ Wat is hoog gedrag?

Ten slotte worden een aantal statistische uitkomsten onder het vergrootglas gelegd, Bergsma toont een aantal discrepanties aan en leidt hieruit af dat de cijfers niet deugen.
Voorbeeld:

Er staat: 80 procent is trots, 36 procent schaamt zich nooit om een Nederlander te zijn. Hoe kan dit allebei waar zijn? Als 64 procent zich dus (wel eens) schaamt om Nederlander te zijn, hoe kom je dan nog aan die tachtig?

→ Ze stelt dat “het niet allebei waar kan zijn”. Kan dat niet? Is het niet mogelijk dat je trots op Nederland bent en je toch weleens schaamt om Nederlander te zijn?
Ik constateer dat hier een behoorlijk vooringenomen schrijfster aan het woord is, die bewijzen zoekt voor haar idee dat dit rapport met opzet een verkeerde voorstelling van zaken geeft.
De onderzoekers deugen niet en spelen samen met de overheid onder een hoedje.
Op deze manier wordt de werkelijke stand van zaken verdoezeld (mensen zijn helemaal niet gelukkig!) en probeert de overheid de bevolking te manipuleren.
Het zou kunnen dat de kwaliteit van het rapport niet bijster goed is, maar ze kan haar aantijgingen (het is een gedragsinterventie, ideologisch gekleurd, framen van kritiek op het overheidsbeleid) niet hard maken.
Ten slotte: ik blijf me ergeren aan haar onderschrift:

Sietske Bergsma (de wereld, vorig millennium) is schrijfster en ’schreckliches Kind’ sub rosa. Inlevend en doordacht. Bewust gehuwd moeder. Zelfreinigend.

Welke zichzelf respecterende journalist schrijft dit nou onder haar stukken? En direct daarna een oproep om haar (persoonlijk!) financieel te steunen.