De Connellyzomer

Af en toe stuit je op een schrijver die je bevalt. Je bent dan blij als blijkt dat er nog veel meer boeken van hem te koop zijn.

Ik las een boek van Michael Connelly (vier sterren in VN’s detective- en thrillergids) en was meteen verkocht.
Uit een overzicht van zijn werk bleek dat hij sinds 1992 33 boeken heeft geschreven.

Ik schafte het eerste aan (The Black Echo), want iedereen weet dat je altijd bij het begin moet beginnen en heb er inmiddels 29.

Heel bijzonder: mijn echtgenote is net zo enthousiast als ik, we lezen ze dus allebei en hebben derhalve altijd iets om over te praten.

De boeken spelen zich allemaal af in Los Angeles, een stad waar ik nog nooit geweest ben, maar wel heel veel van heb gezien, omdat Hollywood er deel van uit maakt.

Hoofdpersoon van de meeste boeken is Harry Bosch (eigenlijk Hiëronymus), een eigenwijze detective van LAPD (Los Angels Police Department). Hij ligt voortdurend overhoop met het establishment binnen de politieorganisatie, waar allerlei politieke spelletjes worden gespeeld en corruptie veelvuldig voorkomt.

Maar omdat hij een briljante speurneus is kan hij steeds op het nippertje zijn positie handhaven.

Tussen het oplossen van allerlei misdrijven beleeft hij ook nog menig romance. Heerlijk.

Een aantal romans heeft een andere hoofdpersoon: Micky Haller (advocaat die adverteert op de achterkant van de Yellow pages en Jack McEvoy (misdaadverslaggever).

Haller heeft een mobiel kantoor: een grote oude Lincoln.

Vaak spelen alle drie hoofdpersonen een rol in de boeken.

 

Het overbelaste Amerikaanse rechtssysteem wordt genadeloos blootgelegd: de politie kan het aantal zaken niet aan en gaat vaak slordig te werk of lost misdrijven niet op. De rechtbanken leveren lopende-band werk en plea-bargains (waarbij er een akkoord bereikt wordt vóór de zaak bij de rechter komt) zijn aan de orde van de dag.

De gevangenissen puilen uit (Amerika kent het hoogste gemiddelde aantal mensen achter tralies), zwarten zijn oververtegenwoordigd.

Wie geen dure advocaat kan betalen wordt vaak slachtoffer van het systeem.

Rechtszaken gaan allang niet meer over schuldig of onschuldig, maar over de vraag of de aanklager zijn zaak goed voor elkaar heeft (anders schiet de verdediging er gaten in en wordt de verdachte vrijgesproken hoewel hij vaak schuldig is) en of dure advocaten hun manipulatieve gang kunnen gaan.

Het wonderlijke systeem van bail (zelfs verdachten van moord kunnen hun vonnis thuis afwachten als ze maar voldoende geld hebben) en het fenomeen juryrechtspraak (met een compleet eigen dynamiek) doet ons Europeanen met de oren klapperen.

Bijzonder onsmakelijk is de gewoonte om slachtoffers zwart te maken, of ongeloofwaardig. In Amerika is alles toegestaan, het gaat alleen maar om winnen.

De boeken lezen heerlijk weg: de plots zijn soms wat ingewikkeld of vergezocht, maar je raakt gehecht aan de hoofdpersonen en blijft nieuwsgierig hoe het verder gaat.
De auteur schrijft beeldend en werkt de karakters goed uit. Harry Bosch is niet 100% een good guy…..

 

Wat moeten we straks, als het laatste boek uit is?

 

De boeken van Michael Connelly:                8½

 

 

Fantoomgroei

Bijna iedereen vraagt zich af of we ooit nog terug zullen keren naar “normale”, pre-covid tijden.

De economie staat onder grote druk vanwege de pandemie. Werkgelegenheid en milieu worden natuurlijk ook betrokken bij de gedachtevorming rond hoe het nu verder moet en er klinkt van veel kanten dat het nu toch werkelijk tijd wordt grote stappen te zetten in de richting van een duurzame samenleving. De steeds groter wordende inkomensverschillen moeten ook aangepakt worden, dat vindt inmiddels zelfs de VVD.

 

Een sleutelbegrip in dit discours is het element (economische) groei. Heel lang werd aangenomen dat hiervan altijd sprake moet zijn als we onze huidige levensstijl willen blijven handhaven.

