Job

Toen mijn vrouw zwanger was van ons tweede kind heeft ze een vruchtwaterpunctie ondergaan.
Pas veel later zijn we ons gaan afvragen welke afwegingen we vooraf hebben gemaakt. Conclusie is eigenlijk: we weten het niet. Voorzover mijn vrouw het zich kan herinneren werd door degenen die haar begeleidden tijdens haar zwangerschap een voorstelling van zaken gegeven alsof het een volstrekt normale gang van zaken was dat je je ongeboren kind liet testen.

Ik kan me niet herinneren dat wij hebben gepraat over de voor- en nadelen en over de risico’s voor de ongeboren vrucht (die heel reëel zijn). We hebben het er ook helemaal niet over gehad wat we zouden doen als de test  positief was (in de medische terminologie betekent dat wat anders dan je zou denken). Dat is raar, want waarom onderga je een test als je niet weet wat je met het resultaat gaat doen?

Er kunnen twee dingen zijn gebeurd: we hebben ons flink laten beïnvloeden en wellicht laten overrulen door de deskundigen of we hebben niet zo goed opgelet. Misschien een combinatie van beide?

De foetus bleek niets te mankeren en ontwikkelde zich tot een prachtzoon. We hebben dus nooit hoeven nadenken over een eventuele terminatie van de zwangerschap omdat we niet wilden dat er een kind geboren zou worden met een (ernstige) afwijking.

Daar moeten we heel blij om zijn. We zagen onze zoons opgroeien en maakten ons over heel andere zaken zorgen: halen ze hun diploma’s wel? Zijn ze wel gelukkig? Nemen ze niet te grote risico’s?

Af en toe realiseer je je dat het ook anders had kunnen lopen: het had zo kunnen zijn dat mijn vrouw zich had laten aborteren (met alle twijfel en schuldgevoelens die daarbij horen), we hadden ook een gehandicapt kind kunnen hebben.
Ik kan me er maar een zeer beperkte voorstelling van maken hoe je leven eruit ziet als je een zoon of dochter met een beperking hebt. Naast de medische en motorische problematiek is er ook de geestelijke component: hoe is je relatie met je kind als communicatie niet mogelijk is, of slechts zeer beperkt? Of als het geestelijk niveau van je kind nooit uitstijgt boven dat van een baby?

Ik geniet heel erg van het ouderschap, in mijn ogen is het het mooiste wat me in mijn leven overkomen is. Ik heb het hier over het van nabij meemaken hoe je kinderen groeien en zich ontwikkelen tot knappe, welbespraakte en aardige jongens met wie je een diepe emotionele band hebt. Over de verwondering dat ze zich ontwikkelen tot intelligente volwassenen met een eigen karakter en mening.
Dat had dus ook heel anders kunnen zijn.

Je weet dat ouders van gehandicapte kinderen zielsveel van ze houden en hun kind accepteren zoals het is, maar ik ben heel dankbaar dat ik niet één van hen ben…

Deze problematiek houdt me natuurlijk niet elke dag bezig, maar gisteren stuitte ik op deze column.
Hij gaat over het leven met een gehandicapt kind, dus over de hierboven geschetste problematiek, maar er is ook een raakpunt met een ander onderwerp dat me erg bezighoudt: de manier waarop we met elkaar omgaan. Er is sprake van verharding, verruwing en grote bekken die steeds meer de overhand krijgen.

Daarom deel ik hem graag op mijn blog.

 

Column: Wij-wij

paardJob (12) kent de woorden kut-Marokkaan, kankerlul en aandachtshoer niet. Een hoofddoek zet geen kwaad bloed bij hem. Die zal hij leuk vinden omdat je eraan kan trekken. Kroeshaar kriebelt tegen zijn hand en glad haar wil hij aaien. Job raakt mensen graag aan.

Racisme is hem vreemd, vooroordelen kent hij niet. Gaat thuis de bel, dan roept hij ‘mama open doen’. Job is nieuwsgierig en verwelkomt iedereen. Niks wij-zij. Gezellig wij-wij. Hij vindt mensen leuk en lief, tot het tegendeel bewezen is. Job zal je nooit op je verleden pakken, hooguit pakt hij je hand.

Job snapt niet wat een homo is, laat staan wat hetero betekent. Hij maakt evenmin onderscheid tussen dik, dun, rijk, arm, Tokkie of elite. Job kijkt op niemand neer – vanuit zijn rolstoel kijkt hij altijd omhoog. Aan zijn hemel staat de zon of het regent.

Job zegt sorry als hij je pijn heeft gedaan. Dankjewel als je hem helpt. En toont belangstelling door te vragen ‘hoe is het met jou’?

Kijkt hij voetbal op televisie, dan juicht hij bij ieder doelpunt, ongeacht de clubkleuren. Job is kampioen in het delen van blijdschap. Het veld op stormen zou hij niet kunnen – vanwege die rolstoel. Spelers van de tegenpartij slaan al helemaal niet; hij heeft een lage spierspanning. Het is dat krakkemikkige lijf, waardoor hij bijna niks kan.

Job moet altijd wachten. Op eten, op gezelschap, op de taxi, op een nieuwe rolstoel, op iemand die zijn luier verschoont. Toch voelt hij zich nooit tekort gedaan. Zal nimmer klagen. Wijst niet verongelijkt naar mensen die het beter hebben en is onbekend met de begrippen jaloezie, misgunnen en kwaadspreken. Liever zingt hij een liedje.

Job geeft geen anderen de schuld en wenst niemand dood op sociale media. En dan noemen we hem verstandelijk beperkt.

 

De schrijver is Annemarie Haverkamp, dit is het adres van haar blog.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *