John le Carré

De leraar die ons Engels gaf in 4A2 vond het een goed idee om met de klas een roman te lezen. Hij koos voor The Spy Who Came in from the Cold van de Engelse Schrijver John le Carré.

Als het boek maar interessant genoeg is zullen leerlingen er alles aan doen te begrijpen wat ze lezen.

Ik vond het heel erg spannend en was vrij goed in staat het Engels te begrijpen.

 

In mijn boekenkast staan nu al le Carré’s romans (hij schreef er tot nu toe 26), en zijn biografie. Zijn nieuwste boek is net uit.

De schrijver werd geboren in 1931 en werkte ooit zelf bij de geheime dienst. Zijn boeken spelen zich vaak af in de Oostbloklanden en geven een goede inkijk in de modderige wereld van spionage en contraspionage.

Dat is geen fijne wereld: eigenlijk kan je niemand vertrouwen en als je betrapt wordt zit je diep in de ellende.

 

Agent Running in the Field zou best eens le Carré’s laatste boek kunnen zijn, hij is al 90.

Ik las dit boek tijdens mijn bezoek aan Berlijn, waar we ook Checkpoint Charlie bekeken. Deze grensovergang speelt vaak een rol in le Carré’s boeken, maar heeft vandaag de dag niets sinisters meer. Het is nu een toeristen-val geworden.

 

De schrijver is met zijn tijd meegegaan. Hij begon over de Koude oorlog toen het communisme nog de grootste vijand van de Vrije Wereld was. Later schreef hij ook over andere thema’s, zoals terrorisme, multinationals en gewetenloze handelaren.

In Agent Running steekt hij niet onder stoelen of banken wat hij van Brexit en Trump vindt.

Een van zijn karakters werpt op een gegeven moment de legitieme vraag op: kunnen we nog wel zeggen dat we voor de ”goede” kant vechten? Kunnen we nog spreken van de Vrije Wereld waarvan de democratische waarden verdedigd moeten worden?

Le Carré is een heerlijke schrijver, zijn plots zijn strak en kloppend, zijn personages levensecht en invoelbaar.

Ik hoop dat hij nog een tijdje door kan gaan.

 

Agent Running in the Field           8

 

 

 

Berlijn

We brachten een bezoek aan onze zoon in Berlijn. Hij loopt daar stage. We reisden per trein en bleven drie dagen.

Berlijn is een fijne stad. Het is er druk, maar nergens overvol en de meeste mensen waren aardig.

De Gedächtniskirche maakte een grote indruk op mij. Er is denk ik geen beter symbool denkbaar voor de verschrikkingen van de tweede wereldoorlog.

Er is in de jaren vijftig een nieuwe kerk naast de ruïne gebouwd, de wanden zijn van opengewerkt beton. In de openingen zit dik blauw glas. Er hangt een schitterend goudkleurig Christusbeeld. Heel indrukwekkend.

Bas heeft een tijdelijke slaapplaats in een woning waar nog enkele huisgenoten vertoeven. Het is niet veel maar het voldoet. We hebben ook zijn werkplek gezien: een ruimte in een kantoorgebouw waarin veel kleine ondernemingen en startups zitten. Zijn baas was heel tevreden over hem.

Voetgangers moeten wachten als het rode mannetje zichtbaar is en kunnen gaan lopen bij groen licht. De meeset Berlijners houden zich hieraan.

Het was een gouden greep dat we vooraf twee go-as-you-please tickets hadden aangeschaft. We konden op elke bus, tram en metro stappen zonder ons te hoeven bekommeren om geldige kaartjes. Wij moesten onze tickets op de eerste dag activeren, daarna zouden ze 72 uur geldig zijn. Ze gaven ook toegang tot musea.
Ik zag kans het mijne te verknoeien door het tweemaal af te stempelen. Gelukkig heeft het geen problemen opgeleverd.

We hebben de dagen ten volle benut: we bezochten twee musea, hebben Checkpoint Charlie geïnspecteerd en zijn ook in de koepel op de Rijksdag geweest. In de buurt hiervan zijn ook gedenkplekken voor de omgebrachte joden, zigeuners en homo’s.

Verder zagen we de Brandenburger Toren (en herinnerden ons de filmbeelden van een triomfantelijke Hitler die er onderdoor reed) en de Siegesaule. De gouden vleugels van de engel blonken in het zonlicht.

De Fernsehturm is van alle kanten te zien, hij is dan ook 360 meter hoog.