We weten inmiddels welke gevolgen dit heeft voor het milieu en komen er langzamerhand achter dat er de laatste tien, twintig jaar verschrikkelijk veel verdiend is door grote ondernemingen en banken, maar dat de werknemers (degenen die het eigenlijke werk verrichten) er nauwelijks op vooruit zijn gegaan en in veel gevallen zelfs minder verdienen.

Het lijkt erop dat banken en andere grote financiële instellingen niets geleerd hebben van de crisis van 2008, waarin de overheid te hulp moest schieten omdat ze “too big to fail” waren.

Terwijl de winsten steeds vaker naar de aandeelhouders gaan mocht de belastingbetaler opdraaien voor de verliezen.

Inmiddels wordt er weer rijkelijk met bonussen gestrooid en belasting wordt op grote schaal ontdoken.
Het zal niemand ontgaan zijn dat het populisme terrein wint en dat er steeds meer protesten komen van ontevredenen.

Als de vooruitzichten zo somber zijn en als de problematiek zo ingewikkeld is gaat men op zoek naar heldere informatie en vooral: hoopgevende ontwikkelingen, die kunnen worden opgepakt door verstandige politici waarop wij dan kunnen stemmen.

Fantoomgroei van Sander Heijne en Hendrik Noten is een uitzonderlijk goed boek, dat een mooi historisch overzicht geeft, volop inzicht verstrekt in de moeilijke materie en ook ideeën aanreikt voor de toekomst.

 

Dit boek is een zoektocht naar een nieuw verhaal over een economie voor een andere, betere wereld. En als we die wereld kunnen schetsen, willen we haar ook realiseren.
Dat, en niets minder, is de ambitie van deze vertelling.

De belangrijkste conclusie van de schrijvers is, dat de opvattingen omtrent economische groei nodig moeten worden bijgesteld, zij spreken over fantoomgroei: bedrijfswinsten zijn geen indicatie voor maatschappelijk welzijn.

Het boek geeft een zeer goed leesbaar overzicht van de economische geschiedenis vanaf de Tweede Wereldoorlog (de eerste 30 jaar van 1945 waren de inkomensverschillen relatief klein), via het goddelijke vrije-marktdenken tot de Coronacrisis van 2020.

De schrijvers leggen heel duidelijk de strategie uit die door grote internationale bedrijven wordt toegepast: zoveel mogelijk geld naar de aandeelhouders, innovatie en uitvoering uitbesteden zodat de risico’s bij onderaannemers en werknemers komen te liggen en de concurrentie uit de markt drukken.

Het eindigt met enkele zeer interessante praktijkvoorbeelden hoe het ook anders kan: in een landstreek van Italië heeft men kans gezien op coöperatieve wijze, zonder hulp van banken de plaatselijke economie een flinke boost te geven.

Op vrijwel alle fronten is Emilia-Romagna een koploper: het behoort tot de meest productieve regio’s van Europa, heeft een veel lagere werkloosheid dan de rest van Italië, de hoogste arbeidsparticipatie van vrouwen van heel Italië, en minder inkomensongelijkheid.

Ze vertellen ook het verhaal van Samsø (razendsnelle just transition), Jackson Mississippi (lokale economie gedemocratiseerd) en Green Taxi als eerlijke tegenhanger van Uber.

Ik heb voor mijn beide zoons een exemplaar gekocht (verplichte leesstof, er wordt overhoord) en raad iedereen aan dit boek ook te lezen. Misschien geeft het wat lichtpuntjes in deze duistere tijden.

 

Fantoomgroei            9 ½.

 

 

 

 

Amsterdamse School in het Noorden

Als je de term Amsterdamse School hoort denk je natuurlijk in de eerste plaats aan de hoofdstad.

Ik las een prachtig boek waaruit bleek dat deze kunststijl op meer plaatsen te vinden is, met name in Groningen.

Ik houd erg van de Amsterdamse School: baksteen in golvende vormen, brede kozijnen en veel glas-in-lood. Deze stijl werd vooral toegepast in het begin van de vorige eeuw, de bekendste voorbeelden vind je in de Spaarndammerbuurt, waar sinds kort ook een AS-museum gevestigd is (het Schip).

Toen ik nog op de Amstelkade woonde kwam ik vaak langs het prachtige gebouw van de Dageraad en bezocht ik de naastgelegen bibliotheek. Later heb ik veel meer AS-gebouwen bezocht.

