Hoe meet je de kwaliteit van zorg?

U wilt de best mogelijke zorg, zeker wanneer u het op eigen kracht niet redt. De beste zorg betekent medische, verpleegkundige en lichamelijke zorg op het hoogste niveau. Maar ook hartelijkheid en respect in de omgang, een prettige omgeving, keuzevrijheid en beslisrecht. Kortom: zorg met menselijke maat.

planetree

Daarom baseert Zorggroep Almere haar zorg- en hulpverlening op de filosofie van Planetree. Dit betekent dat naast de medische, verpleegkundige en lichamelijke verzorging het welzijn en welbevinden van de cliënt centraal staan. Planetree staat voor uitstekende zorg, in een helende omgeving in een gezonde organisatie. Planetree is een leidraad voor kleinschalige zorg in een respectvolle en gastvrije omgeving.

exe16097-afb-zorggr-almere-vrijstaand-afb4-p1

In de buurt waarin ik woon staat een gezondheidscentrum, de naam zegt het al: huisartsen, apotheek, zorg voor bejaarden en zelfs een hospice.

Er zijn ook twee “huisartsenbedden”. Deze kunnen worden gebruikt voor noodgevallen, geïndiceerd door een huisarts.

Mijn oom van 86 is nu in een van die bedden gestald. Dat is geen fijn woord, maar beschrijft de situatie het best.
Zijn vrouw verblijft momenteel in een revalidatiecentrum, hij kan niet meer thuis wonen. Dus ligt hij nu al meer dan een maand in een klein kamertje aan het eind van de gang.
In het begin ging hij nog regelmatig uit bed, nu niet meer. Zijn toestand gaat hard achteruit.

Hij kan niet coherent meer spreken, is af en toe benauwd en heeft een blaasontsteking. Hij is erg op zijn hygiëne gesteld en klaagt dat hij niet vaak genoeg verschoond en gewassen wordt.
Ik ga regelmatig op bezoek en ontdek dat ik heel moeilijk een oordeel kan vellen over de kwaliteit van zijn verzorging.
Zijn kinderen zijn blij dat er een plekje voor hem gevonden is, kritiek op de zorg lijkt dan ondankbaar en pakt misschien verkeerd uit voor hun vader, die er immers van afhankelijk is.

De houding ten opzichte van het verplegend personeel wordt ook bepaald door je opvoeding: klagen hoort niet, je moet vertrouwen hebben in de medische stand (mijn vader had zoveel respect voor zijn behandelend arts dat hij nooit een lidwoord gebruikte: “Dokter heeft gezegd dat ik morgen naar huis mag”.)

Je realiseert je dat jouw familielid niet de enige patiënt is en dat het verplegend personeel het erg druk heeft.
Het is ook nog eens zo dat mijn oom waarschijnlijk niet de makkelijkste patiënt is. Hij is gewend op zijn wenken bediend te worden door zijn vrouw.

Hoe moet je nu bepalen of de zorg toereikend is, op welk moment en op welke manier moet je het opnemen voor de patiënt?

Ik realiseer me dat ik geen referentiekader heb en ook niet weet welke maat ik moet hanteren. Wanneer is iets onvermijdelijk of gebruikelijk? Wanneer is er echt sprake van falende zorg?

De praktijk

Dit zijn mijn observaties en vragen. Wie weet het goede antwoord?

