Lokale politiek

We horen steeds vaker de noodkreet van bezorgde burgers dat op een of andere manier de kloof tussen politiek en kiezer kleiner zou moeten worden. Wie de democratische staatsvorm een warm hart toedraagt weet dat deze kwetsbaar is en dat er niet al teveel voor nodig is om hem om zeep te helpen.
Om dat risico te verkleinen moeten de burgers ervan overtuigd blijven dat zij invloed kunnen uitoefenen en dat hun stem waarde heeft. Er is geen betere manier om dit te bereiken dan hen zoveel mogelijk bij het politieke proces te betrekken.

In februari van dit jaar waren 317.000 Nederlanders lid van een politieke partij, er is sprake van een opgaande lijn waaraan vooral het Forum voor Democratie bijdraagt, maar ook Groen Links.
Dit is bemoedigend, ik was nieuwsgierig hoe plaatselijke politiek er in de praktijk uitziet.

Ik bezocht een regionale bijeenkomst van Groen Links, waar leden hun mening konden geven over het voorlopige verkiezingsprogramma voor de Provinciale Staten (maart 2019).

Een commissie had voorwerk verricht, de aanwezigen konden suggesties inbrengen of wijzigingen voorstellen. Uiteindelijk beslist de Algemene Ledenvergadering over de uiteindelijke tekst.

De aftrap werd verzorgd door Mennobart van Eerden, een bioloog in dienst van Rijkswaterstaat, die een fantastisch verhaal vertelde over de ontstaansgeschiedenis van de Oostvaardersplassen en de beheerskwesties die hiermee verband houden.

Het is een feest om iemand die echt deskundig is te horen spreken.
We leerden dat dit natuurgebied een heel bijzonder fenomeen is dat zijn weerga in Europa niet kent, vooral vanwege de schaalgrootte. Het is een groot ecologisch systeem, waarin alle elementen (flora en fauna) een eigen rol spelen en inwerken op elkaar.
De Oostvaardersplassen staan op dit moment sterk in de belangstelling, omdat er zeer verschillend gedacht wordt over het beheer. Er is een stroming die vindt dat de natuur hier volkomen moet worden vrijgelaten, anderen beschouwen het als een vorm van dierenmishandeling dat niet ingegrepen wordt als dieren verkommeren.

 

Volksvertegenwoordigers van Groen Links moeten natuurlijk in de Provinciale Staten hierover een standpunt innemen, en zij moeten zich laten leiden door het verkiezingsprogramma. Hierin hebben de kiezers kunnen lezen wat de positie van GL in deze discussie is.

Er waren enkele deskundigen aanwezig die na de inleiding hun mening gaven. Ze gingen in debat met de programmacommissie, die een aantal voorlopige uitgangspunten op papier had gezet. Er was discussie over de term “de natuur zoveel mogelijk zijn gang laten gaan” en het voornemen zich vooral te laten leiden door wetenschappelijke inzichten. Blijkbaar zitten wetenschappers niet allemaal op dezelfde lijn.
Het werd duidelijk dat er spanning is tussen natuur en boerenbedrijf, er klonken suggesties om biologische landbouw samen te laten werken met Staatsbosbeheer.

In kleinere groepjes werd vervolgens gediscussieerd over andere belangrijke onderwerpen op het gebied van economie, ruimtelijke inrichting, landbouw en energietransitie.

Nadat de zittende Provinciale Staten-leden van GL verslag hadden gedaan van hun activiteiten gedurende deze zittingsperiode (met een fractie van twee is je invloed beperkt, maar er valt regelmatig toch wel een deal te maken) brachten de discussiegroepjes (die natuurlijk met flappen uiteen waren gegaan) verslag uit aan elkaar.
De programmacommissie beloofde de inbreng mee te nemen in het uiteindelijke voorstel.

Ik vond het boeiend om te zien dat er een aanzienlijk aantal burgers bereid is een vrije zaterdag te spenderen aan het samen vorm geven aan de plaatselijke politiek.
Onze democratie is in goede handen.

 

Nu maar hopen dat de opkomst op 20 maart goed is en dat kiezers zich door het programma van Groen Links aangesproken voelen.