We aten twee keer met Bas in een opgeknapte markthal. Hierin bevonden zich allemaal eettentjes en voedselwinkels. Er heerste een gezellige huiselijke sfeer, die bewerkstelligd werd door het meubilair dat rechtstreeks uit de kringloopwinkel leek te zijn gekomen.
De Duitsers zijn een vleesminnend volk. De porties bevatten vooral veel vlees en aardappelen, groente werd in prettig kleine porties opgediend.

Wat me opviel in de talloze opschriften (in het Duits en in het Engels) is dat de Duitsers geen enkele reserve hebben in het vermelden van de gruwelen van de oorlog en in het nemen van de verantwoordelijkheid daarvoor.

Ik las gedurende de reis het nieuwste boek van John leCarré. Hierin komt een man aan het woord die erg op Duitsland gesteld is. Hij zegt: “What other country had ever repented its crimes to the world? Had Turkey apologized for slaughtering the Armenians and Kurds? Had America apologized to the Vietnamese people? Had the Brits atoned for colonizing three-quarters of the globe and enslaving numberless of its citizens?”

Ik ben het met hem eens.

We hebben bijna altijd een zitplaats in de bussen en metro’s waar we instappen. Een mannenstem geeft het advies ons goed vast te houden: “Hold on tight during the ride”, waarin hij het laatste woord uitspreekt als right. Het rijmt leuk, maar is natuurlijk geen correct Engels.

Het Checkpoint Charlie is inmiddels geheel overgenomen door de commercie. In een gigantische winkel worden allerlei souvenirs verkocht, je kunt ook stukjes van de Muur kopen. In een werkplaats zie ik twee jongens stukjes beton op kaartjes plakken.

Een klein fragment kost al gauw 10 euro, er liggen zelfs brokken die het honderdvoudige hiervan moeten opbrengen.

Op de meeste brokstukken zijn restjes graffiti te zien. Uiteraard wordt de authenticiteit hier zonder meer door gewaarmerkt.

Buiten verkoopt een Turk nep-russische hoofddeksels. Bontmutsen en zwieppetten met indrukwekkende ordetekens. Het zou me niet verbazen als ze in China gefabriceerd zijn.

Op de Rijksdag, het gebouw waar het Duitse parlement vergadert, is een koepel gebouwd die je mag betreden. Een looppad spiraalt omhoog en helemaal bovenaan heb je een indrukwekkend uitzicht op Berlijn. Vanuit de koepel kijk je neer op de grote vergaderzaal.


We zijn er samen met een Franse schoolklas,  de leerlingen hebben meer aandacht voor elkaar en de selfies die genomen moeten worden dan voor deze historische plaats.

In Osnabrück herkent een afhaler een reiziger die uit onze trein stapt. Ik probeer de uitdrukking op zijn gezicht te benoemen: blij? opgetogen? Ik kom uit bij het mooie woord verheugd.

Ik ben er niet achtergekomen waar  je nu eigenlijk voor gewaarschuwd wordt.

Berlijn is een heel fijne stad. We hebben lang niet alles gezien, dus moeten nog minstens een keer terug.

Geert Mak’s grote verwachtingen

Ik las In Europa van Geert Mak enkele jaren geleden en was er heel enthousiast over.
Toen bleek dat er een vervolg kwam nam ik mij daarom natuurlijk voor dit zo snel mogelijk aan te schaffen.

Ik heb Grote verwachtingen inmiddels uit en het was geen teleurstelling.

In 14 hoofdstukken vervolgt Mak zijn verhaal nadat hij bij de eeuwwisseling gestopt was. Hij schrijft over de eerste twintig jaren van de 21e eeuw en eindigt bij het heden (hij neemt de opkomst van Trump en de Brexit nog mee).

 

Mak beschrijft de gebeurtenissen en schuwt ook niet er regelmatig een persoonlijke noot in te laten klinken.
Hij bezoekt vrienden in Europa die hij eerder ook al aan het woord liet. Hoe is het nu met hen? Hoe hebben ze de laatste twintig jaar ervaren?

Het viel me op dat ik veel zaken die Mak aanroert herkende. Ik herinner me dat er in het nieuws volop over gepraat werd, maar het was nu voor het eerst dat ik alles overzichtelijk gepresenteerd kreeg, voorzien van deskundig commentaar en geplaatst in een bredere context.

