Dunkirk

Ik heb zoete herinneringen aan Tuschinski. Ooit nam mijn vader mij mee om er een James Bondfilm te zien. We zaten op het balkon en hadden zo weinig beenruimte dat ik voortdurend in angst zat kramp te krijgen. Ik zou me in dat geval langs zeker tien andere bezoekers moeten wringen om mijn benen te kunnen strekken.
Ik zag er Turks Fruit met Gerrie Gaasbeek, de mooiste meid van de klas.  Ik had gekozen voor stoelen in de zijloge-klasse. Toen we gingen zitten bleek dat mijn stoel schuin achter die van Gerrie stond. Als ik tijdens de film lichamelijk contact met haar zou willen zoeken (dat is toch de reden dat de lichten gedoofd worden?) zou ik naar voren moeten buigen om haar schuin van achteren te benaderen. Ik heb het maar niet eens geprobeerd. Het is met Gerrie niks geworden, de film was wel heel mooi.

De laatste tijd zit ik niet zo vaak meer in de bioscoop. Gesodemieter met mobieltjes, krakende chipszakken en tieners die hun kwek niet kunnen houden hebben mij ertoe gebracht  meestal te kiezen voor  een dvd thuis in plaats van de bioscoop.
Mijn zoon had voorgesteld de nieuwe film Dunkirk te gaan zien omdat we beiden erg veel interesse hebben voor de Tweede Wereldoorlog. We maakten er een familie-uitstapje van en zo zat ik na jaren weer in het prachtige Jugendstil-theater.

We zagen eerder natuurlijk The Longest Day, A Bridge too Far en Saving Private Ryan al, we hebben Band of Brothers zeker twee keer gezien.
Deze films gaan over de invasie en operatie Market Garden. We waren benieuwd hoe een film eruit zou zien die over een veel minder  bekende  passage gaat.

De evacuatie van Duinkerken behoort tot de wonderlijkste gebeurtenissen in WO II. De Engelsen zaten volkomen vast op het strand van Duinkerken en het zou de Duitsers relatief weinig moeite hebben gekost het hele leger in de pan te hakken. In plaats daarvan lieten ze toe dat 300.000 soldaten konden ontsnappen, veelal op kleine bootjes die bestuurd werden door particulieren.

Historici zijn het er niet over eens waarom de Duitsers zo hebben gehandeld.

De film behandelt wat er gedurende een week op het strand gebeurde, op zee in een dag en in de lucht in een uur. Dit is af en toe wat lastig te volgen.

Dunkirk is een bijzonder spectaculaire film.

Wat viel me op?

  • Ik weet dat er een ontstellende hoeveelheid materiaal achterbleef op het strand, in de film is alleen een stapeltje kisten te zien. De soldaten staan in keurige rijen te wachten, de voorsten tot hun middel in het water zelfs als er geen schip in zicht is.
  • Er is in de hele film niet één Duitser te zien.
  • Er is geen poging gedaan een massa van 300.000 voor te stellen.
  • Er is eigenlijk ook maar een heel klein aantal vliegtuigen in beeld. Een Spitfire squadron van drie vliegtuigen?
  • Het meest spectaculaire gedeelte van de evacuatie, de honderden plezierjachtjes die soldaten afhaalden, komt er eigenlijk maar bekaaid vanaf. We zien wat actie aan boord van een bootje, maar nauwelijks beelden van de andere.
  • Er is geen druppel bloed te zien, zelfs geen kuilen in het zand nadat een bom gevallen is.
  • Een dergelijke voorstelling van zaken lijkt wel haast gestileerd: we moeten ons als kijker maar een voorstelling maken. Dit is echter in tegenspraak met de gedetailleerde opnamen van zinkende schepen, verdrinkende soldaten en luchtgevechten.
  • Het geluid stond bijzonder hard. Niet alleen  zorgden de explosies ervoor dat je in je stoel zat te trillen, ook de aanhoudende hoge tonen van de muziek deden pijn aan je oren. Wat je in een andere film soms in een korte, spannende scene over je heen krijgt (de strijkers werken zich in het zweet) blijft hier minuten aanhouden.
  • Het menselijk drama op kleine schaal was ongeloofwaardig en clichématig (je hoeft toch niet dood te gaan als je van een trapje valt? De rare scene in de vissersboot, waar de outsider geofferd moet worden om de boot drijvende te houden en de dappere Schout-Bij-Nacht die nooit dekking zoekt en zelf niet geëvacueerd wil worden omdat de Fransen nog hulp nodig hebben).