Leonardo

We gingen naar Haarlem, naar de tentoonstelling over Leonardo daVinci.

Je moest via internet een kaartje kopen en kreeg een tijdstip toegewezen waarop je mocht komen. Bij ons was dat 16.00 uur.
Om je bezoek nog wat aantrekkelijker te maken kon je een combinatiekaartje kopen, voor Teylers museum en het Frans Halsmuseum, waar een expositie was ingericht “Frans Hals en de modernen”.

Aangezien we ons niet gerealiseerd hadden dat het Frans Halsmuseum twee locaties telt dwaalden we enige tijd rond te midden van naargeestige moderne kunst op zoek naar de bijzondere expositie.

Uiteindelijk hielp de suppoost ons uit de brand: we moesten bij de andere vestiging zijn. Hij vertelde dat hij dit verhaal wel honderd keer per dag moest vertellen, we waren dus niet de enigen die zich vergist hadden.

Een wandeling van 10 minuten bracht ons op de juiste plek. Zoals wel vaker gebeurt vond ik de inleidende video nog het interessantst.
Frans Hals was een groot schilder, geniaal in het gebruik van zijn kwast. Hij is heel vaak geïmiteerd¹.

Deze vonden we het mooist²:

Om vijf voor vier kwamen we bij het Teijlers museum aan, een braaf Natuurhistorisch museum dat nu goud heeft aangeboord door een aantal werken van Leonardo daVinci tentoon te stellen.
Er stond een lange rij, het duurde nog twintig minuten voor we naar binnen mochten.

De tentoonstelling viel me tegen: drie tamelijk donkere zalen, waarvan een gevuld was met werk van na-apers. Ik heb amper kunnen genieten van de daVincis omdat het heel erg druk was. In een situatie als deze zoek ik het liefst terstond de uitgang weer op. Maar ja, je bent helemaal naar Haarlem gekomen, dus ik schuifelde wat rond en probeerde een glimp op te vangen van de fascinerende werken.
Deze vond ik het mooist:

Mijn advies: ga nooit naar een expositie die veel aandacht in de media heeft gekregen.

De volgende keer zoeken we weer een klein museumpje op met een receptionist die blij is met je komst en een slaperige suppoost die de wacht houdt in een verder lege zaal.

 

Leonardo daVinci in het Teylers museum      6

¹ Pyke Koch ontwierp deze postzegels:

² Vissersjongen in een landschap en Lachende jongen 

De postzegels van meneer P.

Sommige klussen zijn zo leuk dat je het jammer vindt als ze zijn geklaard.
Zo moest ik eens de vloer van mijn vliering aanleggen. Mijn maatje gaf de op maat gezaagde planken aan en ik spijkerde ze vast op de dwarsbalken. Ik had een hele doos met spijkers en de hamer lag voortreffelijk in mijn hand.
Toen ik de laatste plank had vastgespijkerd zou ik het liefst de hele vloer eruit halen om opnieuw te beginnen.

Ik heb nu de ambitie mijn bescheiden postzegelverzameling aan te vullen tot ik de eerste 1000 compleet heb.
Ik struin internet af en koop voor enkele euro’s zakken vol postzegels, die ik dan gretig doorvlooi op zoek naar dat steeds zeldzamer wordende pareltje: een zegel die ik nog niet heb.
Deze klus is natuurlijk ook eindig: er komt een moment dat er geen enkele nieuwe meer bijzit en de doos waarin ik de dubbelen bewaar te klein wordt.

Ik zal op zoek moeten naar een andere strategie, maar het idee om de missende zegels gewoon te kopen stuit me tegen de borst.  De lol van het ontdekken is er dan af.

Ik liet me dus nog eenmaal verleiden door een mooi aanbod op Marktplaats. Het ging om een schoenendoos vol Nederlandse zegels. De verkoper vroeg oorspronkelijk €50,- maar was ook tevreden toen ik vertelde dat ik er de helft van dat bedrag voor over had.
Om de een of andere reden had ik me voorgesteld dat ik van doen had met een oude heer, misschien omdat hij aangaf de spullen niet te willen opsturen en dat ik ze moest komen halen. Hij gaf een adres op een van de grachten van Amsterdam op en we spraken af dat ik mijn aankoop de daaropvolgende zondag  zou komen ophalen.