  • Ik kan geen onderscheid maken met wie ik te maken heb: met een helpende of een verpleegkundige. Een arts heb ik nog nooit gezien.
  • Als een medewerker de kamer van mijn oom binnenkomt stelt hij/zij zich niet voor.
  • Ik zie nauwelijks echt contact tussen de verzorgenden en mijn oom. Ze zijn nogal businesslike, trekken blauwe handschoenen aan alvorens ze met hem aan de slag gaan en zetten soms zonder enig commentaar zijn eten neer.
  • De deur staat heel vaak open, zodat iedereen vanaf de gang mijn oom in bed kan zien liggen.
  • Het is me al twee keer gebeurd dat mijn oom lange tijd op de wc zat, er kwam niemand.
  • Iedereen kan zonder enige belemmering vanaf de straat binnenkomen. Je zou zo iets kunnen wegnemen, er is geen enkel toezicht.
  • Als ik op zoek ga naar hulp tref ik een medewerkster die me doorverwijst naar de verpleegkundige. Die is bereikbaar door op het knopje te drukken dat om de hals van mijn oom hangt. Als ik hierop druk klinkt het geluid van een modem dat inbelt, dan een mechanische stem uit een kastje dat op de vloer staat: “Maakt u zich niet ongerust, de verpleegkundige komt eraan.”
    De stem lijkt op die van de omroeper in het Amsterdamse openbaar vervoer: “Vergeet u niet uít te checken?” Even later horen we de stem van de verzorgster, ze vraagt wat er aan de hand is en zegt dat ze eraan komt.
    Na twintig minuten wachten is nog niemand gekomen.
    Wie verzint zo’n systeem? Als ik oud en ziek was zou ik hier heel ongerust van worden!
  • Op de deur staan voor- en achternaam van mijn oom. Hij wordt ook getutoyeerd.
  • Na twee dagen staat het bakje druiven dat ik voor hem meebracht nog op zijn nachtkastje, ik gooi ze weg omdat ze niet goed meer zijn.
  • Omdat hulp zolang uitbleef heeft mijn oom geknoeid bij het plassen in de fles. De medewerkster belooft om hem later die avond een schone pyjamabroek aan te trekken.

De theorie

Er wordt veel gesproken en geschreven over de zorg in Nederland.
Veel politieke partijen hebben dit onderwerp op de agenda gezet, het wordt straks een belangrijk punt in de verkiezingscampagnes.
Ik ben nu van nabij betrokken bij de problematiek.
Ik realiseer me dat er ontzettend veel geld gemoeid is en dat de kosten door de vergrijzing nog steeds toenemen.

Je kunt niet simplistisch stellen dat er “veel meer geld naar de zorg moet”.

Je leest ook dat de problemen voortkomen uit een te grote managementlaag, die verpleegkundigen verplicht elke handeling te verantwoorden.

Het kan natuurlijk ook zijn dat het instituut waarin mijn oom verblijft niet goed functioneert.

Nogmaals, ik vind het moeilijk om te oordelen. Maar ik zie wel een flinke discrepantie tussen de ronkende aanbevelingen waarmee deze blog begint en de alledaagse werkelijkheid.

De Messiah van Händel

Ik kende de Messiah voornamelijk van de cd “The Young Messiah”. De prachtige muziek van Händel wordt hier door jonge zangers vlot en met behulp van moderne muziekinstrumenten ten gehore gebracht.

messiah

Gisteren zagen we de complete Messiah, uitgevoerd zoals Händel dat waarschijnlijk gewild zou hebben.

Het was erg mooi, het is natuurlijk sowieso al heerlijk om in het Concertgebouw van Amsterdam te zijn, te midden van zoveel andere goedbedoelende beschaafde zestigplussers.

Pileusink-portreteter Jan Leusink dirigeerde the Bach Choir & Orchestra, het was een perfecte voorstelling.