 

Het was zoals gewoonlijk weer een geweldige ervaring om in Tuschinski te zitten (wat is dat toch een prachtig theater), de stoelen zaten heerlijk (veel meer beenruimte dan vroeger!) en het beeld was fantastisch.
Maar de film viel dus wat tegen.

 

Tuschinski          9

Dunkirk               6

 

Maar niet dus.

Over de zwakke twee en het stopkaartje

Veel bridgers hebben de Multicoloured 2 Ruiten op hun systeemkaart staan.
Dit is een mooie conventie, maar tamelijk ingewikkeld. Je kunt er heel veel instoppen, maar het komt er bijna altijd op neer dat het om een zwakke twee in harten of schoppen gaat.
Ik neem meestal niet eens de moeite om me af te vragen hoe de hand van de openaar eruit ziet, ik kan meestal aan mijn eigen hand al zien welke zwakke twee hij heeft.

Mijn partners en ik zien wel degelijk de kracht in van de zwakke twee-opening (in ieder geval een zeskaart, liefst twee plaatjes en vanaf een punt of acht) en gebruiken die dan ook volop, vaak met succes.
De tegenstanders hebben er vaak geen goede verdediging tegen en eindigen vaak te hoog, te laag of in de verkeerde speelsoort. Of ze laten ons spelen terwijl ze dat zelf hadden  moeten doen.
We hebben hier natuurlijk niet de ingewikkelde Multicoloured voor nodig. We openen gewoon op tweehoogte en kunnen dus ook 2 Ruiten zwak spelen. Regelmatig nemen tegenstanders niet de moeite op onze kaart te kijken en gaan er van uit dat het in dit laatste geval om de multicoloured gaat. Ze wijzen ons er dan gepikeerd op dat er gealerteerd moet worden, wat natuurlijk in ons geval niet hoeft omdat de opening natuurlijk is.

Afgelopen speelavond kwam dit spel langs.

Ik zat Oost en zag drie groene paskaartjes verschijnen.
In zo’n geval is het vaak verstandig ook te passen, kwetsbaar met negen punten openen is meestal geen goed idee. Maar de ervaring leert dat degene met de schoppen vaak de pineut is bij een rondpas. (In dit geval zou het niet opgegaan zijn, passen leverde OW bijna 54% op).
Maar wij hebben onze mooie zwakke twee opening tot onze beschikking, ik hoefde niet bang te zijn dat mijn partner overenthousiast zou worden (zelfs met een maximale gepaste hand zou ze niet tot leven komen) en met een beetje fantasie beantwoordde mijn hand aan de eisen voor een 2 Schoppenopening. Ik hoopte dat mijn partner wat nuttigs voor me mee zou brengen.

Omdat ik met een sprong opende legde ik natuurlijk eerst het rode stopkaartje neer en daarna mijn bod.
Mijn linkertegenstander informeerde naar de betekenis van mijn openingsbod, kreeg antwoord van mijn partner en legde 2 Harten neer.
Toen hem te verstaan werd gegeven dat hij een onvoldoende bod had gedaan veranderde hij zijn bod in 3 Harten.

Dit is natuurlijk een situatie waar eigenlijk de arbiter aan tafel geroepen moet worden. De regel dat er voor een sprong het stopkaartje moet worden vertoond is exact om een probleem als dit te voorkomen ingevoerd.
De tegenstander kan zich nooit beroepen op een vergissing, het signaalrode stopkaartje kan hem immers nauwelijks ontgaan zijn.

Vroeger kenden we het stopkaartje niet. Een arbiter kon dus nooit een eerlijk besluit nemen: heeft de speler zich echt vergist of op deze manier stiekem ongeoorloofde informatie verstrekt? (Partner: ik heb niet zoveel, verwacht niet veel punten bij mij).