Op het aangegeven adres bleek een hotel te zijn gevestigd, we gingen naar binnen en moesten een lange gang door waarvan muren en vloer bedekt waren met marmer.

We werden heel vriendelijk ontvangen en moesten even wachten in de huiskamer, waar we aan de praat raakten met een van de eigenaars van het hotel, de echtgenote van de verkoper.

Die bleek geen oude heer, maar was de beheerder van het hotel die bezig was de nalatenschap van zijn schoonvader op te ruimen en daarbij op de postzegels gestuit was.

Toen ik de schoenendoos opende zonk de moed me in de schoenen. Niet alleen was hier sprake van onafgeweekte postzegels (bij verzamelaars is dit de minste categorie, niet voor niets kilowaar genoemd die voor heel weinig geld van de hand gaat), ze kwamen bovendien bijna allemaal uit het buitenland.
De verkoper had zich niet druk gemaakt over mijn voorbehoud dat ik uitsluitend was geïnteresseerd in afgeweekte Nederlandse guldenzegels.

Bij thuiskomst bleek er niet één voor mij bruikbare zegel in de schoenendoos te zitten. Wat alles echter goedmaakte en ervoor zorgde dat mijn tocht naar Amsterdam niet voor niets geweest was waren de andere spullen die kennelijk bij de koop waren inbegrepen. De verkoper had de verzameling van zijn schoonvader bij elkaar gezet en wilde graag dat ik alles meenam.

Dat wilde ik maar al te graag en toen ik thuis alles rustig bestudeerde kwam een prachtig stukje geschiedenis op postzegelformaat boven water.

Aan de hand van de nagelaten verzameling kon ik een gedeelte van het leven van meneer P. reconstrueren.

 

Meneer P. werd omstreeks 1938 geboren en woonde aanvankelijk aan de Willem de Zwijgerlaan. Is het zijn vader geweest die destijds een enveloppe stuurde die meeging met de eerste trans-atlantische vlucht in 1946?

Misschien is hierdoor wel zijn belangstelling voor vliegen gewekt, want we weten dat hij in 1965 purser was bij de KLM en woonde op de Rijpgracht. In deze functie heeft hij waarschijnlijk overal kennissen opgedaan, een ervan stuurde hem vanuit Paramaribo regelmatig bijzondere Surinaamse zegels. Waarschijnlijk stuurde hij Nederlandse terug.

Het zou heel goed kunnen dat hij een oom had die in Haarlem woonde en daar lid was van een postzegelclub. Meneer P. was in het bezit van twee schriftjes waarin postzegels waren geplakt die destijds (begin jaren 60) rondgingen bij de leden van de club, die “Op hoop van zegels” heette.

Waren de twee stockboekjes waarin je de postzegels bewaart die je dubbel hebt en die je meeneemt naar andere hobbyisten ook van zijn oom?

Misschien heeft deze oom hem wel ingewijd in de geheimen van de filatelie. We weten dat P.  speciale zegels heeft laten komen of aangeschaft: van het Vaticaan (1963), de keizerlijke familie van Japan (1959) en de eerste man op de maan (1969).

We treffen honderden buitenlandse zegels aan, uit alle mogelijke landen, maar vooral veel uit Amerika, gestempeld en ongestempeld. Het zou heel goed kunnen dat hij hier vaak op vloog.

Intussen verzamelde hij vele jaargangen Nederlandse kinderpostzegels.

Het lijkt erop dat meneer P. rond 1970 manager werd van een hotel aan de Amsterdamse Leidsegracht. Zou het kunnen dat hij getrouwd is met de eigenaresse? Feit is dat zijn dochter en schoonzoon daar nu nog wonen, zij bestieren het hotel nu.

In zijn functie van hotelmanager ontving P. natuurlijk honderden brieven uit alle mogelijke delen van de wereld. We zien enveloppen of delen ervan uit de periode 1967-1980. Je realiseert je dat in die jaren de brief het voornaamste communicatiemiddel was. Als je een hotel wilde reserveren ging dit per post. E-mail was er nog niet en ik vermoed dat telefoneren nog erg duur was.

