Ruisende bomen

Tegenover ons huis is een park met prachtige bomen. We hebben ze zien groeien van petieterige staakjes tot majestueuze reuzen van 18 meter hoog. Je hoort de wind door hun enorme bladerkronen ruisen, kinderen spelen in de schaduw eronder.

We kregen een brief van de gemeente waarin verteld werd dat er een aantal gekapt zouden worden om ruimte te scheppen voor de andere. Ik besloot het proces op de voet te volgen.
(Ons huis is het zevende van het blokje helemaal links)

De bomen stonden nog niet in blad toen de mannen met de motorzagen kwamen. Zij verwijderden eerst de onderste takken van alle bomen. De takken werden door een grijper in de mond van een verschrikkelijke machine geduwd, die ze versnipperde tot kleine stukjes. Deze belandden in opeenvolgende oprispingen in een gereedstaande wagen.

De bomen die het veld moesten ruimen (de oranje-bruine stipjes op de kaart) werden vakkundig neergehaald.
In de stam wordt een wigvormig stuk weggezaagd aan de kant waar de boom moet vallen. Dan wordt de stam doorgezaagd en zijgt neer.

De mannen riepen niet “onderuit”, zoals ik verwacht had. Zelf droegen ze veiligheidshelmen, dus hen kon niets gebeuren, maar wat als Fikkie juist dat moment en die plaats had uitgekozen om zijn drol uit het trillende achterlijf te persen? Platte hond!

De boomstammen werden in nette stukken van drie meter lang aan de weg gelegd, waar een happer ze na verloop van tijd optilde en neerlegde op een oplegger.
Na enkele dagen waren hier en daar alleen nog de stronken te zien van de gesneuvelde bomen.
Een deskundige kwam langs om met behulp van een doormeet-apparaat te controleren of de resterende bomen wel gezond waren. Ik maakte een praatje met hem en hij verzekerde me dat de overgebleven bomen een prima conditie hadden.
De meneer die af en toe langskomt om met behulp van zijn grote maaier het gras te maaien moet erover hebben geklaagd dat hij vanwege de stronken geen lekkere baantjes kon trekken, want er verscheen een grote traktor met daarachter een enorm frees-wiel, dat de restanten zorgvuldig wegknaagde. Er bleef niets anders over dan aarde en houtvezels.

Er komt nu vast nog iemand die de bergen aarde en pulp verwijdert (of egaliseert) en nieuw gras inzaait.
De overgebleven bomen hebben inmiddels bezit genomen van het gehele terrein, het is net of er nooit méér gestaan hebben.

Twee observaties tot slot:
De machtige traktoren, die ik vooral ken van het malieveld, hebben een heel slimme bestuurdersstoel: die kan indien nodig 180 ° draaien, zodat de bestuurder goed naar achteren kan kijken (waar zich de aangesloten apparatuur bevindt).
Het komt me voor dat deze stand voor boeren (de voornaamste gebruikers van dergelijke voertuigen) vaak overeenkomt met hun maatschappelijke visie.

Aan het park grenst het talud van de spoorlijn. Hier zijn op gezette plaatsen nooduitgangen gecreëerd, waar reizigers van verongelukte treinen gebruik van kunnen maken als ze een goed heenkomen willen zoeken.
De natuur heeft hier weinig respect voor. Een zee van gele bloemen en klaprozen heeft bezit genomen van de trappen.

Potatoes

Midden in de Atlantische Oceaan, halverwege tussen Afrika en Zuid-Amerika ligt een piepklein eilandje: Tristan da Cunha.
Het werd in 1506 ontdekt door een Portugese admiraal, die het naar zichzelf vernoemde. Overigens zette hij geen voet aan wal, omdat dat te gevaarlijk was.

Er leefden maar weinig mensen, voornamelijk schipbreukelingen.
In 1816 kwam er een Brits garnizoen, dat een oogje in het zeil te houden op napoleon, die verbannen was naar het nabijgelegen St Helena.

Er was in die tijd nog maar één oorspronkelijke bewoner, die Thomas Currie heette.
Currie beweerde dat er een grote schat op het eiland begraven lag, maar wilde niet vertellen waar. De Britten geloofden hem, want hij betaalde met goud.
Om hem aan het praten te krijgen gaven ze hem rijkelijke hoeveelheden drank. Dit maakte zijn tong echter niet losser en na verloop van tijd stierf hij aan alcoholvergiftiging.