Zoals gewoonlijk lieten we het er maar bij zitten (ik had zo mijn twijfels, want het betrof hier een zeer geroutineerde speler).

Noord Zuid mocht 3 Harten spelen en ging twee down (84% voor ons). De leider speelde een beetje onhandig, hij kan min 1. Lekker pûh.

Nawoord: bij nader inzien head Zuid wel degelijk een “normaal” 3 Hartenbod. Hij heeft eerst gepast, dus partner kan een hand zoals de zijne wel ongeveer verwachten. Geen reden om een trucje uit te halen.
Maar hij moet wel beter afspelen!

 

Een paskaartje en een stopkaartje voor linkshandigen.

Mudlarking

Ruim een jaar geleden schreef ik dit blog over mijn avonturen met de metaaldetector.
Ik schreef hoe leuk het me leek een vitrine te vullen met gevonden oude spulletjes.
Het liep allemaal wat anders, in mijn uitstalkast staan nu ook mooie voorwerpen, maar de meeste heb ik in de winkel gevonden.

 

 

 

Ik werd herinnerd aan mijn metaaldetectordagen door dit artikel in de Volkskrant van 8 juli:

Ik herinnerde me dat ik vroeger als kind in Amsterdam ook vaak stuitte op witte pijpensteeltjes. Ik vermoed dat ik ze aantrof in opgespoten grond. Waarschijnlijk wist ik toen niet dat het hier ging om eeuwenoude voorwerpen.
Het artikel spreekt ook over Dickens: in Great Expectations moeten de arme jongetjes in de modder zoeken naar spijkers of andere waardevolle voorwerpen. Prachtig boek.

En toen stuitte ik op Youtubefilmpjes waarin mudlarkers ons uitgebreid met hun hobby laten meegenieten.
Een van de meest enthousiaste posters is Nicola White, een Engelse dame met een fantastisch posh accent, waarvan we alleen de handen zien die een schoffel hanteren waarmee allerlei vondsten aan het licht worden gebracht. Ze  veegt ze af, spoelt ze soms nog even af in het modderige Thames-water en geeft commentaar.

I do love those intricate pieces of metal that once obviously had some form of very important use.

Ze heeft een geweldig oog voor detail, ik denk dat een gewoon persoon overal overheen kijkt.
Ze filmt met haar linkerhand, zorgt dat de gevonden voorwerpen goed in beeld komen en manipuleert hiertoe de objecten met haar rechterhand.
Vaak weet ze helemaal niet wat ze gevonden heeft, maar geeft toch interessante informatie. Zo kan ze meestal het kaliber noemen van gevonden munitie en weet ze veel van pijpenstelen en aardewerk. Soms verschijnt het resultaat van haar research in beeld, dat heeft ze later toegevoegd.

How can you not pick it up?

Ze heeft ook een site (www.timelineart.com), maar mijn computer noemt dit een onveilige site…..

A very nice find indeed!

Ze zit op internet, dus ze heeft inmiddels ook al bewonderaars:

I’m making this comment in a completely above board and non-stalker way. Apart from being obviously brilliant and well-spoken, am I the only red-blooded male that thinks Nicola is, you know, kind of hot? Trowel and all. Just sayin’….

(Ik kan hier heel goed inkomen. Zo ben ik een geheime bewonderaar van Suzanne Lambooy van Tussen Kunst en Kitch. Zij weet ook zoveel van haar onderwerp en dan die stem van haar…)

Wat vindt Nicola nu eigenlijk?

Uit de filmpjes komt naar voren dat de oevers van de Thames werkelijk bezaaid zijn met rommel: stenen, dode vissen, stukken hout, maar ook heel veel gebruiksvoorwerpen. Sommige zijn duidelijk van deze tijd (ze vindt zelfs mobiele telefoons), maar er is ook veel uit de Victoriaanse eeuw of zelfs nog van daarvoor.

In de filmpjes die ik tot nu toe zag vond ze vooral knopen en figuurtjes gemaakt van lood: soldaatjes en dieren. Ze vindt ook religieuze offergaven (vaak Hindoe), maar die laat ze liggen uit respect voor degenen die hun doden op deze manier wilden eren.
Ze heeft veel geduld, kan dus heel goed kijken en vindt alles interessant.

Het scheelde niet veel of ik had een troffeltje gekocht en was in het vliegtuig naar Londen gesprongen. Ik wilde ook een mudlark worden! Naar huis komen met een geweldige hoeveelheid unieke voorwerpen, alle Kuifjes uit mijn vitrine gooien en mijn gasten met stomheid slaan.
Toen sloeg mijn realiteitszin toe: ik zou waarschijnlijk alle interessante voorwerpjes over het hoofd zien, overvallen worden door het opkomend getij, gearresteerd worden door de Engelse politie en binnen no time zoveel last van mijn rug krijgen dat bukken verder onmogelijk zou zijn.

Ik blijf, denk ik, dus maar thuis en kijk naar de filmpjes. Heel misschien bestel ik bij Amazon een mooi boek.

 

Ook helemaal rustig worden en anderen het werk laten doen? Kijk hier.

Museum Voorlinden

Het gebeurt niet zo vaak dat je achteraf steeds meer waardering krijgt voor iets wat je beleefd hebt.
Ik had me niet zo heel veel voorgesteld van ons bezoek aan museum Voorlinden in Wassenaar. Ik heb niet veel op met de uitwassen van moderne kunst.
Zo had ik mij voorgenomen met een wijde boog om de vitrine met sigarettenpeuken  van Damien Hirst te lopen, maar die stond gelukkig niet opgesteld.

Als je de auto geparkeerd hebt loop je het landgoed op en ziet al snel de oorspronkelijke villa Voorlinden aan je linkerkant. Deze is helemaal gerestaureerd, je kunt er een kopje koffie drinken of wat eten.
Verderop staat de prachtige nieuwbouw temidden van vlekkeloos onderhouden grasvelden en bloemperken. Een lust voor het oog. De museumjaarkaart is niet geldig, je moet 15 euro entreegeld betalen.

Ik keek mijn ogen uit in de omringende tuin: bloemen in vele kleuren en geen spoortje onkruid te zien. Hier moet een leger tuinlieden actief zijn.

Het museum zelf is heel ruim, smetteloos schoon en het ruikt er heerlijk. Ik houd van zo’n museumatmosfeer.
Ik heb de tentoongestelde stukken bekeken en was niet zo onder de indruk. De peuken waren er dus niet, maar wel een stapel gevulde vuilniszakken. Ik stel me voor dat elke nieuwe schoonmaker zorgvuldig geïnstrueerd moet worden dat deze niet met de vuilniswagen moeten worden meegegeven.

Het zwembad waar je onder kunt lopen is grappig, en ook het uitvergrote stel bejaarden onder de parasol.

 

De ruimte met het gat in het dak, waardoor je de hemel kan zien is indrukwekkend, ik stel me voor dat je hier prima mediteren kunt.
Figuratieve kunst is nauwelijks voorhanden, er hangen wel enkele portretten van Pyke Koch. Ik vind ze mooi.

 

Samenvattend: prachtig museum, weinig tot mijn verbeelding sprekende kunst. Toch wel zeker het tochtje waard.

 

Museum Voorlinden.   gebouw:   9     collectie:    5

Wordt Terschelling bedreigd?

Mijn zwager gaf me een knipsel uit het NRC.
Bederf het geheim van Terschelling niet verder, zegt de kop.

De schrijver vraagt zich af waarom hij zich iedere keer aan het eind van zijn verblijf op het eiland akelig voelt, terwijl hij er toch al jaren komt.

Terschelling is een plaats waar je een sterke band mee opbouwt, hij gebruikt de term Genius Loci: een plek, waar bepaalde indrukken bij elkaar komen die je een geluksgevoel geven.

Hij vraagt zich af wat Terschelling zo speciaal maakt, maar komt niet verder dan twee wat magere voorbeelden: het Terschellinger vlaggetje voor intimi en de heersende fietscodes, die al snel door nieuwkomers worden overgenomen.

Hij maakt een vergelijking met Amsterdam: ook daar dreigt de populariteit zichzelf te verstikken. De Sense of Place erodeert door de almaar groeiende vraag naar gastvrijheid.

In Amsterdam hebt je het Airbnb-probleem, op Terschelling de niet te stoppen beleggingsdrift in toeristenaccomodatie.