Heel veel enveloppen zijn overdadig voorzien van postzegels en stempels. Het zou best eens kunnen dat hotelgasten op de hoogte waren van P.’s hobby en hem op deze manier van nieuw materiaal voorzagen.

Meneer P. schafte in 1977 een catalogus aan van Nederlandse postzegels en begon een verzameling. Af en toe bezocht hij postzegelhandel van Berkel’s, aan de Spuistraat.
Het resultaat is niet indrukwekkend. De jongste zegel is uit 1982, het ziet ernaar uit dat hij snel daarna gestopt is.

Hier worden we geconfronteerd met een raadsel: heeft meneer P. al die jaren tamelijk lukraak postzegels verzameld en is hij er amper aan toe gekomen er enige ordening in aan te brengen? Heeft hij wellicht grote plannen gehad, maar te weinig tijd om ze uit te voeren?
Feit is dat zijn verzamelwoede geresulteerd heeft in een collectie van duizenden zegels, waarvan er vele nog niet afgeweekt zijn en die allemaal door elkaar zitten.
Of hebben we nu slechts de beschikking over het ongesorteerde “randgebeuren” en bevindt zijn echte, goedgeordende verzameling zich elders?

En ten slotte: waarom zien we niets van na 1985? Had hij geen zin meer? Of zag hij door de bomen het bos niet meer? Had hij misschien problemen met zijn gezondheid? We zullen er nooit achter komen.

 

We weten dat meneer P. niet lang geleden overleden is, zijn erfgenamen houden zich nu bezig met het opruimen van zijn nalatenschap.
Het hotel, een prachtig 17e eeuws pand, bestaat nog steeds, er zijn vier prachtige kamers die  tot oktober 2019 al volgeboekt zijn.

Ervoor staat het beroemde bankje uit de film The Fault In Our Stars. Er hangt een dozijn liefdesslotjes aan…

 

 

 

 

 

 

 

 

Zwemmen met Wilders III

 

Beste A.

Het ging weer van dik hout zaagt men planken afgelopen dinsdag. De waterspiegel van het zwembad zakte twee centimeter als gevolg van ons verhitte debat.

Ik begin een patroon te ontdekken in je argumentatie: je somt achter elkaar misstanden op (die bijna altijd niet te ontkennen zijn) en gooit voor het gemak alle “daders” of verantwoordelijken op een hoop: in de eerste plaats natuurlijk de Islam en al zijn volgers, moordenaars in Zuid-Afrika, Marokkaanse straatschoffies, fraudeurs, anti-pieten, de policor-beweging in de VS en de verkrachters in Engeland.

Wie het met je eens is dat er veel fout gaat in de wereld moet het automatisch ook met je eens zijn dat alleen een sterke man uitkomst kan bieden.
De grenzen moeten dicht (bewaakt met mitrailleurs), alle Moslims terug naar hun eigen land en wie dat niet wil moet maar van grote hoogte uit een helikopter geworpen worden.

In jouw optiek zou het gezond verstand meer moeten heersen, zijn Trump, Wilders en Orban fantastische politici en behoren alle mensen die het niet met je eens zijn tot een linkse elite van wegkijkers en ontkenners of maken deel uit van een complot tegen Wilders-stemmers zoals jij.

Heel vaak berust je argumentatie ook op het terugkaatsmodel. Als ik kritiek hebt op Trump wordt onmiddellijk Clinton van stal gehaald (Lewinsky-affaire) en als ik zeg dat Wilders ondemocratisch is begin je over Europa, waar van alles mee mis is.

Het is heel moeilijk nuance aan te brengen, volgens jou is alles heel simpel. Je gebruikt stoere taal en generaliseert voortdurend.

Het lijkt erop dat je door zo feilloos de vinger te leggen op alles wat mis is in de wereld je wel gelijk moet hebben.
Jammer genoeg komt het nooit zover dat je een werkbaar beleid formuleert en negeer je het argument dat Wilders alleen maar roept en schopt en nooit met constructieve ideeën komt die mogelijk een bijdrage zouden kunnen leveren aan het verkleinen van de problemen.

Ik constateer dat je je vooral laat leiden door angst en dat je je ideeën voornamelijk baseert op bronnen die bepaald niet objectief genoemd kunnen worden.