Stadjerspaleizen is een prachtig geïllustreerd boek waarin een uitgebreid beeld wordt geschetst van Amsterdamse School-uitingen in Groningen.

Ik keek mijn ogen uit. Niet alleen zijn er heel veel prachtige huizen en andere gebouwen te vinden, ze zijn voor een groot deel ook nog in prachtige staat (of heel mooi gerestaureerd) en vooral: heel erg kleurig!
Dat ben ik helemaal niet gewend, ik kan me geen enkel AS-gebouw in Amsterdam voor de geest halen dat uitbundig gekleurd is.

In Groningen spatten de primaire kleuren ervan af.

 

Het boek is bijzonder mooi vormgegeven, er staan talrijke prachtige foto’s in en de schrijfster heeft voor de koppen de Mokum Karbouw als letter gekozen, die duidelijk geïnspireerd is op de AS typografie.

In haar voorwoord vertelt van der Horst dat ze  vormgeving en fotografie voor haar rekening heeft genomen en dat haar uitgever het een goed idee vond dat ze ook “maar even verantwoordelijk moest zijn voor de gehele inhoud”.

Er is dus geen corrector aan de publicatie te pas gekomen, en dat is te zien. Er staan nogal wat slordige druk- en taalfouten in, die afbreuk doen aan de inhoud.

Ik ga vast een keer naar Groningen om met eigen ogen alles te bekijken waar dit boek me op opmerkzaam heeft gemaakt.

 

Stadjerspaleizen                      7 ½

 

Guus Luijters II

Als ik goed ben ingelicht schrijft Guus Luijters niet meer in het Parool.

Ik las een tijdlang zijn prachtige stukjes, mijn zus stuurde mij trouw elke keer de link naar de oogst van de afgelopen maand.

Ik schreef er ook over en kreeg daar zelfs een reactie van Luijters zelf op. Hij vond mijn stukje leuk maar was er niet tevreden over dat ik hem een epigoon van Carmiggelt had genoemd.

Gelukkig is Luijters niet helemaal verdwenen: hij publiceert nog in Argus, een prettig oudemannenblad dat volgeschreven wordt door gepensioneerde journalisten. Argus verschijnt eens in de twee weken.

Luijters (ik moet steeds oppassen dat ik niet Guus Kuijer schrijf, want dat is zijn broer) heeft de titel Klein Geluk gehandhaafd en blijft schrijven over zijn geliefde Amsterdam.

In zijn laatste bijdrage schrijft hij over een ober die steeds flesjes laat omvallen. Hij wil zijn vriend aanstoten om hem opmerkzaam te maken op de klunzige medewerker maar stoot daarbij zijn eigen biertje om.

Om de een of andere reden deden de gebeurtenissen me denken aan de keer dat een ober van het strandpaviljoen de bestellingen volstrekt willekeurig over het terras verdeelde, voor mijn geliefde aanleiding hem een fooi van een geeltje te geven. Het leven is vol verrassingen.

Hier had ik weer een associatie bij: we zaten op het terras van een strandtent bij Hoorn (Terschelling). Hier zette de ober met veel aplomb de drankjes neer voor alle klanten die rond de tafel zaten en benoemde ze enthousiast (“een appelsap én een witbier én een jus d’orange”) maar maakte zich er niet druk om wie wat besteld had.

De klanten begonnen prompt half geamuseerd, half geïrriteerd die verfrissingen uit te ruilen, maar de ober was al weg en informeerde goedgeluimd aan een ander tafeltje naar wat de mensen wilden drinken.

Zouden Luijters en ik dezelfde ober hebben getroffen? Heeft die in de tussentijd zijn leven een klein beetje gebeterd door niet meer het hele terras in verwarring te brengen maar zich te beperken tot één tafel?

 

John le Carré

De leraar die ons Engels gaf in 4A2 vond het een goed idee om met de klas een roman te lezen. Hij koos voor The Spy Who Came in from the Cold van de Engelse Schrijver John le Carré.

Als het boek maar interessant genoeg is zullen leerlingen er alles aan doen te begrijpen wat ze lezen.

Ik vond het heel erg spannend en was vrij goed in staat het Engels te begrijpen.

 

In mijn boekenkast staan nu al le Carré’s romans (hij schreef er tot nu toe 26), en zijn biografie. Zijn nieuwste boek is net uit.

De schrijver werd geboren in 1931 en werkte ooit zelf bij de geheime dienst. Zijn boeken spelen zich vaak af in de Oostbloklanden en geven een goede inkijk in de modderige wereld van spionage en contraspionage.

Dat is geen fijne wereld: eigenlijk kan je niemand vertrouwen en als je betrapt wordt zit je diep in de ellende.

 

Agent Running in the Field zou best eens le Carré’s laatste boek kunnen zijn, hij is al 90.

Ik las dit boek tijdens mijn bezoek aan Berlijn, waar we ook Checkpoint Charlie bekeken. Deze grensovergang speelt vaak een rol in le Carré’s boeken, maar heeft vandaag de dag niets sinisters meer. Het is nu een toeristen-val geworden.

 

De schrijver is met zijn tijd meegegaan. Hij begon over de Koude oorlog toen het communisme nog de grootste vijand van de Vrije Wereld was. Later schreef hij ook over andere thema’s, zoals terrorisme, multinationals en gewetenloze handelaren.

In Agent Running steekt hij niet onder stoelen of banken wat hij van Brexit en Trump vindt.

Een van zijn karakters werpt op een gegeven moment de legitieme vraag op: kunnen we nog wel zeggen dat we voor de ”goede” kant vechten? Kunnen we nog spreken van de Vrije Wereld waarvan de democratische waarden verdedigd moeten worden?

Le Carré is een heerlijke schrijver, zijn plots zijn strak en kloppend, zijn personages levensecht en invoelbaar.

Ik hoop dat hij nog een tijdje door kan gaan.

 

Agent Running in the Field           8

 

 

 

Geert Mak’s grote verwachtingen

Ik las In Europa van Geert Mak enkele jaren geleden en was er heel enthousiast over.
Toen bleek dat er een vervolg kwam nam ik mij daarom natuurlijk voor dit zo snel mogelijk aan te schaffen.

Ik heb Grote verwachtingen inmiddels uit en het was geen teleurstelling.

In 14 hoofdstukken vervolgt Mak zijn verhaal nadat hij bij de eeuwwisseling gestopt was. Hij schrijft over de eerste twintig jaren van de 21e eeuw en eindigt bij het heden (hij neemt de opkomst van Trump en de Brexit nog mee).

 

Mak beschrijft de gebeurtenissen en schuwt ook niet er regelmatig een persoonlijke noot in te laten klinken.
Hij bezoekt vrienden in Europa die hij eerder ook al aan het woord liet. Hoe is het nu met hen? Hoe hebben ze de laatste twintig jaar ervaren?

Het viel me op dat ik veel zaken die Mak aanroert herkende. Ik herinner me dat er in het nieuws volop over gepraat werd, maar het was nu voor het eerst dat ik alles overzichtelijk gepresenteerd kreeg, voorzien van deskundig commentaar en geplaatst in een bredere context.

Op zo’n moment realiseer je je dat je braaf elke dag de krant kunt lezen en het Journaal kunt kijken en dat erg veel je toch nog ontgaat. Geschiedenis is ook lastig te begrijpen als je er midden in zit.

Een voorbeeld: ik heb me nooit gerealiseerd hoe dicht we tegen een echte crisis, misschien zelfs wel ineenstorting hebben gezeten tijdens de financiële crisis van 2008.
Je las over banken die dreigen om te vallen, financiële reddingsplannen en eisen die gesteld werden aan landen die op hulp waren aangewezen. Maar je eigen kleine leventje ging door en je dacht dat alles wel op z’n pootjes terecht zou komen.

De grote kracht van Mak is, naast zijn persoonlijke toon, dat hij alle informatie met elkaar verbindt en steeds laat zien hoe alles paste in de grote geschiedenis van het verenigd Europa.

Op een enkel punt zaagt de schrijver wel erg dikke planken. Zo stelt hij de onderwijssituatie in zijn Friese woonplaats wel wat simplistisch voor: zijn vriend de onderwijzer functioneerde geweldig, maar werd flink tegengewerkt door leidinggevenden die het geld niet ten goede lieten komen van de leerlingen maar er dure etentjes van betaalden. En dan stelden ze ook nog een directeur aan die geen Fries sprak…

Voor mij was het een eye-opener te lezen welke geweldige rol Duitsland heeft gespeeld in de vluchtelingencrisis. Ik wist dat natuurlijk van het “Wir schaffen das” van Merkel, maar heb me onvoldoende gerealiseerd hoe fantastisch grote delen van de Duitse bevolking zich hebben opgesteld. Het maakte indruk op me toen ik las dat er 6000 mensen bijeen waren geweest op een protestbijeenkomst tegen migratie, maar dat er enkele dagen een tegenmanifestatie was met 65.000 deelnemers. #wirsindmehr.