 

 

Als je urenlang getuige mag zijn van een uitvoering heb je veel tijd om te observeren:

  • Leusink is een echte maestro. Hij neemt even de tijd vóórdat hij de trap afdaalt, het orkest en koor zitten al. De mensen klappen hard en lang terwijl we alleen nog maar het stemmen van de instrumenten hebben gehoord.
  • De bovenkant van zijn hoofd is kaal, maar hij compenseert dit met een wit matje in zijn nek.
  • Hij heeft een wonderlijke stijl van dirigeren. Hij gebruikt geen baton, maar maakt heel veel draaiende bewegingen met beide handen. Als er zoiets zou bestaan als een dirigeerarm (naar analogie met een muis- of tennisarm), dan zou hij die hebben. Hij zal wel heel veel calorieën verbranden, maar dat is niet te zien. Hij heeft een zeer omvangrijke buik.
    martinusleusink
  • Zijn zoon, de tenor, is al net zo dik. Hij gaat vlak naast zijn vader staan (net als de andere solisten) en laat tijdens het zingen zijn handen genoeglijk op zijn embonpoint rusten.
  • De solisten draaien zich af en toe om, om de toeschouwers die achter het orkest zitten te laten merken dat er ook voor hen muziek gemaakt wordt. Omdat ze zo dicht op Leusink staan krijgt die zo nu en dan de volle laag, wat een ruïneus effect op zijn trommelvliezen moet hebben, vooral als Andrew Slater, de bas, aan de beurt is.
    slater
  • Deze komt met een zeer strijdlustige blik naar voren en stelt zich op als een van de vechtjassen in Game of Thrones. Zij solo’s zijn fantastisch. Ik ben vooral onder de indruk van zijn ademtechniek. Wat kan hij lang achter elkaar doorzingen zonder extra adem te halen!
  • De mannen zijn uniform gekleed: een zwarte coltrui met hier overheen een zwart jasje. De vrouwen hebben elk een andere outfit. Een sopraan heeft een lange jurk met daaroverheen een kort bontjasje. De hoofdsopraan, Olga Zinovieva, heeft een prachtige blauwe jurk aan. Ze kan minder hard zingen dan haar collega, maar heeft dan ook een kleinere boezem.
    download
  • Ik kan er maar niet aan wennen: de countertenor heeft de stem van een vrouw. Je schrikt even als hij begint met zingen.sytsebuwalda
  • Het is alsof een van de violistes straf heeft. Ze kijkt tegen de ruggen van de anderen aan, maar speelt volgens mij net zo mooi.
  • Ik herken twee andere muzikanten van de vorige keer: als je naar de bewegingen van de bassiste kijkt lijkt het wel of ze haar instrument in tweeën wil zagen, haar strijkstok heeft veel weg van een grote metaalzaag. Een voluptueuze muzikante beukt met veel enthousiasme op haar pauken, maar heeft niet zoveel te doen, net zomin als de trompettist die heel lang werkloos met de trompet tussen zijn benen zit te wachten. Hij mag pas in actie komen bij het Hallelujah.
  • Ze komen op aandringen van het applaudisserende publiek (wat krijg je daar een zere handen van) nog even terug en zingen nogmaals de mooiste passage: het Hallelujah, waarin de vrouwen elke keer weer een beetje hoger zingen, net als in You can’t always get what you wanted van de Stones. Ze nemen niet hun oude plaats in, maar komen aan de rand van het podium staan, nog een beetje dichter bij ons!
    concertgebouw
  • Dan is het klaar en stroomt het oude gebouw leeg. De mensen zijn gelukkig gedisciplineerd, want de gangen en trappen zijn niet ruim. Sneller dan je dacht heb je je jas weer uit de garderobe gehaald en sta je buiten op het mistige museumplein waar zich ineens ter ere van het kerstfeest een ijsbaan en een namaak magere brug bevinden. Wel allemaal heel mooi verlicht.
  • Onze wandeling naar restaurant Kantjil (waar je onwaarschijnlijk lekker Indisch kan eten) wordt bemoeilijkt door het achterlijk hoge aantal toeristen dat zich volstrekt willekeurig over voet- en fietspaden beweegt. Bij de eetgelegenheid aangekomen blijkt dat er geen tafeltje voor ons beschikbaar is. Dan maar naar de snackbar.

De Messiah van Händel:                                                                            8

Eén patat, een bamischijf en een pikanto met satésaus:                     6½

 

Politicus van het jaar

Ik zal er geen gewoonte van maken, maar kan het niet laten deze prachtige column van Bert Wagendorp op mijn blog te zetten.
Niet iedereen leest de Volkskrant.

Ik kan het niet mooier verwoorden dan hij, maar zal niet teveel aandacht geven aan dit onderwerp, indachtig laatste alinea van dit geweldige stuk.
Door omstandigheden verkeer ik de laatste tijd regelmatig in het gezelschap van een notoire PVV-stemmer, ik ben in de verleiding hem deze column te sturen.
Er wordt echter al teveel via internet gecommuniceerd, ik zal weer in den lijve met hem in debat gaan, de enige kleine bijdrage die een individu in deze barre tijden aan onze in gevaar verkerende democratie kan leveren.

column-wagendorp-1

 

En dan voor de goede orde deze nog maar een keer, een beeld kan net zo sterk zijn als een betoog.

Grote bek

Jarig in het verzorgingstehuis

Oom Dick is mijn oom, hij woont op dit moment in een gezondheidscentrum vlakbij mijn huis. Ik zoek hem regelmatig op.

Morgen, 12 december, is hij jarig. Hij wordt 86.

025 tanny, bep, barend, dick, johan

1931. Boven: Tanny (mijn moeder),  Barend, en Dick.
Onder: Bep en Johan

Als ik binnenkom is er consternatie: er staat een lange rij rolstoelen met een bejaarde erin en een begeleider erachter voor de lift. De lift komt niet!

Ik neem de trap naar de eerste verdieping en ontdek wat de oorzaak is van het probleem: op de drempel van de lift staat een grote, zware rolstoel waarin een bewegingsloze vrouw zit. De deur van de lift probeert regelmatig te sluiten, maar stuit dan op dit aanzienlijke obstakel. Ik vermoed dat de motor van de rolstoel het niet meer doet, maar kan geen bevestiging krijgen van de bezitster. Zij kijkt me emotieloos aan en antwoordt niet op mijn vragen.

Ik wil behulpzaam zijn, maar weet niet wat te doen. Het lijkt me niet beleefd zomaar aan de rolstoel te gaan sjorren, ik weet niet eens of die wel rollen wil.  Ik durf ook niet aan het hendeltje te komen waarmee de stoel bestuurd moet worden. Dat bevindt zich naast de handen van de patiënt die bewegingsloos op het tableau van de rolstoel liggen. Het lijkt mij een inbreuk op haar privacy als ik hieraan zou komen.

Gelukkig komt er hulp: een medewerkster wringt zich achter de rolstoel in de lift en begint uit alle macht te duwen. De wielen draaien niet en het gevaarte schuift piepend enkele centimeters op. Ik zoek naar een plek waar ik de rolstoel beet kan pakken om te helpen, maar ben bang dat ik iets verkeerd doe. Straks sta ik met een afgebroken onderdeel in mijn handen waaraan helemaal niet getrokken had mogen worden…

Ik krijg het warm van de nietszeggende blik van de rolstoelgebruikster en het stille verwijt van de medewerkster. Zo’n grote vent die niet eens even helpt. Ik ben duidelijk niet op vertrouwd terrein.

Ik pak toch maar de armsteun vast en met vereende krachten sleuren we het gevaarte de lift uit. De deur kan zich sluiten en de lift daalt. We horen even later een gejuich uit vele bejaarde kelen opklinken als hij de begane grond bereikt heeft.

Ik maak me gauw uit de voeten en klop op de deur van mijn oom’s kamer.

Hij is vandaag wat minder goed dan andere keren. Hij maakt zijn zinnen niet af, verliest de draad van zijn betoog en lijkt me niet heel goed te begrijpen.