Iedereen heeft last van tunnelvisie: je bent het meest geïnteresseerd in informatie die jouw denkbeelden bevestigt. Ik constateer dat ook bij mezelf.

Mijn standpunt is, dat er inderdaad grote reden is tot zorg. Ik ben echter niet zo bang voor de grote instroom van Islamieten (onze samenleving kan wel een stootje hebben), eerder voor het gevaar van generaliseren (niet alle Moslims zijn terrorist), racisme en de fascistische elementen in de retoriek van leiders.
Onze democratie en rechtsstaat staan onder grote druk, omdat mannen als Wilders en Trump systematisch het wantrouwen van de mensen voeden.
Een van de belangrijkste pijlers van een democratische, rechtvaardige samenleving: de vrije pers en vrijheid van meningsuiting wordt onophoudelijk ondermijnd. Denk aan Amerika (Trump houdt niet op elk persorgaan dat hem niet welgezind is te veroordelen), Polen, Hongarije, Rusland, Turkije, Brazilië en bijna alle Islamitische staten.

 

Tot slot: ik maak me ook zorgen over het gebrek aan mededogen en fatsoen.
Wat minder grote bekken graag en meer ruimte voor eerlijkheid, idealisme en solidariteit.

 

Ik noemde je een witte, bange, domme man.

Wit en bang ben je zeker, maar je bent natuurlijk niet dom. Toen ik dat zei maakte ik me ook schuldig aan generaliseren.

Ik vind het van groot belang dat mensen blijven praten, want je ziet steeds vaker dat iedereen alleen nog luistert naar geluiden uit zijn eigen bubble.

Komende dinsdag pakken we ons natte debat weer op!

Groet,

Martin

 

 

 

 

Postzegels II

Sinds kort ben ik aangestoken door het postzegelvirus.

Ik wist al dat er in de loop der tijd af en toe grafische hoogstandjes zijn verricht met de piepkleine waardepapiertjes (van Krimpen en Crouwel ontwierpen heel mooie) maar had me er verder nooit in verdiept.

Een pakketje van 1000 Nederlandse postzegels dat ik in een vlaag van hebberigheid op internet bestelde bracht de ziekte op gang. Naast heel veel lelijks stuitte ik af en toe op juweeltjes.
Ik besloot me verder te verdiepen en schafte een catalogus aan, waarin alle Nederlandse postzegels chronologisch worden vermeld.
De eerste dateert uit 1852 en de laatste (in deze catalogus), nummer 3478, werd in 2016 gedrukt.

Er verschenen vooral in de periode 1930-1980 veel nieuwe postzegels, omdat er veel vraag naar was. Daarna nam het aantal nieuw uitgegeven zegels fors af. Het is niet moeilijk te raden hoe dat komt.

Ik besloot een verzameling aan te leggen, schafte een map aan voorzien van bladen met doorzichtige vakjes en begon mijn stapel van 1000 zegels te schiften.
Wat is dat een leuk werkje! Het lijkt een beetje op schatgraven. Temidden van allerlei zegeltjes die je al kende tref je ineens een bijzonder exemplaar aan, dat je goed bekijkt onder de loep en vervolgens opzoekt in de catalogus. Dan stop je het voorzichtig in de map.

Ik ben me ervan bewust dat tallozen mij voor gingen wier lust in het verzamelen al snel verdween en op menig zolder ligt een enthousiast begonnen verzameling stof te vangen.
Dat gaat mij niet gebeuren!

Omdat er miljoenen postzegels zijn gedrukt is het zaak je collectie goed af te perken.
Ik besloot alleen de eerste 1100 Nederlandse zegels systematische te verzamelen, van de periode erna bewaar ik alleen wat ik mooi vind. En geen euro-zegels!

In de praktijk kwam het erop neer dat ongeveer een derde van de grote berg zegels een plekje in mijn album vond. De rest bestond uit dubbelen of vond ik niet mooi.

Na dagen sorteren (ik kocht via Marktplaats nog een flinke partij….) heb ik nu een mooie verzameling.