In 1946 bemanden enkele wetenschappers een observatiestation en verveelden zich stierlijk op het “Loneliest Inhabited Island in the World”.
Allan Crawford was de leider van het station, hij kwam op het idee om een petitie in te dienen bij de Postmaster General: het eiland moest zijn eigen postzegels krijgen, dat was fijn voor de bewoners, maar ook voor langsvarende schepen en filatelisten.
Omdat hij nogal wat tijd over had ontwierp hij zelf vast een eerste setje.
Hij wist dat het heiligschennis was om de beeltenis van de koning te gebruiken, daarom koos hij voor de Engels vlag.
Probleem was, dat Tristan da Cunha geen eigen geld had. De inwoners konden het uitstekend zonder redden, ze gebruikten aardappels als ruilmiddel.
Crawford bedacht dat 4 aardappels ongeveer het equivalent was van 1 penny, dus hield beide denominaties aan voor de waardebepaling van zijn zegels.

 

De zegeltjes zijn prachtig, maar de Postmaster General was onverbiddelijk.

Tristan da Cunha heeft nog jaren moeten wachten op eigen postzegels, toen die er eindelijk waren stond er alleen maar een waardebepaling in pennies op en natuurlijk dat vermaledijde hoofd van de koningin, dat op geen enkele Engelse postzegel ontbreekt.

Ze zijn allemaal veel en veel lelijker dan de zegels van Crawford.

 

Tot slot nog een toepasselijk citaat:

“He glanced about him to make sure we weren’t overheard, leaned forward, and whispered, ‘He collects stamps.’
The family looked bewildered.
‘You mean he’s a philatelist?’ said Larry at length.
‘No, no, Master Larrys,’ said Spiro. ‘He’s not one of them. He’s a married man and he’s gots two childrens.”

― Gerald Durrell, My Family and Other Animals

 

 

Talent

Mijn vader was pedagoog en was dus niet alleen in zijn rol als vader, maar ook beroepsmatig geïnteresseerd in de vorderingen van zijn kinderen.
Van mijn oudste zus hield hij nauwgezet de taalontwikkeling bij en ook de andere kinderen volgde hij op de voet. Hij bewaarde veel van wat we meekregen van school.
Ik stuitte op een map met tekeningen en werkstukjes die ik op de kleuterschool gemaakt had, sommige dus zestig jaar oud!

Het is een wonderlijke sensatie deze creatieve uitbarstingen na zoveel tijd weer in handen te hebben. Kan het zijn dat ik me van sommige nog herinner dat ik ermee bezig was?


Het voordeel van de kleuterleeftijd is, dat je dan onbekommerd je gang gaat. Bij het stijgen der jaren word je kritischer en blijkt de kloof die gaapt tussen wat je in je hoofd hebt en uiteindelijk op papier krijgt steeds groter te worden.
Er komt een moment dat je het maar opgeeft. Op de middelbare school was ik nog even enthousiast geworden toen ik op de verstrekte lijst  van schoolmaterialen die aangeschaft moesten worden een tekendoos met inhoud ontwaarde; samen met mijn moeder ging ik naar V&D en vulde een mooie houten doos (met vakjes!). Er moest Oost-Indische inkt in, een ganzenveer, kneedgum, houtskool en zelfs een fixeerspuitje. Kwasten en penselen natuurlijk, het doosje met waterverf-rondjes past er niet meer in.
Jammer genoeg konden deze met zorg uitgezochte artikelen er niet voor zorgen dat een tekentalent zich openbaarde. Ik keek jaloers naar mijn klasgenoten, die kans zagen de mooiste tekeningen te produceren.
Ik besloot dat er geen tekenaar of schilder in mij huisde, mijn artistiek talent moest duidelijk in een andere richting worden gezocht. (Gaven de in stevige blokletters opgeschreven letters van mijn naam en leeftijd wellicht een aanwijzing?)