Op zo’n moment realiseer je je dat je braaf elke dag de krant kunt lezen en het Journaal kunt kijken en dat erg veel je toch nog ontgaat. Geschiedenis is ook lastig te begrijpen als je er midden in zit.

Een voorbeeld: ik heb me nooit gerealiseerd hoe dicht we tegen een echte crisis, misschien zelfs wel ineenstorting hebben gezeten tijdens de financiële crisis van 2008.
Je las over banken die dreigen om te vallen, financiële reddingsplannen en eisen die gesteld werden aan landen die op hulp waren aangewezen. Maar je eigen kleine leventje ging door en je dacht dat alles wel op z’n pootjes terecht zou komen.

De grote kracht van Mak is, naast zijn persoonlijke toon, dat hij alle informatie met elkaar verbindt en steeds laat zien hoe alles paste in de grote geschiedenis van het verenigd Europa.

Op een enkel punt zaagt de schrijver wel erg dikke planken. Zo stelt hij de onderwijssituatie in zijn Friese woonplaats wel wat simplistisch voor: zijn vriend de onderwijzer functioneerde geweldig, maar werd flink tegengewerkt door leidinggevenden die het geld niet ten goede lieten komen van de leerlingen maar er dure etentjes van betaalden. En dan stelden ze ook nog een directeur aan die geen Fries sprak…

Voor mij was het een eye-opener te lezen welke geweldige rol Duitsland heeft gespeeld in de vluchtelingencrisis. Ik wist dat natuurlijk van het “Wir schaffen das” van Merkel, maar heb me onvoldoende gerealiseerd hoe fantastisch grote delen van de Duitse bevolking zich hebben opgesteld. Het maakte indruk op me toen ik las dat er 6000 mensen bijeen waren geweest op een protestbijeenkomst tegen migratie, maar dat er enkele dagen een tegenmanifestatie was met 65.000 deelnemers. #wirsindmehr.

 

Ik schreef al eerder over de televisieserie die nu nog loopt: interessant, maar de betrokkenheid van Geert Mak is wat mij betreft onduidelijk (in ieder geval lang zo groot niet als bij de eerste serie).

 

Grote verwachtingen van Geert Mak                             9

 

 

Onzinstuk over onderwijs in de Volkskrant II

Ik stuurde een brief aan de Volkskrant. Hierin spuide ik mijn kritiek op het slechte artikel over een school in Rotterdam in de krant van dinsdag.

Mijn inzending werd niet geplaatst, er waren wel twee andere reacties:

De eerste briefschrijver is er van overtuigd dat het veel beter met het onderwijs zou gaan als je maar zorgt voor voldoende gemotiveerd personeel, beschikt over een efficiënt leerlingenvolgsysteem en gratis bijles aanbiedt.

Die veronderstelling wordt inderdaad door het krantenartikel gevoed.

Hij weet niet dat het overgrote merendeel van de docenten heel goed gemotiveerd en betrokken is (ze blijven elke dag hun werk uitoefenen, terwijl dat waarachtig niet erg aantrekkelijk meer is), denkt kennelijk dat scholen een leerlingvolgsysteem voor de lol bijhouden en dat als je besluit alle leerlingen gratis bijles aan te bieden, dit met de huidige beschikbare middelen mogelijk is.

De tweede komt uit het onderwijs en denkt dat problemen kunnen worden opgelost door een gedurfd personeelsbeleid. In zijn wereld kan je een slecht functionerende leerkracht zo maar even ontslaan en staan er meteen drie andere goede klaar om de lege plaats in te vullen.
Ik vraag me af welke juiste prikkels hij in zijn onderwijspraktijk aan de ouders gaf. De meeste ouders zijn alleen geïnteresseerd in wat zij denken dat goed is voor hun prinsje of prinsesje, zien zichzelf als klant (dus koning) en hebben geen enkel begrip voor de schoolorganisatie.
Hij voelt zich ook aangesproken door de leiderschapsstijl van de directeur. Even geen democratie totdat de docenten het licht hebben gezien.

 

Geen plaats dus voor kritiek op dit zeer zwakke voorpagina-artikel.