Dit waren mijn wederwaardigheden:

  • De oudste zegels zijn niet echt mooi: ze zijn nogal klein en er staan alleen maar vorsten op of getallen. Het is natuurlijk wel fascinerend zo’n stukje papier in handen te hebben: welke geschiedenis zou eraan kleven?
    De meeste zijn behoorlijk zeldzaam, van de nummers 1-100 heb ik er pas 13.
    (Je kunt ze wel kopen, maar ze zijn erg duur. Het zegeltje van 25 ct met koning Willem III uit 1867 kost €125.000). Gek genoeg hoef je voor andere zegeltjes, zoals dat van Prinses Wilhelmina uit 1891 (5 ct), maar €0,30 neer te leggen.
    Waarschijnlijk zijn er daarvan heel veel uitgegeven, ik heb een heel stapeltje.
  • Op elke zegel staat Nederland. Dat woord heb ik de laatste tijd dus heel erg vaak gelezen.
  • Ik houd van de Art Deco-stijl, in de jaren 20 werden veel mooie postzegels met deze stijl ontworpen.
  • Ik heb de Vliegende Duifserie (1925) helemaal compleet. Prachtig.
  • Je steekt nog eens wat op als je in deze materie duikt, bijvoorbeeld op het gebied van kleuren. De aanduidingen in de catalogus zijn zo precies mogelijk, je vindt dus beschrijvingen als lilaroze, ultramarijn, olijfgroen, resedagroen, turkooisblauw, vermiljoen en karmijn.
    Kleuren komen vooral mooi tot uiting in lange series, zoals die van koningin Juliana.
  • Een enkele keer kom je een driehoek tegen, maar de meeste zegels zijn rechthoekig of vierkant.
  • Nederlanders zijn zuinig: verschillende series zijn door middel van een overdruk voorzien van een nieuwe waarde. Apart, maar niet mooi natuurlijk.
  • De meeste postzegels zijn gestempeld. Ze zijn op deze manier ongeldig gemaakt. Vaak is het stempel nogal ontsierend, een enkele keer kan je amper zien welke zegel je voor je hebt. Toch kijk je er op den duur doorheen en ben je blij als je een exemplaar gevonden hebt at je nog niet had. Gestempeld is altijd nog beter dan niets.
    Soms zijn ze ongestempeld (postfris of ongebruikt). Dat is natuurlijk het mooist.
  • De hoofden van vorsten (die heel vaak als afbeelding gebruikt worden) zijn doorgaans en profil afgebeeld, een enkele keer en face.
  • Naast koningen en koninginnen vind je heel veel andere belangrijke personen. Ik noem ze oude knakkers en kan ze moeilijk uit elkaar houden.
  • Ik kwam talloze zegels tegen met Juliana erop, ik herinner me die nog heel goed van vroeger, ze zaten op elke brief.
    Ik realiseer me nu pas hoeveel verschillende waarden er waren. Wat zijn de kleuren mooi! (37, 80 en 85 ct)

 

• Als je de catalogus doorbladert zie je steeds minder mooie zegels, tot je ineens op de Crouwel-zegels stuit (1976). Die zijn grafisch heel sterk.

• In 1987 verscheen een serietje vrouwen in mannenberoepen. Toen was een vrouwelijke matroos of piloot dus nog kennelijk heel apart…..


  • Een enkele keer overlapt de ene hobby een andere: ik zie ineens Kuifje op de maan en even later de Brandaris!
  • Heel af en toe dook er tussen al de oude zegels eentje op met een exotisch tintje: zegels uit de overzeese gebiedsdelen of uit Nederlands Indië.
    De verleiding is groot de grenzen van mijn verzameling iets op te rekken.
  • Toen ik mijn zoon vertelde over mijn nieuwe hobby zuchtte hij diep. Hij kan geen goede sier maken met een vader die zo’n belegen hobby heeft. “Kan je niet iets normaals doen?”
    Om aan zijn bezwaren tegemoet te komen overweeg ik te gaan paragliden of motorcrossen. Tot die tijd zit ik veilig aan tafel met mijn loep en pincet.

 

Postzegelen is verslavend. Ik snuffel op Marktplaats en Catawiki rond en heb nu ook een paar mooie series kinderzegels voor heel weinig geld op een verzamelaarsbeurs gekocht. Postfris!
Ik kijk reikhalzend uit naar de postbode. Als die een pakje brengt ben ik weer uren zoet.