 

Ik schreef al eerder over de televisieserie die nu nog loopt: interessant, maar de betrokkenheid van Geert Mak is wat mij betreft onduidelijk (in ieder geval lang zo groot niet als bij de eerste serie).

 

Grote verwachtingen van Geert Mak                             9

 

 

Een borreltafelartikel over onderwijs

Op de voorpagina van de Volkskrant staat een mooie foto van een klassensituatie op een VMBO.

Gratis bijles, vaste werktijden voor alle docenten, een minutieus plan voor iedere leerling. In een fonkelnieuw gebouw vol kleuren legt directeur Dennis Maharban uit hoe hij een zeer zwakke vmbo-school in Rotterdam omvormde tot een doorslaand succes.

Verderop in de krant wordt op twee pagina’s uitgelegd dat het eigenlijk helemaal niet zo moeilijk is om een zwakke school om te toveren tot een excellente.

Het stuk staat vol foute aannames en geeft bitter weinig inzicht in de werkelijke mechanismen van een school. Je hebt slechts een standvastige bevlogen directeur nodig die hogere eisen stelt, confronterende gesprekken voert en flink top-down werkt. Voilà!

Het is toch eigenlijk zo simpel. Docenten moeten niet de lerarenkamer in- en uitlopen. Op het Melanchton (ik dacht dat dit de naam was van een farao, maar het blijkt een Duitse theoloog en filosoof uit de 15e eeuw te zijn) zijn de docenten van kwart over acht ’s morgens tot half vijf ’s middags aanwezig. Vijf dagen per week. “Er zijn geen scheve gezichten over docenten die er de kantjes van aflopen”.

Wat moeten we hieruit opmaken? Docenten werken niet hard genoeg en zijn niet genoeg uren op school.

Leraren die ’s morgens geen les geven gebruiken deze eerste uren om hun lessen voor te bereiden. Belangrijker: ze zijn altijd beschikbaar voor leerlingen en ouders met vragen. Zijn de leraren ’s middags klaar met hun lessen, dan gebruiken ze hun tijd op school ook om bijles te geven.

We weten nu: leraren kunnen hun tijd niet efficiënt indelen. Het is fout dat ze niet altijd beschikbaar zijn.

Levert dat geen extra werkdruk op, al die bijlessen? Docent Miriam Rozendaal reageert bijna verontwaardigd. “Ik krijg er gewoon uren voor, hoor.” Als je leerlingen het slecht doen, dát levert pas werkdruk op.
Het is een schande dat de meeste scholen niet aan gratis bijles doen.

Dus: klachten over werkdruk zijn onzin. Scholen gaan inefficiënt met beschikbare docent-uren om.

Geheim wapen van de directeur: een leerlingvolgsysteem dat de ontwikkeling van elke scholier minutieus in kaart brengt. Trots laat hij een Excellbestand zien met allemaal rode hokjes. Ook de persoonlijke ontwikkeling van een kind wordt gevolgd. De school gebruikt al die gegevens om een ontwikkelplan te maken.

Wat een flauwekul. Welke school beschikt nu niet over een uitgebreid leerlingvolgsysteem? Waar denk je dat de inspectie zijn oordeel op baseert?

De school bood vroeger alleen de theoretische leerweg aan. Toen kwamen er leerlingen binnen die dat niveau eigenlijk niet aankonden. Nu bieden ze alle VMBO-niveaus aan. Het slagingspercentage ging van 60-70% naar gemiddeld 98%.

(Nog even daargelaten dat dit een heel vreemde situatie was: bestond er werkelijk een VMBO-school in een achterstandswijk die alleen TL aanbood? Dan is een slagingspercentage van 60 nog heel hoog!) We kunnen nu concluderen dat categorale VMBO’s uit den boze zijn. Problemen worden opgelost en slagingspercentages worden hoger als je alle VMBO-niveaus aanbiedt.

Als je een school echt wil verbeteren moet je ook afscheid durven te nemen van collega’s die niet functioneren. Dat kan louterend werken.