Aangezien bovenstaand werkje gesigneerd is, is er weinig twijfel omtrent de maker.
In de map trof ik ook een verdwaalde tekening aan van mijn oudste zus Atie.
En ik heb zo mijn twijfels over dit schooltafereel:

Ik vermoed dat deze tekening ook in de verkeerde map is terechtgekomen. Waarschijnlijk is deze ook door Atie gemaakt, of anders door mijn andere zus (de onderwerpkeuze suggereert het eerste, de taalfout op het bord het tweede).

Ik lijd er niet onder dat ik absoluut niet tekenen kan, maar ben wel een beetje jaloers op mensen die dit talent wel bezitten.

Elke zondagmiddag neemt mijn vrouw plaats voor de computer en doet mee aan een workshop portrettekenen. De lerares tekent zelf mee, geeft deskundig commentaar en vraagt de deelnemers drie portretten te maken: voor het eerste hebben ze een kwartier, voor de twee andere meer tijd.

Mijn mond valt elke keer open als ze me het eindresultaat laat zien.

Zonder meer te vergelijken met deze twee heren, die ook niet van talent gespeend waren:

Toch?

Dag van de verpleging

Gisteren was het de dag van verpleging, zeer toepasselijk in deze tijd.
Een goede gelegenheid voor mij dus om mijn verpleegsters van stal te halen.

Ik spreek zonder gène van verpleegsters, want mijn postzegelverzameling gaat niet verder dan 1960; verplegers deden pas na die tijd hun intrede, men moet tegenwoordig dan ook over verpleegkundigen spreken.

Het mooie beroep van verpleegster heeft vele ontwerpers geïnspireerd, er zijn ook nogal wat opdrachten uitgevoerd met het thema Rode Kruis (of Halve Maan) en het is niet verwonderlijk dat je dan al snel uitkomt bij de zusters.
Ik moet zeggen dat ik wel voorkeuren heb, ik heb Luxemburg liever aan mijn bed dan Belgisch Congo en sommige verpleegsters zijn iets te enthousiast met een injectiespuit in de weer.

Hier zijn ze,  uit 25 verschillende landen. Mooi hè?

 

 

 

 

  

Gisteren werd ook de moeder aller verpleegsters herdacht: Florence Nightingale. Zij mag dus niet ontbreken.

Haar beeltenis siert ook verschillende postzegels, zij het niet de mooiste.

 

Crisisberichten

Ik leef erg mee met de mensen die op dit moment volop in onzekerheid zijn over hun toekomst: is er straks nog werk voor mij? Kan ik voorkomen dat mijn zaak failliet gaat?

Ik kan me heel goed voorstellen dat deze mensen letterlijk slapeloze nachten hebben.

Ik prijs mezelf dus heel vaak gelukkig dat ik me wat betreft werk en geld geen zorgen hoef te maken. Pensionado’s blijven voorlopig buiten schot en mijn echtgenote zit in het onderwijs, dus zij loopt geen risico haar werk te verliezen.

Aanvankelijk ging ik er van uit dat er voor mij in het dagelijkse leven amper wat was veranderd: ik houd niet van grote manifestaties waar heel veel mensen bijeen zijn, dus ik mis niets op dat gebied. Hand in hand de kameraden, oranje en rondjes op schaatsen hebben mij nooit kunnen bekoren, dus dat hier niets meer gebeurt: lauw loene.

 

Ik heb mijn boeken, postzegels en we kijken mooie films en series. We kunnen nu ook de tuin weer in, het ziet er naar uit dat onze vakantie ook door kan gaan (alleen nog even uitvissen hoe ik een saucijzenbroodje aan boord van de boot naar Terschelling eet met een mondkapje op) dus deze hele crisis gaat eigenlijk aan ons voorbij.

 

Toch is dat niet helemaal waar. Ik ben echt begaan met het lot van alle mensen die nu wel in de problemen zitten, dat houdt me serieus bezig. De krant en het journaal berichten over bijna niets anders, dus zelfs als je de andere kant op zou willen kijken lukt dat niet.

Ik moet ook niet veel hebben van alle saamhorigheidsinitiatieven en aansporingen binnen het kader van de intelligente lockdown.

  • Zoals ik al eerder schreef: er wordt voortdurend gesproken over “afspraken”, terwijl het natuurlijk gewoon om regels gaat.
  • Pijlen, strepen, hekken, quota en looprichtingen: ik houd me eraan, maar niet van harte. Regels brengen ook altijd met zich mee dat er mensen zijn die het nodig vinden de naleving ervan af te dwingen, al dan niet in officiële hoedanigheid. Hiervan gaan mijn tanden altijd knarsen.
  • Ik weet best dat degenen die nu wel doorwerken het erg druk hebben, maar het is natuurlijk wel gewoon hun werk. Ook dat ze hun werk serieus nemen en goed doen is niet bijzonder: het is veel fijner goed werk af te leveren dan slecht.
    Wat in dit verband heel wrang is: op de beroepen die nu zo bejubeld worden wordt al jarenlang zwaar bezuinigd. Ik denk dat de meeste verpleegkundigen liever een fatsoenlijk salaris hebben dan dat men voor hen met pollepels op pannendeksels slaat.
  • Ik twijfel ook een beetje aan de motieven van veel bewonderaars: zijn het dezelfde mensen die op oudejaarsavond hulpverleners aanvielen? Die iedere keer op het Malieveld en bij AZC’s hun grote bek laten horen?
  • Samen dit en samen dat. Hierbij moet ik steeds denken aan de term participatiemaatschappij. VVD en CDA hebben ons land al tijden geleden zo ingericht en gebruikten deze misleidende term om botte bezuinigingen te verhullen.
  • Rutte doet het goed, dat staat vast, maar we moeten natuurlijk niet vergeten dat onze samenleving erg kwetsbaar is geworden door de ver doorgevoerde marktwerking en het liberale denken, dat de tegenstellingen steeds groter zijn geworden nadat Rutte’s VVD decennialang het beleid vormgegeven heeft.
  • Als je terugdenkt aan alle botte bezuinigingen op met name de culturele sector valt je mond open als blijkt dat er voor de KLM zomaar miljarden uit de kast kunnen worden getrokken.

Dingen waar je pro-Corona niet veel aandacht aan besteedde blijken na twee maanden lockdown toch belangrijker dan je dacht. Zo mis ik het nu wel erg dat ik niet meer kan bridgen en, vooral, niet meer bridgeles kan geven. Ik was me er helemaal niet van bewust, maar de momenten van triomf en teleurstelling (als je goed gespeeld had of juist niet), waren toch wel heel fijne elementen van de week. De lessen waren altijd vrolijke bijeenkomsten, je kon zien dat de deelnemers wat verder kwamen en ze spraken regelmatig hun waardering uit.

Je hoort van nogal wat kanten dat er nu toch echt dingen anders moeten, dat we onze samenleving anders moeten inrichten en dat we veel meer samen moeten werken, nationaal en internationaal.
Optimisten rekenen erop dat dit ook echt gaat gebeuren. Ik houd mijn hart vast.

Het zou al een beetje helpen als Trump geen tweede termijn krijgt en dat de Brexit steeds minder hard wordt.

Ten slotte: wat zal het weer fijn zijn om naar een museum te kunnen gaan, of weer een bezoek te kunnen brengen aan onze zoon in Berlijn.
En natuurlijk: onbekommerd op bezoek gaan bij familie en vrienden!

Het komt vast allemaal goed. We houden vol!

Arme tandarts

De tandarts stond naast zijn stoel en keek naar buiten. Hij dacht terug aan de tijd dat er meerdere keren per dag een persoon in zijn stoel plaatsnam, die hij dan vervolgens langzaam onderuit liet zakken om hem vervolgens aan pijnlijke behandelingen te onderwerpen.

Hij streek met zijn hand over de plek waar zich gewoonlijk de bibberende billen van zijn slachtoffer bevonden. Nu kwam er bijna niemand meer, maar zijn assistente had voor die ochtend een afspraak gepland met een quarantainetrotseerder.

In zijn hoofd maakte hij plannen over de manier waarop hij dit hoogtepunt van de dag zou kunnen rekken. Aan welke nutteloze serie behandelingen kon hij zijn slachtoffer blootstellen?

Vijf minuten vóór de afgesproken tijd ging de bel. De tandarts drukte op het knopje dat de deur de deur naar de wachtkamer opende en wreef zich in zijn gehandschoende handen.

