Erebus

Toen ik zag dat er een nieuw boek van Michael Palin verschenen was, moest ik het natuurlijk hebben. Ik vond de cover prachtig, het onderwerp sprak me aan (ik houd van zeilschepen) en ik ben een groot bewonderaar van de schrijver. Ik heb hem natuurlijk leren kennen als lid van Monty Python, dat bastion van geweldige Engelse humor, maar zag ook meerdere tv-series waarin hij de wereld afreist.

Het boek vertelt het verhaal van de Erebus en haar zusterschip, de Terror. Deze schepen (met een bemanning van 129 koppen) verdwenen in 1846, terwijl ze een poging deden de Noord-west passage te vinden tussen Canada en de Noordpool.

Er werd nooit meer iets vernomen van de schepen, tot 2014: toen werd de Erebus ontdekt op geringe diepte.

De ondertitel is The Story of a Ship. Palin vertelt inderdaad de hele geschiedenis van de Erebus vanaf de tewaterlating in 1826 tot de verdwijning. Aan de noodlottige tocht naar de Noordpool ging nog een andere expeditie vooraf, naar Antarctica.

Hij schrijft over het schip, maar ook over haar bemanning en de vele reddingspogingen die destijds ondernomen zijn.

Het is onvoorstelbaar hoe verschrikkelijk de omstandigheden waren op een zeilschip in de negentiende eeuw: kou, honger en scheurbuik kwamen nog bovenop de “gewone” risico’s van het varen in dergelijke onherbergzame wateren op een houten scheepje van amper 30 meter lang.

Maar er was een enorme honger naar kennis en glorie: er waren toen nog letterlijk compleet maagdelijke gebieden te ontdekken.

Het boek leverde voor mij een verrassing op: er was een belangrijke rol weggelegd voor kapitein James Ross. Toen ik die naam las besefte ik dat ik geboren ben in een straat die naar hem vernoemd is: de James Rosskade in de Amsterdamse wijk Bos en Lommer.

Ik heb als kind nooit stil gestaan bij het feit dat de straten in mijn buurt genoemd waren naar ontdekkingsreizigers (Amundsenweg, Fridjof Nansenhof).

Toen ik een eindje gevorderd was in het boek kreeg ik een sterk gevoel van déja vu (of misschien correcter: déja lu).

Ik ging op zoek in mijn boekenkast en vond inderdaad een boek dat ik in 1989 had gelezen, dat over dezelfde expeditie ging!

Ik las het boek destijds met een mengeling van fascinatie en gruwel: vooral de foto’s van de uitstekend geconserveerde lijken waren heel eng.

 

Palin kent het boek ook, hij noemt het in zijn bronnenlijst. Vreemd genoeg zitten er wel wat verschillen in de boeken. Palin besteedt amper aandacht aan de verhalen over kannibalisme en het fascinerende gegeven dat de bemanningsleden misschien wel gestorven zijn door het eten van voedsel uit conservenblikken. (De manier om voedsel op die manier houdbaar te maken was nog nieuw en het vermoeden bestaat dat via ondeugdelijke soldeernaden lood in het eten was gekomen).

Palin is een beschaafde gentleman en wil zich kennelijk niet verlagen tot dit soort sensationele onderwerpen.

 

Een mooi, lezenswaardig boek. Blij dat ik warm thuis zit en niet mee hoef op zo’n gruwelijke reis.

 

Michael Palin: Erebus             8

Het Grote Spoorboek

Als groot treinen-liefhebber leek het me wel wat toen Spoor, het magazine dat NS uitbrengt, 15 euro korting bood op de aanschaf van Het Grote Spoorboek.

Ik zou alles te weten komen over mens en materieel, stations, personeel en reizigers (voor zover dat niet al onder “mensen” was behandeld), goederen en veiligheid.

De post bracht een zwaar pakket, het Grote Spoorboek was inderdaad groot. En zwaar.
Inhoudelijk heeft het boek minder gewicht.

Dit is hoe het boek tot stand moet zijn gekomen.
Het spoor bestaat 175 jaar en men steekt de koppen bij elkaar om na te denken over hoe dit gevierd moet worden.
Het gesprek wordt gedomineerd door enkele spoorfanaten, die vreselijk veel weten van treinen.
Als iemand voorstelt een speciaal boek uit te geven zijn ze natuurlijk van harte bereid de tekst te verzorgen. Voor foto’s kunnen ze terecht bij het Spoorwegmuseum, dat heeft er tienduizenden in het archief zitten.
De PR-mensen van NS kijken een beetje zuinig: als je deze enthousiastelingen hun gang laat gaan wordt het een compleet ontoegankelijk boek vol jargon en stoomtrein-nostalgie.
Dan suggereert iemand eens te kijken naar het succes van enkele grote fotoboeken  die de afgelopen jaren het licht hebben gezien. Hierin staan talloze foto’s uit de jaren zestig en zeventig en de mensen vreten het op. Vertederd  wijzen ze elkaar op de ouderwetse interieurs en de gedateerde kleding en vertellen elkaar dat ze nog precies weten hoe alles er toen aan toe ging. Dat alles vroeger veel beter was.
Als we nu eens een groot Spoorboek maken vol met foto’s, allemaal voorzien van onderschrift? Een fijn plan, waar niemand zich een buil aan zal vallen. “Maar het moet wel leesbaar blijven! Niet teveel vaktermen, want het boek wordt niet alleen door hobbyisten gekocht!”, bezweert de bezorgde PR-man.

De heren Veenendaal, Zeilstra en de Bruijn duiken het archief in, zoeken de mooiste foto’s bij elkaar en rangschikken ze thematisch (Spoor en tijd, spoor en stations, werken bij het spoor). Ze duiden locomotieven aan met een nummer (“een net geklede jongeman, die in een keurig colbertje en een nette broek met een simpele camera een 1300 fotografeert op Amsterdam Bovendok”) en een vrouwelijk persoonlijk voornaamwoord (“na jarenlange trouwe dienst wordt ze afgedankt”) en gaan ervan uit dat wij weten dat een bak een wagon is. Verder houden ze zich keurig in.

Ze letten er heel goed op dat het boek licht verteerbaar blijft.
Ze vragen onze aandacht voor sanseveria’s en narcissen in werkruimtes, de parasol van de keurige reizigster die goed van pas kan komen op een zonnige dag en de vlekkeloze uitmonstering van een amateurfotograaf.

Wie, zoals ik, gehoopt had heel wat te weten te komen over de achtergronden van het treinverkeer, graag wat interessante technische uitleg had gehad en antwoorden hoopte te vinden op prangende vragen, zoals: waarom staan alle treinen in Nederland stil als er een vlokje sneeuw valt? komt bedrogen uit.

Het boek past inderdaad naadloos in de serie Grote Boeken en zal een plekje vinden in mijn boekenkast.
Het zal misschien nog één keer opengeslagen worden door mijn erfgenamen, als ze zuchtend het huis moeten ontruimen.

Ik zal het niet herlezen, daarvoor is het te licht.

Het Grote Spoorboek:         5

 

Vooruit, één nostalgisch plaatje dan. Men begrijpt dat ik dit moet zijn geweest.

Wie corrigeert de ombudsman?

De Volkskrant heeft een ombudsman, wiens taak het is in de gaten te houden of de krant zich houdt aan de journalistieke ethiek. Een nieuwsmedium dat zichzelf serieus neemt wil graag verantwoording afleggen, een ombudsman kan daarbij een goed middel zijn.

Jean-Pierre Geelen heeft op dit moment die taak en hij kwijt zich daar over het algemeen goed van. Hij beschrijft het mechanisme van het verslaggevingsproces en legt af en toe fouten bloot maar komt ook op voor zijn collega’s.

Lezers leveren kritiek, vaak vindt men de aanpak van de krant te soft of juist te hard (of allebei..)

In de krant van afgelopen zaterdag gaat het over de opkomst van Baudet, die de gemoederen sterk bezighoudt.

Geelen laat zien dat een krant het niet gauw voor iedereen goed kan doen: sommige lezers vinden dat de krant een Baudetbode is, anderen klagen over Baudet-bashing.

In dit stuk laat de man die anderen de maat neemt nu zelf enkele steken vallen.

Ten eerste gaat hij helemaal los met de beeldspraak en vliegt hierbij behoorlijk uit de bocht.
Hij heeft een pakkende kop bedacht (Koers houden bij storm) en borduurt hier verder op door met een vergelijking tussen de krant en een olietanker.

Dit is een sterke metafoor, die meestal gebruikt wordt om aan te geven dat iets niet, of alleen met veel moeite te stoppen is. Een tanker is zo groot, dat niets hem van zijn koers kan brengen en zelfs bij volle kracht achteruit ploegt hij nog lange tijd voort.

Maar hoe gebruikt Geelen dit beeld? “Juist op stormachtige dagen, wanneer een grote gebeurtenis de dag of week domineert, raakt het schip op drift”. Hij heeft het over toetsenborden die in de machinekamer aan het ratelen slaan en vertelt dat er een golfvloed aan stukken en stukjes ontstaat (Is het niet vloedgolf?). “In dat kolkende krachtenspel is vooral in het begin de koers voor alle opvarenden even ongewis”.

Hij is nu echt op gang en besluit nog even voort te borduren op deze water-thematiek: “De wens om een waaier te zijn te zijn is de bron van een stroom aan kritiek. Die droogt niet op zolang de meningen in de krant blijven stromen.”

Dan blijkt dat Geelen’s nautische kennis niet verder reikt dan zijn eigen ratelende toetsenbord, want hij gaat nog even verder met zijn gebrekkige beeldspraak: “Ideaal zou zijn dat op de voorplecht een kapitein tijdens de storm de wacht hield en zou afremmen en bijsturen”.

Iedereen weet dat de kapitein op de brug hoort, vanwaar hij aanwijzingen kan geven aan de roerganger en de machinist. Op de voorplecht kan weinig uitrichten.
Het stuk eindigt in stijl: “varen bij storm vergt alle handen aan het stuurwiel”. Ook dat lijkt me niet echt praktisch of gewenst.

In het laatste stuk van het artikel doet hij uit de doeken hoe de krant te werk was gegaan bij het weergeven van “voxpopjes” (portretjes van “willekeurige” Nederlanders). Er was geen sprake van willekeurigheid, de gesprekspartners kwamen allemaal uit hetzelfde wereldje, twee waren bekenden van de auteur.