      

 

Op Netflix: The Vietnam War

Toen ik in de hoogste klas van de middelbare school zat deed ik eens mee aan straattoneel. Dat fenomeen was vrij gebruikelijk in die tijd, de bedoeling was dat het publiek participeerde in de voorstelling en ik improviseerde naar hartenlust enkele minuten mee.

Het onderwerp van de voorstelling was de oorlog in Vietnam. Die werd door de reguliere spelers veroordeeld en we werden uitgenodigd met hen Amerika er van langs te geven.

In diezelfde tijd had mijn zus op de kweekschool een liedje geleerd waarvan “Wij zaaien rijst, dat is ons voedsel” een belangrijk zinnetje was. Het liedje ging over Vietnamezen die hunkerden naar vrede.

Wikipedia geeft als begindatum van de oorlog in Vietnam 1 november 1955 aan, ik was toen net één dag oud. Men doelt hier op de Amerikaanse betrokkenheid, want de Vietnamezen voerden al langer strijd tegen de Franse overheersing.
De Fransen leden een magistrale nederlaag in Dien Bien Phu en vanaf dat moment verschenen de Amerikanen op het toneel, eerst als adviseurs, later als oorlogvoerende partij.

De presidenten Kennedy, Johnson, Ford en Nixon stuurden grote aantallen jonge Amerikanen naar het front, uiteindelijk werden het er 543.000, waarvan velen dienstplichtig waren.

Nixon beëindigde de oorlog, die tot 30 april 1975 duurde.

Tweeëneenhalf miljoen Vietnamezen en ruim 58.000 Amerikanen verloren het leven.

Op Netflix is een schitterende documentaire van Ken Burns en Lynn Novick over de oorlog te zien, in tien afleveringen van in totaal 18 uur. 80 Mensen worden uitvoerig aan het woord gelaten, zowel Vietnamezen als Amerikanen. Daarnaast wordt veel oorspronkelijk filmmateriaal vertoond.

Ik zag de documentaire en herkende veel: het Ton-kin incident, My Lai, Agent Orange, B52’s, Jane Fonda en Ho Chi Minh.
Ik herinnerde me heel goed de beelden van de negenjarige Thi Kim Phuc, die naakt wegrent nadat ze door napalm getroffen is en van een standrechtelijke  executie bij klaarlichte dag door een hoge Vietnamese politiefunctionaris.

Toch was er ook heel veel wat ik nog niet wist, of nooit bij stil had gestaan:

  • De Amerikaanse presidenten speelden een walgelijk politiek spelletje, waarin de Amerikaanse burgers stelselmatig misleid of voorgelogen werden. Voor Nixon was zijn herverkiezing veel belangrijker dan het beëindigen van het bloedvergieten.
  • De Amerikaanse soldaten waren zo jong! Een van de veteranen, die destijds leiding gaf vertelde dat het met 19 jaar eigenlijk nog kinderen waren.
    Op een gegeven moment kwamen studenten in aanmerking voor de dienstplicht als hun schoolresultaten onder de norm waren.
  • Verreweg de meeste “draftees” kwamen uit de lagere klassen, er waren buitenproportioneel veel zwarten bij. Rich kids wisten meestal de dans te ontspringen.
    Trump doorliep een militaire school en deed veel aan sport, maar werd voor Vietnam op medische gronden afgekeurd.
    (Desondanks veroordeelde hij senator McCain – die acht jaar krijgsgevangene was geweest – met de opmerking dat hij meer op had met mensen die zich niet krijgsgevangen lieten maken).
  • De tragiek van de teruggekomen soldaten: hun vaders waren destijds gelauwerde veteranen uit WO II, zij werden met de nek aangekeken.
  • De enorme verdeeldheid die er in Amerika was. Er werden zelfs tijdens protestmanifestaties mensen door soldaten doodgeschoten.
  • Wat een geweldige muziek er toen gedraaid werd! Van veel nummers wist ik niet dat ze over Vietnam gingen, bijvoorbeeld We gotta get out of this place van the Animals.

Een magistrale documentaire, zeer zeker een aanrader.