Het is toch zo simpel: als directies wat minder soft waren zouden docenten een stuk beter gaan functioneren! (We hebben het nu even niet over de sterke rechtspositie van leraren – je kunt niet zomaar iemand ontslaan- en ook niet over hoe je aan enthousiaste nieuwe docenten komt).

Confronterende gesprekken, maar ook hulp! Leraren werden op cursus gestuurd en alle docenten werden aan een collega gekoppeld om bij elkaar mee te kijken in de les.

Directeuren zullen zich voor de kop slaan: gooi er een cursusje tegenaan en er geschieden wonderen. Waarom gaan ze niet vaker bij elkaar op lesbezoek? Tijd zat om regelmatig bij elkaar in de les te kijken en er dan uitgebreid over te praten.

Soms moet een directie top-down werken. Zo gaan we het doen, er is hier even geen democratie.
Het mooie is: na een tijd kun je dat afbouwen en komt steeds meer  verandering vanuit de docenten zelf.

Leve de sterke man. De leraren vinden het heerlijk om autoritair geleid te worden en gaan dan vanzelf inzien dat ze het altijd fout gedaan hebben. Ze zullen dankbaar zijn voor deze les.

Betrokkenheid van ouders krijg je voor elkaar als je aan het begin van het jaar een kennismakingsgesprek organiseert (en de schoolboeken niet meegeeft als ouders niet komen).

Dat andere scholen hier niet opkomen! “Zachte dwang” helpt. Je hoeft maar een keer zo’n actie te ondernemen en je hebt alleen nog maar tevreden ouders.

Wat een gemakzuchtige, infantiele reportage.

Wat een hoog verjaardagsgesprekgehalte: als de leraren maar wat harder werken en niet zo zeuren, als je maar een ferme schoolleiding hebt en als je de ouders maar intelligent benadert: alle problemen verdwenen!

 

Ik vraag me af of de verslaggever het boek Superschool van Erik van ’t Zelfde gelezen heeft. (Lees mijn blog hierover).

Hij was directeur van een Rotterdamse school, die als zeer zwak werd beoordeeld. Hij zag kans de school er weer helemaal bovenop te krijgen. Maar de prijs was hoog.

Hij verlangde van zichzelf en van zijn docenten een maximale inzet, ze werkten talloze uren die niet betaald konden worden en dit ging ten koste van de gezondheid.
Hij moest ongelooflijk hard knokken om steun te krijgen van bestuur en gemeente en moest rechtszaken voeren om voor elkaar te krijgen dat hij leerlingen van school kon verwijderen.
Er was nooit voldoende geld. Hij had grote moeite met een aantal ouders, werd zelfs bedreigd.

Juist deze week publiceerde van ’t Zelfde een bevlogen en cynische brief waarin hij de alarmklok luidt: kansenongelijkheid en achterstanden nemen schrikbarende vormen aan en bij het huidige beleid wordt het alleen maar erger.(Deze brief stond op Facebook, ik kan er niet naar linken).

 

Misschien was het tijd voor een optimistisch stuk over het onderwijs, maar een simplistisch artikel als dit, waarin zaken niet genoemd worden of gebagatelliseerd en waarin leraren worden geschoffeerd, daar zit echt niemand op te wachten.

Welcome Aboard

Als kind verslond ik boeken over vliegtuigen en vliegers. Ik kende de meeste typen vliegtuigen en had een kaartsysteem met de namen en logo’s van alle luchtvaartmaatschappijen van de wereld. Ik kon dus omhoogkijken en vaststellen dat er een DC-8 van Lufthansa overvloog.

Ik wist zeker dat ik later piloot zou worden en had voor mezelf alvast een cockpit gebouwd met een doorgezaagd autostuur (want iedereen weet dat ze in een vliegtuig altijd halve sturen hebben) en gekleurde knijpers die dienden als schakelaars, want daarvan zitten er honderden in een echte cockpit. De co-piloot moet er altijd heel veel van in een andere stand zetten, vóór de captain langzaam twee of vier (afhankelijk van het aantal motoren) handels naar achteren trekt waarmee hij de motoren tot meerder omwentelingen aanzet. Het vliegtuig begint langzaam te rollen en stijgt uiteindelijk op.
Dan moet voorlopig het laatste knopje worden omgezet (dat van het landingsgestel) en kunnen de mannen in het blauw achteroverleunen, genieten van het uitzicht boven de wolken en wachten tot de knappe stewardess hun een kopje koffie komt brengen.