Toch maar even hier op een rijtje gezet:

  • Er ontstaat in de samenleving steeds meer begrip voor de last die de hoge werkdruk en de uit de hand gelopen administratieve warwinkel oplevert voor docenten.
    Dit artikel wekt de indruk dat de klachten eigenlijk flauwekul zijn.
  • Geen enkele school heeft voldoende formatie om alle kinderen gratis bijles te bieden.
    Het artikel maakt niet duidelijk hoe Melanchton het bekostigt.
  • Onderwijsvolgsystemen nemen krankzinnige vormen aan, werkelijk alles moet worden bijgehouden (elke communicatie met ouders!) in de veronderstelling dat dit ten goede komt aan de kwaliteit van het onderwijs.
    Het is inmiddels wel duidelijk dat deze verantwoordingscultuur alleen maar veel meer werk oplevert en eerder negatief uitpakt (de professional krijgt geen enkele speelruimte meer).
  • Wat moeten we aan met een zinnetje als “Nu even geen democratie”? Een school is geen democratie, maar een goede directeur maakt wel degelijk gebruik van democratische instrumenten. Het is verstandig gebruik te maken van de inbreng van professionals en iedereen weet dat besluiten veel beter worden uitgevoerd als men betrokken is geweest bij het totstandkomen ervan.
  • Wat een raar beeld wordt er geschetst van docenten: ze lopen er de kantjes vanaf, ze delen hun tijd niet efficiënt in, hebben eigenlijk tijd zat om alle leerlingen bijles te geven en hebben graag een baas die hun vertelt wat ze moeten doen.
    Je bent niet verbaasd als dit op een verjaardagsfeestje langskomt, maar een kwaliteitskrant zou beter moeten weten.

In één week tijd publiceert mijn lijfblad een citaat van prins Charles dat later blijkt niet van hem te zijn (als je even nadenkt over de inhoud had je kunnen weten dat hij dit niet gezegd kon hebben) en dit onzinstuk.

 

Volkskrant, ga je schamen!

Een borreltafelartikel over onderwijs

Op de voorpagina van de Volkskrant staat een mooie foto van een klassensituatie op een VMBO.

Gratis bijles, vaste werktijden voor alle docenten, een minutieus plan voor iedere leerling. In een fonkelnieuw gebouw vol kleuren legt directeur Dennis Maharban uit hoe hij een zeer zwakke vmbo-school in Rotterdam omvormde tot een doorslaand succes.

Verderop in de krant wordt op twee pagina’s uitgelegd dat het eigenlijk helemaal niet zo moeilijk is om een zwakke school om te toveren tot een excellente.

Het stuk staat vol foute aannames en geeft bitter weinig inzicht in de werkelijke mechanismen van een school. Je hebt slechts een standvastige bevlogen directeur nodig die hogere eisen stelt, confronterende gesprekken voert en flink top-down werkt. Voilà!

Het is toch eigenlijk zo simpel. Docenten moeten niet de lerarenkamer in- en uitlopen. Op het Melanchton (ik dacht dat dit de naam was van een farao, maar het blijkt een Duitse theoloog en filosoof uit de 15e eeuw te zijn) zijn de docenten van kwart over acht ’s morgens tot half vijf ’s middags aanwezig. Vijf dagen per week. “Er zijn geen scheve gezichten over docenten die er de kantjes van aflopen”.

Wat moeten we hieruit opmaken? Docenten werken niet hard genoeg en zijn niet genoeg uren op school.

Leraren die ’s morgens geen les geven gebruiken deze eerste uren om hun lessen voor te bereiden. Belangrijker: ze zijn altijd beschikbaar voor leerlingen en ouders met vragen. Zijn de leraren ’s middags klaar met hun lessen, dan gebruiken ze hun tijd op school ook om bijles te geven.

We weten nu: leraren kunnen hun tijd niet efficiënt indelen. Het is fout dat ze niet altijd beschikbaar zijn.

Levert dat geen extra werkdruk op, al die bijlessen? Docent Miriam Rozendaal reageert bijna verontwaardigd. “Ik krijg er gewoon uren voor, hoor.” Als je leerlingen het slecht doen, dát levert pas werkdruk op.
Het is een schande dat de meeste scholen niet aan gratis bijles doen.

Dus: klachten over werkdruk zijn onzin. Scholen gaan inefficiënt met beschikbare docent-uren om.

Geheim wapen van de directeur: een leerlingvolgsysteem dat de ontwikkeling van elke scholier minutieus in kaart brengt. Trots laat hij een Excellbestand zien met allemaal rode hokjes. Ook de persoonlijke ontwikkeling van een kind wordt gevolgd. De school gebruikt al die gegevens om een ontwikkelplan te maken.

Wat een flauwekul. Welke school beschikt nu niet over een uitgebreid leerlingvolgsysteem? Waar denk je dat de inspectie zijn oordeel op baseert?

De school bood vroeger alleen de theoretische leerweg aan. Toen kwamen er leerlingen binnen die dat niveau eigenlijk niet aankonden. Nu bieden ze alle VMBO-niveaus aan. Het slagingspercentage ging van 60-70% naar gemiddeld 98%.

(Nog even daargelaten dat dit een heel vreemde situatie was: bestond er werkelijk een VMBO-school in een achterstandswijk die alleen TL aanbood? Dan is een slagingspercentage van 60 nog heel hoog!) We kunnen nu concluderen dat categorale VMBO’s uit den boze zijn. Problemen worden opgelost en slagingspercentages worden hoger als je alle VMBO-niveaus aanbiedt.

Als je een school echt wil verbeteren moet je ook afscheid durven te nemen van collega’s die niet functioneren. Dat kan louterend werken.

Het is toch zo simpel: als directies wat minder soft waren zouden docenten een stuk beter gaan functioneren! (We hebben het nu even niet over de sterke rechtspositie van leraren – je kunt niet zomaar iemand ontslaan- en ook niet over hoe je aan enthousiaste nieuwe docenten komt).

Confronterende gesprekken, maar ook hulp! Leraren werden op cursus gestuurd en alle docenten werden aan een collega gekoppeld om bij elkaar mee te kijken in de les.

Directeuren zullen zich voor de kop slaan: gooi er een cursusje tegenaan en er geschieden wonderen. Waarom gaan ze niet vaker bij elkaar op lesbezoek? Tijd zat om regelmatig bij elkaar in de les te kijken en er dan uitgebreid over te praten.

Soms moet een directie top-down werken. Zo gaan we het doen, er is hier even geen democratie.
Het mooie is: na een tijd kun je dat afbouwen en komt steeds meer  verandering vanuit de docenten zelf.

Leve de sterke man. De leraren vinden het heerlijk om autoritair geleid te worden en gaan dan vanzelf inzien dat ze het altijd fout gedaan hebben. Ze zullen dankbaar zijn voor deze les.

Betrokkenheid van ouders krijg je voor elkaar als je aan het begin van het jaar een kennismakingsgesprek organiseert (en de schoolboeken niet meegeeft als ouders niet komen).

Dat andere scholen hier niet opkomen! “Zachte dwang” helpt. Je hoeft maar een keer zo’n actie te ondernemen en je hebt alleen nog maar tevreden ouders.

Wat een gemakzuchtige, infantiele reportage.

Wat een hoog verjaardagsgesprekgehalte: als de leraren maar wat harder werken en niet zo zeuren, als je maar een ferme schoolleiding hebt en als je de ouders maar intelligent benadert: alle problemen verdwenen!

 

Ik vraag me af of de verslaggever het boek Superschool van Erik van ’t Zelfde gelezen heeft. (Lees mijn blog hierover).

Hij was directeur van een Rotterdamse school, die als zeer zwak werd beoordeeld. Hij zag kans de school er weer helemaal bovenop te krijgen. Maar de prijs was hoog.

Hij verlangde van zichzelf en van zijn docenten een maximale inzet, ze werkten talloze uren die niet betaald konden worden en dit ging ten koste van de gezondheid.
Hij moest ongelooflijk hard knokken om steun te krijgen van bestuur en gemeente en moest rechtszaken voeren om voor elkaar te krijgen dat hij leerlingen van school kon verwijderen.
Er was nooit voldoende geld. Hij had grote moeite met een aantal ouders, werd zelfs bedreigd.

Juist deze week publiceerde van ’t Zelfde een bevlogen en cynische brief waarin hij de alarmklok luidt: kansenongelijkheid en achterstanden nemen schrikbarende vormen aan en bij het huidige beleid wordt het alleen maar erger.(Deze brief stond op Facebook, ik kan er niet naar linken).

 

Misschien was het tijd voor een optimistisch stuk over het onderwijs, maar een simplistisch artikel als dit, waarin zaken niet genoemd worden of gebagatelliseerd en waarin leraren worden geschoffeerd, daar zit echt niemand op te wachten.

Welcome Aboard

Als kind verslond ik boeken over vliegtuigen en vliegers. Ik kende de meeste typen vliegtuigen en had een kaartsysteem met de namen en logo’s van alle luchtvaartmaatschappijen van de wereld. Ik kon dus omhoogkijken en vaststellen dat er een DC-8 van Lufthansa overvloog.