De authenticiteit slijt en wordt voelbaar. Dit is naar het lijkt slecht herstelbaar.

Doeksen (naamgenoot en vast familie van de reder die de veerboten exploiteert en hierop het monopolie heeft) besluit met een oproep om te stoppen met verdere kustbebouwing.

Ik ben ook een enthousiast bezoeker van dit mooie eiland, maar voel me meestal niet akelig als ik het verlaat: een paar weken is geweldig, thuis wacht een comfortabel huis met weer andere voordelen en geneugten. Ik voel, net als hij, een sterke band met dit stukje Friesland maar weet evenmin wat Terschelling zo bijzonder maakt.

Is het de ruimte (de stranden zijn zo breed dat heel Nederland en Duitsland er zou kunnen liggen), zijn het de fietspaden, de afwisselende natuur, de aardige behulpzame mensen die ervan doordrongen zijn dat toeristen de voornaamste inkomensbron zijn?

Of is het het rustige levensritme (de boot is net weg, maar over een paar uur gaat er weer een) en het bijna altijd mooie weer?

Ik ben verbaasd over zijn vergelijking met Amsterdam. Daar is het inderdaad niet echt leuk meer. Het geratel van de rolkoffertjes overstemt de draaiorgels en je kunt geen vijf stappen doen zonder tegen een verdwaasde toerist aan te lopen.

Voor zover ik weet is er met Terschelling niets mis. Er is hier en daar wat nieuwe bebouwing, maar dat zijn vooral gezinswoningen voor kinderen van Terschellingers.

Ik ken twee of drie nieuwbouwlocaties waar toeristenaccomodatie is verrezen, maar die storen me niet echt. Voor zover ik weet wordt de kust onberoerd gelaten, ik weet ook niet of hij de waddenkant bedoelt of de Noordzeekust.

Het enige echt lelijke toeristenoord dat ik ken is Hotel Paal 8, maar dat staat er al jaren. De welstandcommissie zat waarschijnlijk te slapen toen de plannen voor dit nepfuturistische onding werden ingediend.

Verder is er al jarenlang controverse rondom een terrein naast café de Walvis in West. Hier heeft vroeger een fabriekje gestaan en men overweegt nu hoogbouw van drie verdiepingen. Dat zou detoneren bij de rest van de verbouwing, dus er wordt fel tegen geprotesteerd. Ik ga over een paar weken kijken hoe de stand van zaken is.

Als we praten met lokale bewoners (dat doen we als we met hen bridgen) hoor je klachten over de problemen die jonge Terschellingers hebben met het vinden van een huis, over mogelijke gaswinning en de problematiek rond de erfpacht.
Ze vertellen dat het heel moeilijk is om toestemming te krijgen voor het bouwen van een (vakantie)huis en dat alles heel erg duur is.
Ik heb ze nooit gehoord over de beleggingsdrift in toeristenaccomodatie en te veel kustbebouwing.

Het doet me deugd dat de schrijver opkomt voor de belangen van mijn favoriete vakantiebestemming, maar ik herken er niet veel van.

En ik zal bij de VVV eens informeren over die fietscodes, want ik heb al die tijd rondgefietst zonder ze te kennen.

Deze foto vergezelde het artikel in de NRC. (Wij weten natuurlijk precies waar dit is).

 

 

Goed en kwaad

We hadden een gesprek over de maatschappij waarin we leven. Mijn bijdrage had zoals gewoonlijk een hoog cultuur-kritisch gehalte. Ik heb het niet zo op deze tijd van oppervlakkigheid.

Ik weet niet meer wat de aanleiding was, misschien zagen we beelden van een stille tocht, die eindigde op een plaats waar veel speelgoedbeertjes en waxinelichtjes stonden opgesteld.

Veel mensen lopen vroom mee in een dergelijke optocht, voelen zich erg betrokken en gaan daarna weer snel over tot de orde van de dag: egocentrisch, materialistisch en nauwelijks betrokken bij het leven van anderen.

Tijdens zo’n tocht laten ze heel devoot zien hoeveel medelijden ze hebben met het slachtoffer, daarna kruipen ze weer achter hun toetsenbord en gebruiken het internet als riool.