Geelen vindt dat de krant hier onjuist heeft gehandeld, maar vermeldt en passant dat de schrijfster een stagiair was, een detail dat mijn inziens niet relevant is. Stagiaires mogen per definitie fouten maken, het is de taak van hun begeleiders ervoor te zorgen dat er geen brokken gemaakt worden. Zij zijn verantwoordelijk. Het gaat dus niet aan haar op deze manier publiekelijk aan de kaak te stellen.

Het komt me voor dat de krant beter koers kan houden als Geelen aan wal blijft.

Lampje

Hoe lang is het geleden dat ik een kinderboek las?

Best lang, het kan heel goed zijn dat ik nog op de Pedagogische Akademie zat.

Ik kreeg een boekbespreking onder ogen, zag het prachtig vormgegeven omslag en wist dat ik het boek moest lezen.

Lampje, door Annet Schaap, is bekroond met de Gouden Griffel 2018 en kreeg de Woutertje Pieterse prijs en de Nienke van Hichthumprijs..

 

Wat een prachtig boek! Het is een kinderboek, maar het taalgebruik is volstrekt niet kinderachtig.

 

Dit is een verhaal over de zee. Over geheimzinnige zeewezens en woeste piraten. Over het Zwarte Huis van de Admiraal, waarvan ze zeggen dat er een monster woont. Over een grijze vuurtoren op een eiland dat nog net vastzit aan het vaste land. Over Lampje, de dochter van de vuurtorenwachter, die iedere avond de eenenzestig treden beklimt om het licht aan te steken. Over een stormachtige avond, waarop de lucifers op zijn en alles misgaat.

Maar vooral over dapper zijn en meer kunnen dan je ooit had gedacht.

 

Schaap creëert een heel interessante wereld waarbinnen Lampje (de hoofdpersoon) haar weg moet vinden. Deze wereld is losjes opgezet: de schrijfster doet geen moeite ons precies te vertellen waar en wanneer het verhaal zich afspeelt, dat is ook niet belangrijk.

En passant komen er nogal wat belangrijke thema’s langs: dood, liefde, trouw en trots.
De meisje en vrouwen zijn zelfbewust en laten niet met zich sollen.

De illustraties zijn ook van de hand van Schaap, ze illustreerde meerder boeken, dit is het eerste dat ze ook schreef. Ze zijn een lust voor het oog.

Annet Schaap

 

Een fantastisch boek, lezen!

 

Lampje van Annet Schaap                  9

 

 

N.P de Koo

Ik kreeg de beschikking over enkele oude postzegelalbums en trof daar dit intrigerende plaatje aan.

Het is duidelijk geen postzegel en het hoort dus eigenlijk niet in zo’n album thuis. Ik heb het natuurlijk wel bewaard, omdat het duidelijk oud is en omdat de grafische stijl me aansprak. De belettering paste in het tijdvak rond 1920 en het onderwerp sprak me ook aan.

In de tijd dat Indonesië nog een kolonie was van Nederland was de radio een heel belangrijk communicatiemiddel. Men kon via Radio Holland telefoneren met Indië, maar dat was uiterst kostbaar (33 gulden per minuut).

De radiozender stond in Kootwijk, een prachtig kathedraalachtig gebouw met prachtige architectuur en fraaie beelden aan de gevel.

Een telegram sturen was natuurlijk minder kostbaar, dus dat zal vaker gebeurd zijn.

Onlangs stuitte ik op het boek N.P. de Koo, grafisch vormgever en interieurarchitect. Toen ik zijn werk zag wist ik bijna zeker dat mijn plaatje door hem ontworpen moet zijn.

 

 

De Koo leefde van 1881 tot 1960 en verzorgde veel drukwerk voor de PTT. Hij ontwierp ook uithangborden, interieurs en zelfs een brievenbus.

 

Daarnaast ontwierp hij stands voor tentoonstellingen en verzorgde hij o.a. het interieur van Villa Zandbergen in opdracht van de cacaofabrikant Blooker.

 

Hij was tegelijkertijd ambachtsman en kunstenaar en dat leverde prachtige resultaten op.

Het boek is mooi geïllustreerd, maar de schrijver heeft onvoldoende balans gebracht in de tekst. Er is een uitgebreid notenapparaat, maar de onderschriften (in iets kleinere letter) nemen veel teveel plaats in. Menig bladzijde heeft meer voetnoot dan basistekst.
Ook citaten zijn in een kleine letter gezet, als ze wat langer zijn levert dit een lelijk tekstbeeld op.
Je verwacht dat een boek als dit beter verzorgd zou zijn.

Bijzonder is, dat met dit plaatje een aantal van mijn belangstellingsgebieden bij elkaar komen: Indië, grafiek, Art Deco en post.

   

Villa Zandbergen

Heerlijk boek om te lezen, maar het had een betere vormgever verdiend.

 

De tolk van Java

Lang geleden werkte ik op een school in de Amsterdamse Kinkerbuurt en ontmoette op een ouderavond de vader van een van mijn leerlingen.

Hij stelde zich voor als Raymond Westerling en ik herkende hem meteen als de beruchte kapitein die dienst had gedaan in Indonesië tijdens de politionele acties. Er werd van hem verteld dat hij gevangenen had laten martelen en dat hij sommigen standrechtelijk had geëxecuteerd.

Ik deed mijn best me te concentreren op het gesprek over zijn dochter, maar moest na afloop wel even slikken.

Ik wist van hem omdat ik altijd al een bijzondere interesse gehad heb in onze voormalige kolonie. Ik heb heel wat boeken gelezen, documentaires gezien en bezoek al jarenlang de Pasar Malam in Den Haag om wat sfeer op te snuiven.