Ik wist zeker dat ik later piloot zou worden en had voor mezelf alvast een cockpit gebouwd met een doorgezaagd autostuur (want iedereen weet dat ze in een vliegtuig altijd halve sturen hebben) en gekleurde knijpers die dienden als schakelaars, want daarvan zitten er honderden in een echte cockpit. De co-piloot moet er altijd heel veel van in een andere stand zetten, vóór de captain langzaam twee of vier (afhankelijk van het aantal motoren) handels naar achteren trekt waarmee hij de motoren tot meerder omwentelingen aanzet. Het vliegtuig begint langzaam te rollen en stijgt uiteindelijk op.
Dan moet voorlopig het laatste knopje worden omgezet (dat van het landingsgestel) en kunnen de mannen in het blauw achteroverleunen, genieten van het uitzicht boven de wolken en wachten tot de knappe stewardess hun een kopje koffie komt brengen.

Ik werd lid van de KLM-jeugdbrigade (ik weet niet meer of het echt zo heette) en ontving een verrassingspakket met daarin een paar prachtige posters, die jarenlang mijn jongenskamer gesierd hebben en een vreselijk mooie speld die ik tot mijn grote spijt al heel snel kwijt was.

Er kon dus met betrekking tot mijn carrière niets meer misgaan, ware het niet dat je voor de vliegersopleiding een Atheneumdiploma nodig had. En om dat diploma te halen moest je een wiskundeknobbel hebben.

Ik kwam er na vier jaar achter dat mijn knobbel niet groot genoeg was, of de verkeerde vorm had.
Ik werd dus onderwijzer, ook een mooi beroep maar met wat minder glamour.

Uiteraard heb ik nooit mijn enthousiasme met betrekking tot vliegtuigen verloren, ik houd er nog steeds heel erg van erover te lezen en vind het ook heerlijk om een middagje op Schiphol door te brengen.

Het Aviodome in Lelystad beschikt onder andere over een prachtige Constellation (koningin van de lucht) en er staat ook een Boeing 747. Wat is dat een gigantisch vliegtuig. Fascinerend.

 

Met echt vliegen heb ik een probleempje. Het beeld van met z’n allen opgesloten zitten in een smalle buis die met levensgevaarlijke snelheid heel hoog boven de onmetelijke oceaan vliegt boezemt mij grote angst in.
Als het om reizen gaat neem ik veel liever de trein.

Ik vermoed dat behalve mijn gebrekkige beheersing van de wiskunde mijn vliegangst ook wel een belemmering had kunnen vormen voor mijn aanvankelijke beroepskeuze.

Als luchtvaartafficionado en KLM-fan moest ik natuurlijk overgaan tot de aanschaf van Welcome Aboard!, een eeuw KLM.

 

Het is een prachtig boek, geschreven vanwege het 100-jarig jubileum van onze nationale luchtvaartmaatschappij.

De auteurs hebben gekozen voor een thematische benadering en een opbouw waarin vijf theoretische hoofdstukken worden afgewisseld met verhalende teksten (en veel foto’s) over de KLM en de KLM-mers.

Er is heel veel te bekijken, de auteurs hadden toegang tot het bedrijfsarchief, maar het geheel valt toch wat tegen.

Ik had gerekend op spannende verhalen, bijvoorbeeld over de eerste vlucht op Indië of de beroemde vlucht van de Uiver die deelnam aan een luchtrace naar Melbourne.

Ze worden wel verteld, maar ik kan niet zeggen dat het enthousiasme er vanaf spat.

Het boek is informatief en onderhoudend, maar de jonge vliegtuig-enthousiasteling in mij werd niet wakker.

Welcome Aboard
Bram Bouwens en Frido Ogier                                 7


Er is een mooi raakpunt met mijn postzegelhobby: Christiaan de Moor ontwierp een fraaie postzegel met het portret van Albert Plesman (de grondlegger van de KLM) en ik kwam in het bezit van een bijzondere brief.

 

Deze is in 1946 naar het Central Post Office van New York gestuurd met het verzoek hem onmiddellijk te retourneren aan de afzender.
Die was het vooral te doen om de bijzondere stempels en om het gedenkwaardige gegeven dat zijn brief mee was gegaan met de eerste trans-Atlantische vlucht van de KLM.