Ik werd lid van de KLM-jeugdbrigade (ik weet niet meer of het echt zo heette) en ontving een verrassingspakket met daarin een paar prachtige posters, die jarenlang mijn jongenskamer gesierd hebben en een vreselijk mooie speld die ik tot mijn grote spijt al heel snel kwijt was.

Er kon dus met betrekking tot mijn carrière niets meer misgaan, ware het niet dat je voor de vliegersopleiding een Atheneumdiploma nodig had. En om dat diploma te halen moest je een wiskundeknobbel hebben.

Ik kwam er na vier jaar achter dat mijn knobbel niet groot genoeg was, of de verkeerde vorm had.
Ik werd dus onderwijzer, ook een mooi beroep maar met wat minder glamour.

Uiteraard heb ik nooit mijn enthousiasme met betrekking tot vliegtuigen verloren, ik houd er nog steeds heel erg van erover te lezen en vind het ook heerlijk om een middagje op Schiphol door te brengen.

Het Aviodome in Lelystad beschikt onder andere over een prachtige Constellation (koningin van de lucht) en er staat ook een Boeing 747. Wat is dat een gigantisch vliegtuig. Fascinerend.

 

Met echt vliegen heb ik een probleempje. Het beeld van met z’n allen opgesloten zitten in een smalle buis die met levensgevaarlijke snelheid heel hoog boven de onmetelijke oceaan vliegt boezemt mij grote angst in.
Als het om reizen gaat neem ik veel liever de trein.

Ik vermoed dat behalve mijn gebrekkige beheersing van de wiskunde mijn vliegangst ook wel een belemmering had kunnen vormen voor mijn aanvankelijke beroepskeuze.

Als luchtvaartafficionado en KLM-fan moest ik natuurlijk overgaan tot de aanschaf van Welcome Aboard!, een eeuw KLM.

 

Het is een prachtig boek, geschreven vanwege het 100-jarig jubileum van onze nationale luchtvaartmaatschappij.

De auteurs hebben gekozen voor een thematische benadering en een opbouw waarin vijf theoretische hoofdstukken worden afgewisseld met verhalende teksten (en veel foto’s) over de KLM en de KLM-mers.

Er is heel veel te bekijken, de auteurs hadden toegang tot het bedrijfsarchief, maar het geheel valt toch wat tegen.

Ik had gerekend op spannende verhalen, bijvoorbeeld over de eerste vlucht op Indië of de beroemde vlucht van de Uiver die deelnam aan een luchtrace naar Melbourne.

Ze worden wel verteld, maar ik kan niet zeggen dat het enthousiasme er vanaf spat.

Het boek is informatief en onderhoudend, maar de jonge vliegtuig-enthousiasteling in mij werd niet wakker.

Welcome Aboard
Bram Bouwens en Frido Ogier                                 7


Er is een mooi raakpunt met mijn postzegelhobby: Christiaan de Moor ontwierp een fraaie postzegel met het portret van Albert Plesman (de grondlegger van de KLM) en ik kwam in het bezit van een bijzondere brief.

 

Deze is in 1946 naar het Central Post Office van New York gestuurd met het verzoek hem onmiddellijk te retourneren aan de afzender.
Die was het vooral te doen om de bijzondere stempels en om het gedenkwaardige gegeven dat zijn brief mee was gegaan met de eerste trans-Atlantische vlucht van de KLM.

In Europa II

Ik las de twee kloeke boeken In Europa van Geert Mak destijds ademloos uit. Ik was bijzonder te spreken over zijn stijl en onderwerpkeuze en schreef er eerder over.

 

Hij heeft nu de draad weer opgepakt waar zijn vorige werk eindigde: 1999. Zijn nieuwe boek heet Grote verwachtingen, ik ben halverwege en denk dat het net zo goed is als In Europa.

Datzelfde kan ik niet zeggen van de televisieserie die op dit moment wordt uitgezonden. Je denkt dat het een direct vervolg is op de eerste, die een geweldige aanvulling vormde op het boek.

Weliswaar begint Mak weer elke aflevering met “Waar waren we ook weer gebleven?”, maar daarna lijkt het of zijn bemoeienis minimaal is.

De serie is gemaakt door Roel van Broekhoven en Stefanie Brouwer, ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat ze een beetje meeliften met Geert Mak.