Een zekere ongezonde Tempo Doeloe-mentaliteit kan mij niet ontzegd worden. Ik kijk naar de foto’s van blanken op plantages, comfortabel gezeten in rotanstoelen op de veranda van hun koloniale villa terwijl ze bediend worden door eerbiedig inlands personeel. Voor elk klusje een bediende, ze mochten blij zijn dat ze een betrekking hadden. Ons Indië, de Gordel van Smaragd…

Een van mijn vrienden is als baby naar Nederland gekomen (ik maak het verhaal altijd mooier door te zeggen dat hij op de boot geboren is) en heeft mij veel verteld over zijn Indo-familie.

Ik wist wat er zich had afgespeeld in de Tweede Wereldoorlog en ook dat Nederland maar wat graag de koloniale verhoudingen na afloop weer in ere wilde herstellen. Alles zou worden als vroeger en we zouden weer volop profiteren van de rijkdommen van onze overzeese gebiedsdelen.

Het was een beetje anders gelopen: de Indonesiërs hadden gezien dat de machtige blanke bezetter verslagen werd door een ander Aziatisch volk en ontdekt dat het dus ook anders kon.

Men wilde dat er een eind kwam aan de koloniale overheersing en dat Indonesië onafhankelijk zou worden. Er brak een verschrikkelijk wrede periode in de geschiedenis van Indonesië aan. Vooral tijdens de Bersiap (het machtsvacuüm dat ontstond na de capitulatie van Japan op 15 augustus 1945) werden talloze blanken, Indo’s, Chinezen en van collaboratie verdachte inlanders vaak op gruwelijke wijze vermoord.
Met name Amerika drong er na de Tweede Wereldoorlog op aan bij de Europese staten dat ze hun voormalige koloniën zouden opgeven.

Nederland stribbelde tegen en probeerde met harde hand het gezag te herstellen. Met dit doel werden twee politionele acties ondernomen, een eufemisme voor koloniale oorlog.

Het liep op een mislukking uit. Nederlandse strijdkrachten begingen oorlogsmisdaden maar konden niet winnen en uiteindelijk werd de onafhankelijkheidsverklaring getekend.

Heel veel Indische Nederlanders moesten vluchten naar Nederland omdat ze niet meer veilig zouden zijn als ze bleven.
Nederland deed mooie beloften aan met name ex-soldaten van het KNIL maar kwam die niet na.

Grote groepen Indo’s moesten in Nederland een bestaan opbouwen. Ze hadden problemen met heimwee, discriminatie en wennen aan de Nederlandse samenleving. Twintig jaar later zouden jonge Molukkers gewelddadig aandacht opeisen voor het onrecht dat hen was aangedaan.

Dit is de achtergrond van de hoofdpersonen in De tolk van Java, van Alfred Birney. Het boek won de Libris Literatuurprijs 2017 en werd een bestseller.

Ik las het boek en was een beetje teleurgesteld.

Die meeste aandacht gaat uit naar de vader van de hoofdpersoon, die eerst tegen de Japanners vocht en daarna optrad als tolk voor de Nederlandse strijdkrachten. De titel tolk is misleidend, omdat hij veel meer deed dan vertalen. Hij martelde vrijheidsstrijders en vocht volop mee.

De vader heeft zelf een verschrikkelijke jeugd gehad, moest daarna uitwijken naar Nederland omdat hij de koningin altijd trouw was gebleven en behandelt zijn kinderen dan net zo wreed als hij zelf gewend was.

Hij kreeg deze kinderen met een Nederlandse vrouw uit Helmond. Ze hadden elkaar als correspondentievrienden leren kennen.

De vader voert een schrikbewind uit en werkt voortdurend aan zijn memoires, rammelend op een oude Remington schrijfmachine.
Het boek laat bij toerbeurt zoons (een tweeling) en vader aan het woord, vaak spreekt de jongen zijn vader toe. Het middelste gedeelte bestaat uit het levensverhaal van de vader, de zoon beschikt over het manuscript.
Er is een heel duidelijk verschil in schrijfstijl: ik kom er niet achter of dit inderdaad een gevolg is van het letterlijk citeren uit het manuscript, of dat Birney op deze manier authenticiteit wilde verlenen aan het gedeelte dat aan zijn vader wordt toegeschreven.

Birney zelf schrijft goed, maar heeft geen literaire stijl. Hij bedient zich vaak van spreektaal en brengt weinig psychologische diepgang aan.

Als hij zijn vader aan het woord laat ziet het er nogal onbeholpen uit. Ik heb er af en toe moeite mee te geloven dat iemand werkelijk op deze manier over zichzelf schrijft.
Voorbeeld: er komen zeker vier passages voor waarin de hoofdpersoon zich moet melden bij een meerdere. Elke keer vertelt hij dat hij stram in de houding gaat staan en salueert.

Een onderhoudend boek, dat waarschijnlijk heel dicht tegen de werkelijkheid aanzit, maar dat volgens mij de vele loftuitingen niet helemaal waard is.

Kapitein Raymond Westerling wordt één keer genoemd in het boek, maar speelt geen enkele rol….

 

De tolk van Java         6

 

 

Factfulness

Het zijn geen blijde tijden voor de pessimisten onder ons.  Als je het hoofd niet in het zand gestoken hebt is er ook weinig reden om de wereld zonniger in te zien.