Hij bond zijn mondkapje voor, in zijn nopjes dat zijn sadistische glimlach effectief aan het oog was onttrokken. “Komt u verder”.

 

 

Ik had al een tijdje een pijnlijk gevoel in mijn kies als ik op iets hards beet. Tegen beter weten hoopte ik dat het vanzelf weg zou gaan. Toen ik op een avond voor het slapen gaan ook zonder kauwen pijn voelde wist ik dat maatregelen geboden waren. Ik maakte de volgende dag een afspraak met de tandarts.

 

Ik was natuurlijk vijf minuten te vroeg en mocht meteen door naar de behandelkamer. De tandarts wachtte mij op, hij had zijn mondkapje al omgedaan.

Geen hand deze keer, maar ik vond dat in dit geval niet echt erg. Toen we nog wel schudden gaf hij nooit een stevige handdruk. Het was altijd net of hij een dode vis in mijn hand legde.

 

De verdovende prikken werden vaardig en pijnloos gegeven. Ik dacht terug aan vijfentwintig jaar geleden, toen een chirurg in het VU-ziekenhuis mij van twee verstandskiezen beroofde. De man was klein van stuk, ik was er destijds van overtuigd dat hij zijn geringe lichaamslengte afreageerde op grote mannen die de pech hadden in zijn behandelstoel te zijn aangeland.

De kleine ivoorjager had mij gevraagd of ik het goed vond dat een aantal studenten mee zou kijken. Aangezien ik me in een academisch ziekenhuis bevond kon ik daar nauwelijks bezwaar tegen maken.

Hij vertelde zijn studenten dat het verstandig was de patiënt niet de injectiespuit te laten zien. Je moest daartoe de spuit in een vloeiende beweging van achter het hoofd der patiënt naar diens opengesperde mond brengen, zodat hij pas zou kunnen reageren als het al te laat was. De aanblik van een scherpe naald zou de patiënt er wel eens toe kunnen brengen zijn mond hermetisch te sluiten. Zonder gebruikmaking van geweld zou die dan niet meer opengaan, en dan waren de rapen gaar.

Ging deze witgejaste dwerg er nu van uit dat alleen de tandartsen-in-opleiding hem konden horen?

Ik was uitermate alert, wat heel verstandig is als men op het punt staat je ernstig lichamelijk letsel toe te brengen. Zijn uitleg had mij nog banger gemaakt dan ik al was! Maar er was besloten dat twee van mijn verstandkiezen het veld moesten ruimen en daar zou ik niet aan kunnen ontkomen. Dus ik sloot mijn ogen en gaf me over. Wat niet zo makkelijk is als je je realiseert dat er 6 paar studentenogen op je opengesperde mond gericht zijn.

 

Ik ben destijds behoorlijk ziek geweest van de dubbele extractie (zo heet dat in tandartsentaal), nu viel het mee. Er bleek echter wel een ontsteking aanwezig, die met antibiotica behandeld moest worden.

Ik moest in totaal twintig pillen slikken en dat heb ik geweten! Mijn lijf is qua antibiotica niets gewend, dus reageerde bijzonder heftig op de complete kaalslag die nu plaatsvond. Het medicijn doodde namelijk niet alleen de kwade bacteriën in mijn kaak, maar ook alle andere in mijn lijf, waarvan ik een aantal tot bevriende hulptroepen reken. Zo heb ik kleine vriendjes in mijn darmen, die er met z’n allen voor zorgen dat ik me niet vijf keer per dag naar de wc hoef te spoeden en andere achter in mijn mond (in mijn tonsillen), die de zaakjes rondom de toegang tot mijn maag regelen. Allemaal ausradiert door die Nazipillen!

Met een onaangenaam raspend gevoel in mijn keel en de wc binnen handbereik vraag ik me zorgelijk af welke andere lichaamsfuncties door de nietsontzienende zogenaamde betermakers zijn aangetast.

Nog drie pillen te gaan. Ik hoop dat er nog een klein beetje over is van mijn vertrouwde fauna en dat het die overlevenden dan lukt weer een bloeiende levensgemeenschap op te bouwen.

 

Ik heb voorlopig weer even mijn buik vol van tandartsen en pillen.