Inhoudelijk is hij helemaal niet slecht, integendeel, gisteravond was weer een heel boeiend portret van een vrouw die na 75 jaar de boodschap krijgt dat de stoffelijke resten van haar verdwenen ouders gevonden zijn. Ze waren in een gletsjerspleet gevallen en omdat er zoveel ijs gesmolten is kwamen hun lichamen tevoorschijn.

De makers argumenteren dat ze aan de hand van persoonlijke verhalen inzicht geven in de geschiedenis die zich nu afspeelt. “Op heterdaad betrapt” noemen ze het.

Ik vind de constructie wat gezocht.  Mooie documentaires worden min of meer geforceerd onder de paraplu van Geert Mak gebracht, ze zouden ook net zo goed buiten die context kunnen zijn uitgezonden. Maar deze manier van presenteren trekt natuurlijk veel meer aandacht….

Nogmaals, de films zijn mooi en goed gemaakt. Wel vreemd is de keus van de makers om het commentaar consequent te laten inspreken door een collega uit het land waarin gefilmd is. Geert Mak is de enige die (heel kort) Nederlandse teksten uitspreekt. (Niet langer terwijl hij op het spoor loopt trouwens, dit is hem door de NS verboden!). Je hoort verder Frans, Fins, Russisch, Engels en nog andere talen.
Ik begrijp niet goed wat hiervan de bedoeling is. Je gaat haast denken dat het hier om buitenlandse producties gaat…

Wie, net als ik, tegelijkertijd het boek leest en de serie bekijkt komt tot de ontdekking dat er nauwelijks overlap is. Het boek gaat systematisch in op de gebeurtenissen sinds de eeuwwisseling, beschrijft hoe de politieke processen verlopen en geeft oorzaken en gevolgen aan; de televisieserie is anekdotisch en geeft volstrekt geen totaaloverzicht.

Ik ga uiteraard het boek uitlezen en zal zeker naar de resterende afleveringen van de televisieserie kijken, maar blijf wel met een aantal vragen zitten.

Wellicht valt het binnenkort ook een tv-recensent op en krijg ik misschien wat antwoorden.

 

The Testaments

Het is alweer een tijdje geleden dat we onze laatste aflevering zagen van de prachtige televisieserie The Handmaid’s Tale. Ik moet eens gaan uitzoeken waar we gebleven waren, want inmiddels is er alweer een nieuw seizoen verschenen geloof ik.

Elisabeth Moss speelt haar rol voortreffelijk en verhaal en aankleding zijn erg goed.

De serie is gebaseerd op het boek van Margaret Atwood, dat ze al in 1985 schreef.

Sinds kort is er nu ook het vervolg: The Testaments.

Dit tweede boek viel me tegen. Probleem is, dat het niet zo goed in een bepaald genre is te plaatsen. Is het een psychologische roman? Een thriller, of science fiction?

De term dystopisch wordt gebruikt. De boeken passen in de traditie van 1984 (George Orwell), Fahrenheit 451 (Ray Bradbury) en Brave New World (Aldous Huxley).

In dit opzicht is het boek indrukwekkend: het fundamentalistische Christendom in Amerika is een heel belangrijke factor in de politiek, de invloed groeit. Wat zou er gebeuren als die groepering aan de macht komt? Atwood werkt dat gegeven goed uit, zeker met betrekking tot de positie van de vrouw.

Als je het boek leest als thriller heeft het tekortkomingen. Het is een zwakke kunstgreep mensen van de toekomst te laten terugkijken aan de hand van toevallig gevonden manuscripten. Het slot (met “spannende” ontsnappingsscène) wordt afgeraffeld en is verre van ingenieus.

Atwood ziet geen moment kans een reëel beeld te schetsen van Gilead, de fundamentalistische staat die na een revolutie ontstaan is. Er wordt gesproken over een oorlog waarin het land verwikkeld is, maar we krijgen geen enkel beeld van hoe het land reilt en zeilt. Het lijkt eerder op een dorpsgemeenschap van enkele honderden zielen.

 

Het boek is prachtig uitgegeven (de witte kap die de Handmaids moeten dragen is inmiddels iconisch geworden), maar de inhoud is niet navenant. Onbegrijpelijk dat het de beroemde Bookerprize van 2019 heeft gewonnen.

 

The Testaments van Margaret Atwood         6 ½