Hij vertelt dat het niet goed met hem gaat en dat hij volkomen geïsoleerd is. Hij is erg op hygiëne gesteld, maar voelt zich vies. Hij heeft het ’s nachts koud, omdat zijn bed nat geworden is. Het personeel is niet vriendelijk: als hij zegt dat hij niet liggend kan drinken (“scheef drinken”, hij doet het voor) krijgt hij geen koffie.

Mijn kennis van en ervaring met zorg is zeer beperkt. Ik bracht ooit drie nachten in een ziekenhuis door en was vooral blij dat ik weer weg mocht. Ik was zeer te spreken over de zorg die ik ontving, hoewel die zich tot het minimum beperkte: ik kon zelf naar de wc en douchen.

Ik kan niet goed bepalen of de kwaliteit van de zorg die men mijn oom biedt te kort schiet, ik heb te weinig vergelijkingsmateriaal.

Wat ik natuurlijk wel kan doen, is me in hem verplaatsen en bepalen hoe ik erover zou denken als het mijzelf betrof.

  • Mijn oom stelt dat hij zich geïsoleerd voelt. Zijn kamer bevindt zich aan het eind van de gang, er komt zelden iemand langs. Hij beschikt ook niet over een telefoon. Als hij hulp nodig heeft moet hij op een knopje drukken dat aan een koord om zijn hals hangt en vervolgens lang wachten. De verzorgers sporen hem aan gezamenlijk met de andere bewoners te eten, maar dat wil hij niet: de meeste bewoners zijn dement, er valt geen gesprek met ze te voeren. Er zijn steeds andere begeleiders, er is weinig continuïteit. Ze zijn niet onvriendelijk, maar hebben geen tijd voor een praatje.
  • Het is mij nu twee keer gebeurd dat ik mijn oom moest helpen na zijn toiletbezoek. Ik vind dat niet erg, maar kan me voorstellen dat dit voor mijn oom moeilijk is. Ik ben helemaal niet zo close met hem, en ik vind het vreemd dat de verzorgenden dit kennelijk van mij verwachtten: tot twee keer toe lieten ze mijn oom op het toilet achter en keken vervolgens niet meer naar hem om. Familie mag best een handje helpen, maar het gaat hier om nogal intieme zaken en men kon volgens mij ook niet weten dat ik familie ben. Ik had ook wel (bijvoorbeeld) een belastingadviseur kunnen zijn geweest.
    Ik maakte voor mijzelf de volgende vergelijking: hij wordt geholpen door zijn neef. Als ik in dezelfde positie zou verkeren, zou mijn onderbroek dus worden opgetrokken door de zoon van mijn zus, weliswaar een heel aardige man, maar niet iemand met wie ik een dusdanige band heb dat we zo intiem met elkaar om zouden kunnen gaan.

Er zijn plannen dat hij naar huis kan gaan voor de feestdagen. Hij schudt zijn hoofd en zegt dat dit niet kan. Ik kom er niet achter of hij dit zegt om zijn vrouw te ontzien (die is zelf te zwak om hem te verzorgen) of omdat hij inmiddels gehospitaliseerd is. Het zal toch niet zo zijn niet zijn dat hij gehecht geraakt is aan zijn huidige omgeving…

Er is veel te doen over de zorg. Het personeel is overbelast, er is een overdaad aan controle (alles moet worden verantwoord en afgerekend) en er is minder geld beschikbaar.

Zolang je zelf gezond bent kan je je hoofd in het zand steken en je bezighouden met leukere dingen.  Maar er komt een dag dat je eraan geloven moet.

Mijn schoonvader is honderd. Hij wordt voortreffelijk verzorgd en heeft het erg naar zijn zin in zijn bejaardenhuis.

Oom Dick heeft minder geluk gehad. Morgen vieren we zijn verjaardag. Ik heb aangeboden dit in mijn huis te doen, ik kan hem in zijn rolstoel binnen tien minuten naar mijn huis rijden. Hij reageerde hier afwisselend enthousiast en afwijzend op.

Ik hoop dat hij op mijn aanbod ingaat.