Je kunt bijna geen kant uitkijken of je wordt geconfronteerd met wat allemaal fout gaat.
Het meest deprimerende voorbeeld hiervan is niet lang gelden gekozen tot president van de Verenigde Staten.

Gelukkig biedt humor soms een uitweg

 

 

 

Verder helpt het erg als je het laatste boek van Hans Rosling leest:

Factfulness; ten reasons we’re wrong about the world – and why things are better than you think.

 

Rosling is medicus en statisticus. Hij benadert alle problematiek vanuit de beschikbare data en blijft erop hameren dat dit de enig juiste methode is.

 

Het is slecht gesteld met de feitenkennis, niet alleen bij leken maar ook bij talloze gezelschappen van wetenschappers en beleidsmakers. Door de jaren heen nam hij elke gelegenheid te baat de groepen die hij toesprak te testen op hun feitelijke kennis van de situatie in de wereld, het resultaat was iedere keer bedroevend. Een chimpansee zou het in de meeste gevallen beter hebben gedaan.

Hij legde zijn gehoor vragen voor als:

In all low-income countries across the world today, how many girls finish primary school? (20, 40 or 60 %).
En:
How many of the world’s 1-year-old children today have been vaccinated against some disease? (20, 50 or 80 %)?

De juiste antwoorden zijn 60% en 80%.
Heel veel mensen hebben een veel negatiever beeld van de situatie op de wereld dan gerechtvaardigd is.
Punt is, dat op grond van deze pessimistische kijk heel veel fout beleid wordt gemaakt en heel veel geld verkeerd wordt uitgegeven.
Rosling voert een kruistocht tegen vooroordelen gebaseerd op slechte of onvolledige informatie en “gut-feeling”. Hij pleit voor zorgvuldig beleid gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek.

Rosling toont aan dat we af moeten van het vage onderscheid tussen rijke, ontwikkelde landen en arme onontwikkelde. Er is de laatste decennia ongelooflijk veel veranderd, de oude terminologie is niet meer geschikt.
Hij gebruikt in zijn boek een indeling die gebaseerd is op inkomen: als je op grond hiervan statistieken opmaakt zijn die veel zuiverder dan wanneer je uitgaat van geografische of demografische overeenkomsten.

Een steeds terugkomend fenomeen in zijn presentaties is het stippendiagram. Op een grafiek met x- en y-as wordt data geprojecteerd in de vorm van grote en kleine gekleurde balletjes. Aan de hand van hun positionering wordt de informatie gepresenteerd, in een geanimeerde versie kan ook nog de factor tijd worden ingevoerd: de ballen worden dan groter of kleiner en verschuiven over de grafiek. Grafisch mooi, effectief en indrukwekkend.

De schrijver laat zien dat onderzoeksgegevens van de VN er heel duidelijk op wijzen dat er op heel veel terreinen in vergelijking met 100 jaar geleden ongelooflijk veel vooruitgang is geboekt.
Probleem is dat onze zienswijze door allerlei denkfouten (zoals verkeerd generaliseren, het “enkele perspectief-instinct” en het “urgentie-instinct”) systematisch te pessimistisch wordt ingekleurd. Hij stelt deze fouten in tien hoofdstukken achter elkaar aan de orde en geeft mooie voorbeelden.

Je zou bijna denken dat Rosling een blij ei is, en geen oog heeft voor wat wel degelijk mis is op de wereld.
Dat is hij gelukkig niet, hij erkent dat er nog heel veel moet gebeuren en dat er reële bedreigingen zijn, maar wil ons er graag van overtuigen dat de wereld tegelijkertijd bad kan zijn, maar ook better. Hij geeft het voorbeeld van zijn eigen grootvader, die 100 jaar geleden geboren werd. Die leidde een totaal ander leven dan hij. Ga maar na wat er in al die tijd veranderd/verbeterd is. En dat binnen drie generaties!

Of we nu zo blij moeten zijn met zoveel nieuwe muziekopnamen en mobiele telefoons is de vraag, maar er is toch wel heel veel reden om wat minder pessimistisch te zijn.

Nu nog even de beleidsmakers overtuigen…..

 

Factfulness                 9

Er staat een flink aantal Ted-talks op Youtube, dit is een korte

 

 

De lagere school

Uitgevers zijn altijd op zoek naar boeken die ze kunnen uitgeven die niet zoveel gekost hebben en toch veel geld opbrengen.

Marktonderzoek heeft ongetwijfeld aan het licht gebracht dat nostalgie het erg goed doet.

Als het aantal levensjaren toeneemt treden nostalgische gevoelens wellicht ook meer op de voorgrond.
Iedereen (behalve Henk Krol) weet dat pensionado’s over het algemeen goed in de slappe was zitten, dus ligt het voor de hand deze steeds groter wordende groep te paaien.

Het getuigt dus van briljant zakelijk inzicht dat er steeds meer boeken verschijnen die het verleden in beeld brengen en ook vaak romantiseren.

Ik heb een aardig aantal in bezit: fotoboeken over de vijftiger jaren (heerlijk zwart-wit en in elke straat maar twee auto’s), het grote jaren 50 en 60 boek en Gouden jaren van Annegreet van Bergen.

 

 

 

Mijn nieuwste aanwinst is De lagere school van Wim Daniëls.