Heel dierbaar doen over een verongelukte motorrijder (je zet uit respect een fles Johnny Walker op zijn graf), om daarna tijdens een bijeenkomst over de komst van een asielzoekerscentrum sprekers het spreken onmogelijk te maken door heel hard daar moet een piemel in te zingen. Met je kind op je schouders.

Hoe is het anno 2017 gesteld met onze moraal? Kennen we nog het verschil tussen goed en kwaad? Vragen we ons nog weleens af of het wel goed is wat we doen?

De kerk leert het ons niet meer, met onze grootouders zijn woorden als beschaving en fatsoen al lang geleden overleden.

Je doet natuurlijk aan zelfonderzoek, vraagt je af hoe het met jou en je kinderen gesteld is.

Gelukkig is er met ons niets aan de hand. Alles is picobello.

 

Ik moest denken aan de verjaardagsfeestjes die mijn vader vroeger voor ons organiseerde. Als het zover was haalde hij uit de kast een zwart cahier, dat driemaal zijn oorspronkelijk dikte had omdat het volgeplakt was met vergeelde knipsels. Het was zo versleten dat het bijna uit elkaar viel, op de kaft was een afbeelding geplakt van twee maskers: een vrolijk en een verdrietig. Later leerde ik dat dit het symbool is van drama: een lach en een traan. Ik vond de afbeelding een beetje eng.

Het schrift moet door mijn vader gedurende zijn jarenlange onderwijscarrière gevuld zijn met alle mogelijk spelletjes, raadsels en activiteiten die je met kinderen kon ondernemen.

Als ons gevraagd werd waar onze voorkeur naar uitging wilden we altijd dat ons de test voor het zedelijk oordeelsvermogen werd afgenomen.

Later bedacht ik dat dit waarschijnlijk niet eens een spel was, eerder een onderdeel van een psychologische testbatterij. Mijn vader had een goede neus voor wat kinderen interessant en spannend vonden en gebruikte hem dus om de feestvreugde te verhogen.

Waar het in de test om draaide, was dat je een hiërarchie moest aanbrengen in alle narigheid die werd aangedragen. Welke misdraging of misdaad was erger dan de andere, welke was het allerergst?

We waren doodstil als mijn vader ons het verhaal vertelde van de bergbeklimmer, die door middel van een touw was verbonden met zijn vriend en medeklimmer. De laatste viel en sleurde langzaam maar zeker zijn metgezel aan het touw richting afgrond. Om te voorkomen dat hij ook een dodelijke val zou maken pakte de eerste klimmer ten einde raad zijn zakmes en sneed het touw door. Zijn makker viel in het ravijn, zijn dood tegemoet.

Keer op keer maakte dit verhaal diepe indruk op ons.

De drogist, die een gewichtje van vijf gram onder zijn weegschaal had geplakt en hierdoor alle klanten systematisch benadeelde was in onze ogen nauwelijks een misdadiger. Klein bier vergeleken met het vermoorden van je vriend in de bergen!

De arme bergbeklimmer, die om zijn eigen leven te behouden geen andere keus had gehad eindigde natuurlijk altijd boven aan de lijst. Dit was het allerergste!
De bedrieglijke drogist stond ergens onderaan.

Mijn vader legde ons uit dat er zich in de bergen weliswaar een uiterst tragisch drama had voltrokken, maar dat de dader nauwelijks schuld trof. Als hij het touw niet had doorgesneden waren er twee slachtoffers gevallen.

De valse drogist was een veel grotere schurk: willens en wetens bedroog hij al zijn klanten, jaar in jaar uit.

Het viel niet mee dit te accepteren: voor veel kinderen zal dit de eerste keer zijn geweest dat ze zo heen en weer geslingerd werden tussen emotie en rede.

Ik neem aan dat mijn vader na dit onderdeel iets vrolijks met het kindergezelschap deed. Hij liet ons lachen en plezier maken, het zou een beetje vreemd geweest zijn als de ouders na afloop van het feestje hun kroost somber en aangeslagen zouden hebben aangetroffen.

Maar die bergbeklimmer, die hebben ze nooit vergeten.