De titel zegt het al, het boek gaat over de voorloper van de basisschool.
Ik zat zelf op een lagere school in Amsterdam en gaf er later ook les. Ik maakte de overgang van het oude systeem naar het nieuwe mee en zag er naar uit alle oude herinneringen weer eens op te halen.

Toen ik het boek doorbladerde kwamen moest ik meteen denken aan:

  • De meester die vertelde aan de hand van de schoolplaten (wij rekten de les expres door onbenullige vragen over details te stellen die de meester geduldig allemaal beantwoordde).
  • Het voorlezen uit verschrikkelijk spannende boeken.
  • De schoolmelk. Als het jouw beurt was mocht je met een scherp potlood gaatjes in de aluminium doppen prikken. Soms werden de kratten bij de kachel gezet omdat de inhoud gedeeltelijk bevroren was; toen wij de flesjes mochten leegdrinken zat er nog steeds een klont bevroren water in, de overgebleven romige vloeistof smaakte heel vies.
  • Het klaar-overen: ik behoorde tot de verkozen elite en voelde me apetrots en heel erg belangrijk met de witgekalkte koppel en spiegelei.
  • Het overblijven, boterhammen met theeworst waar ik na verloop van tijd zo’n genoeg van kreeg dat ik ze niet meer opat. Het kwam niet in mij op mijn moeder te vertellen dat ik liever ander broodbeleg had, er kwam pas verandering toen mijn moeder voor de derde achtereenvolgende dag het onaangebroken pakje brood in mijn schooltas aantrof.
    Als de andere kinderen naar huis gingen mocht ik boeken lezen uit de schoolbibliotheek.
  • Het afscheid na de zesde klas. Ik vormde met vriendjes een bandje dat muziek playbackte en zong een liedtekst die mijn grote zus had geschreven.
  • Mijn tijd als hospitant (vroeger heette je kwekeling), gedurende enkele maanden bij de meester die ik ook als kind had gehad. Als hij aan het begin van de dag “eerbiedig” tegen de kinderen zei vlogen ook mijn handen automatisch in de bidstand.
  • De allereerste dag op de Bilderdijkschool, waar ik drie dagen in de week les zou geven aan de zesde klas. Het hoofd van de school stond de andere twee dagen voor de klas. In mijn bijzijn scheurde hij de enveloppe open waarin de rekenopgaven van de Cito-eindtoets zaten. Die zou de volgende dag worden afgenomen, ik moest ter voorbereiding maar even kijken welke lastige onderwerpen aan de orde zouden komen, die kon ik dan even met de klas doornemen.
    Ik stelde als nieuwkomer geen vragen, maar heb mij in mijn eigen onderwijscarrière nooit meer schuldig gemaakt aan dergelijk frauduleus handelen.

Ik was daarna actief in veel andere onderwijssectoren en kwam terug toen de basisschool al lang een feit was. Voor mij was het grootste verschil dat er nu kleuters in de school rondliepen, die je heel vertrouwd een handje gaven als je met ze opliep.

In De lagere school komt in 32 hoofdstukjes heel veel langs, toch valt het boek een beetje tegen.

Daniëls baseert zich op zijn eigen ervaringen (hij is een jaar ouder dan ik), gesprekken met anderen en wat research.
Het boek is een beetje onevenwichtig: hier en daar lijkt het de pretentie te hebben volledig te zijn, wat onmogelijk is. Af en toe wordt uitgeweid over de voorgeschiedenis van het Nederlandse onderwijsstelsel maar heel veel komt niet aan bod.
Ik heb natuurlijk niet geturfd, maar ik heb de indruk dat hij nogal veel uitgaat van de situatie op katholieke lagere scholen in het zuiden van Nederland. Dat hij zelf op de Noord-Brabantse Sint-Jozefschool zat zal ongetwijfeld een rol spelen.

Hij maakt verder af en toe vergelijkingen met de stand van zaken op de basisschool anno 2018 en slaat hier af en toe de plank mis.

Het boek is mooi verzorgd, maar ik begrijp niet waarom de vormgever ervoor heeft gekozen de citaten uit oude kranten in schrijfmachineletters te zetten. Ik heb er begrip voor dat hij grafisch onderscheid wil maken tussen de tekst van de schrijver en die van de krant, maar deze oplossing is ronduit lelijk en wekt ook nog een verkeerde associatie: bij schrijfmachineletters denk je aan een brief, niet aan een krantenartikel.

De ondertitel van het boek luidt Toen alles nog heel anders was. Dat is goed geformuleerd, Daniëls maakt zich gelukkig niet schuldig aan romantisering (“Toen alles beter was”).

Al met al dus een lichte teleurstelling. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat de schrijver zich er een beetje makkelijk van af gemaakt heeft. Nostalgie verkoopt, maar je bent het aan je lezers verplicht zo volledig mogelijk te zijn en goede research te plegen.

 

De Lagere school                  6 ½

 

 

Over lezen

Van alle geneugten die er voor een mens bestaan is lezen wel de fijnste.
Eten, drinken en televisiekijken komen in de buurt en ook de vleselijke lusten zijn niet te versmaden, maar er gaat niets boven een mooi boek.

In een mensenleven wordt er op verschillende manieren gelezen.

Aanvankelijk lezen

Je kent de letters en probeert van die letters woorden te maken. Als je niet dyslectisch bent en over voldoende verstand beschikt gaat dit allengs sneller en kan je al snel hele zinnen lezen.
Je bent nog wel beperkt tot je eigen taal. Ik herinner mij tandartsbezoeken waarbij ik in de wachtkamer weleens een tijdschrift ter hand nam. Arts en Auto kon mij niet boeien, de Punch leek aantrekkelijker. De teksten waren echter onbegrijpelijk voor mij en zelfs de onderschriften van de cartoons (de punchlines!) ontgingen mij.
Het moet de combinatie van angst (ik zou mij moeten onderwerpen aan de pijnlijke behandelingen van tandarts Spies, in die tijd werd een kind nog niet gerustgesteld) en de niet begrepen grapjes zijn die mij een aversie tegen deze humoristische publicatie heeft bezorgd die tot de dag van vandaag aanhoudt.

Het gretige lezen

Als je eenmaal een beetje vlot kan lezen zie je overal je kans schoon. Gulzig en kritiekloos neem je alles tot je, je gaat er volledig in op. In mijn geval moest mijn moeder het boek uit mijn handen trekken om ervoor te zorgen dat ik niet te laat op school kwam.

Ik las de bibliotheek leeg en beleefde de avonturen van Arendsoog, Biggles, de jongens van de Kameleon en die van de Bob Eversboeken ademloos en intens alsof ze mij zelf overkwamen.

Het lezen met rode oortjes

Er komt een moment dat je vader je wil vertellen over de hoed en de rand, maar je hebt al lang  Jan Wolkers ontdekt en van hem geleerd wat grote mensen met elkaar doen.

Je wordt kritischer

Jammer genoeg komt er een moment dat je niet meer klakkeloos aanneemt wat je leest. Je realiseert je dat de hoofdpersonen van de Bob Eversboeken kennelijk nooit naar school hoeven en dat het toezicht door hun ouders wel erg rudimentair is. Ze reizen de hele wereld door, niemand vraagt om een paspoort en er is ook altijd genoeg geld.

Je begint ook oog te krijgen voor mooi taalgebruik en leest wel eens een zin (of heel boek) over omdat je de formulering of de karakteropbouw zo mooi vond.
Je kijkt met weemoed naar de stapels Alistair Maclean en Desmond Bagley-boeken en realiseert je dat je ze nooit meer zult herlezen. Ik heb ze op Koninginnedag allemaal verkocht.

Het wow-lezen

Met spijt zie je dat er steeds minder pagina’s van dat prachtige boek resteren, je sluit het uiteindelijk met een diepe zucht en zou het liefst weer op pagina 1 beginnen.
Je denkt nog regelmatig aan bepaalde episodes en karakters en gaat onmiddellijk op zoek naar meer boeken van die schrijver. Als het mooie boek onderdeel was van een serie rust je natuurlijk niet vóór je alle delen hebt verslonden (uiteraard in de goede volgorde).

                

Denk aan Sjöwall en Wahlöö, Chaïm Potok, Trevanian, Clavell en Irving (om er zo maar een paar te noemen).

Het burn-out-lezen

Boeken kunnen ook troost geven en je even wegvoeren van het voortdurende piekeren. Zo las ik het complete oeuvre van O’Brian en kon me bezighouden met allerlei nautische aangelegenheden op Engelse oorlogsbodems in de 19e eeuw in plaats van met problemen op het werk en met mijn gezondheid.
Ik kijk wel eens naar de ruggen van die 20 boeken en twijfel: zal ik ze nog eens lezen? Wordt het een feest van herkenning of zal blijken dat ik destijds zo gepreoccupeerd was dat ik ze heb doorgeploegd zonder er een woord van in me op te nemen? Of word ik door herlezing weer teruggebracht naar die nare periode?

Vier boeken tegelijk

Waar ik vroeger genoeg had aan de krant en een roman (voor mijn werk moest ik ook al erg veel lezen) heb ik nu een stapeltje boeken bij mijn favoriete leesplek liggen. Ik lees uit elk een verhaal, hoofdstuk of onderdeel en neem dan monter het volgende boek ter hand en verdiep me daar weer in.
Dit bevalt mij uitstekend. Het grootste voordeel is dat mij dus niet het diepe gat toegaapt dat ontstaat als men een mooi boek uit heeft. Er moet dan een opvolger gezocht worden en dat is niet eenvoudig.  Als het ene boek uit is kunnen de andere drie het verlies opvangen.

Ik krijg gelegenheid het gelezene op mij in te laten werken en doe lekker lang met ieder boek.

Op dit moment lees ik (naast krant en tijdschriften) The Punch van Noah Hawley, een bridgeboek, een bundel met verhalen van Carmiggelt en Familieziek van Adriaan van Dis.

Het allerlekkerste lezen: op vakantie

We gaan pas over ruim een maand weg, maar ik ben al goed voorbereid. Ik kan straks kiezen welke lectuur mij zal vergezellen:

Carmiggelt Drie bundels (ik heb er inmiddels 33 gelezen)
Geert Mak Het huis van orde en papier (het laatste boek van hem dat ik nog niet gelezen heb, zuinig bewaard)
7 spannende boeken Zorgvuldig geselecteerd uit de Thrillergids van Vrij Nederland
Alfred Birney De tolk van Java (Indië blijft trekken)
Wim Daniëls De lagere school (jeugdsentiment)
Noah Hawley A Conspiracy of Tall Men
Jesse Klaver De mythe van het economisme
Philip Roth The Plot against America (een must-read nu hij dood is)
Annie M.G. Schmidt Die van die van u (prachtige dundrukuitgave)
Hans Rosling Factfulness (“why progress is so often secret and silent”)
Mary Lawson Road Ends (omdat ze zo mooi kan schrijven)
Tom Hanks Uncommon Type (korte verhalen)
Paul Mendelson The Right Way to Play Bridge

Bij de caravan of op een terrasje. Is er iets mooiers denkbaar?

 

 

 

De verhalen van Vrij Nederland

Ooit was ik abonnee van Vrij Nederland, maar er kwam een moment waarop ik mijn abonnement opzegde, ik weet de reden niet meer.

Ik herinner me de prachtige bijlagen die toen verschenen, meestal geschreven door Gerard van Westerloo of Elma Verhey.

Geert Mak, een van mijn favoriete schrijvers, sprak lovend over het boek De pont van kwart over zeven, de beste journalistieke verhalen.
Ik kocht het boek en het was een feest van herkenning. Er staan 17 prachtige verhalen in, de meeste van van Westerloo, vier schreef hij samen met Verhey.

Ik herinnerde mij vooral het titelverhaal: alle passagiers van de pont van kwart over zeven die van Amsterdam Noord naar het Centraal Station vaart op een willekeurig werkdag, werden opgezocht en geïnterviewd. Het stuk werd in 1981 gepubliceerd.

Het kan zijn dat de term “ruggengraat van onze maatschappij” hierin voor het eerst gebruikt werd. Van Westerloo laat uitgebreid de gewone, hardwerkende mensen aan het woord die trouw elke dag naar hun werk gaan en de maatschappij draaiende houden.

In dit verhaal en ook in het prachtige Lijn 16 komt heel duidelijk naar voren dat de gewone werkende man/vrouw niet veel meer begrijpt van de veranderingen in de maatschappij. Ze ergeren zich aan de uitkeringstrekkers, de criminelen en het gebrek aan gezag. Ze voelen zich machteloos en trekken zich terug in hun eigen huis, dat ze vaak in een paleisje hebben omgetoverd. Ze missen de saamhorigheid van vroeger en hebben het idee dat het helemaal verkeerd gaat in de samenleving en dat zij de prijs moeten betalen.

Mij vallen twee dingen op: deze verhalen werden geschreven in de jaren 80, maar hebben niets aan actualiteit ingeboet. Vervang de Centrumpartij door de PVV en de interviews hadden ook dit jaar kunnen zijn afgenomen. Ze tonen aan dat er nog steeds een enorme kloof zit tussen de beleidsmakers en de mensen die er de gevolgen van ondervinden.
Verder valt mij op dat er niets verbloemd werd in de verhalen: er wordt geen zalvende links-tolerante sluier over de teksten gelegd, de mensen krijgen (terecht) volop de kans te vertellen hoe zij de dingen ervaren. Vooral Surinamers en Turken moeten het ontgelden, waarschijnlijk waren er in die tijd nog niet zoveel Marokkanen.

Van Westerloo had een scherp oog, ik vind vooral zijn conclusie erg mooi in De vlucht in de stacaravan: mensen voelen zich bedreigd en hopen op de camping iets terug te vinden van de geïdealiseerde buurt waar ze vroeger woonden.

 

De pont van kwart over zeven                                 9


Vrij Nederland van 4 april 1998

 

Ik mocht zelf ook ooit een rol spelen in een VN-rapportage. Ik werd in 1998 benaderd door Elma Drayer en Kees Schaepman voor een rapportage die moest gaan over de studenten die in 1977 eindexamen hadden gedaan aan de Hervormde Pedagogische Akademie in Amsterdam. De titel van het verhaal verraadt de strekking: Onderwijzers zonder klas.

De journalisten hadden bijna iedereen achterhaald, één studente is inmiddels overleden.

Ze namen de tijd: iedereen werd uitvoerig geïnterviewd, met mij waren ze ook een hele middag bezig. Het leverde een groot artikel op, ruim 6 A3-pagina’s met veel foto’s.
Als bekroning brachten ze ons bij elkaar in café Eik en Linde, precies tegenover onze oude school aan de Plantage Middenlaan, het was een leuke ervaring elkaar weer eens te ontmoeten.
De teneur van het artikel is dat veel studenten teleurgesteld of gefrustreerd raakten en dat de meesten uiteindelijk niet voor de klas kwamen te staan.

Het is een vreemde ervaring te lezen wat een verslaggever uiteindelijk gedestilleerd heeft uit een interview dat hij met je had: accenten worden verkeerd gelegd (ik had niet gezegd dat ik het pech vond te moeten hospiteren bij de meester die ik ook als kind had gehad) en feiten verkeerd vermeld (ik was niet “hoofd van de afdeling buitenland” en heb ook de lerarenopleiding Nederlands niet voltooid, maar Engels en Geschiedenis). Ik vond het wel bedenkelijk dat ze twee zo makkelijk te checken stukjes informatie niet goed hadden. Wat zei dat over de rest van het verhaal?

Ten slotte: wat schreven ze in die tijd lange artikelen! Ik ben bang dat vandaag de dag niemand meer tijd heeft voor zulke “longreads”.

 

Ik kreeg onlangs van mijn vrouw een abonnement op Vrij Nederland cadeau. De cirkel is rond.