Fort Honswijk

 

Er is een tijd geweest dat Nederland zich moest wapenen tegen indringers.

Een belangrijk element in de verdediging was de Hollandse Waterlinie. Als de vijand naderde zouden grote stukken land onder water worden gezet, zodat die niet verder kon.
Verder was er een groot aantal forten met dikke muren.

We bezochten Fort Honswijk, ten zuiden van Utrecht.

Het fort is gebouwd door Willem II in 1895 en heeft, zoals bijna alle forten, nooit echt dienstgedaan. Bij mobilisatie werd er een aantal soldaten gehuisvest, er zijn na WO II gevangenen in opgesloten en er werd een tijd lang gevonden munitie ontmanteld. Maar er is nooit gevochten.

Je rijdt een tijdje langs de Lek en loopt naar het fort toe, dat ineens opdoemt als je een hoek omgaat. Je verwacht een imponerend, hooggelegen bakbeest voorzien van allemaal schietgaten, maar vreemd genoeg ligt het fort in een kom achter de rivierdijk. Ik kan me niet goed voorstellen dat de kanonnen veel kwaad kunnen aanrichten. (Later hoorde ik dat er oorspronkelijk nog een verdieping bovenop heeft gezeten. Van hieruit had men waarschijnlijk wel een vrij schootsveld).

Het is inderdaad wel een bakbeest. Het gebouw heeft een ronde vorm en de muren zijn metersdik.

We krijgen een rondleiding van een van onze vrienden, die op het terrein een klein museum heeft opgezet (hierover later meer).

We zien grote ruimtes, waar de temperatuur altijd rond de 14° is. De witgepleisterde muren zien er opvallen goed uit. Vrijwilligers zien erop toe dat alles goed bijgehouden wordt, maar het is natuurlijk erg moeilijk er een leefbare atmosfeer te creëren: koud, vochtig en bijna geen ramen. Ik heb medelijden met de soldaten die hier gelegerd waren, in hun slaapruimten lag beton, de officieren beschikten over een houten vloer.

Uit verveling hebben enkelen van hen muurschilderingen aangebracht, die na al die jaren nog goed te zien zijn.

Het fort is verder leeg, de kanonnen zijn allemaal weggehaald.

We komen in de munitiekelders, waar olielampen die achter glas stonden destijds de enige lichtbron vormden. Er mocht natuurlijk geen open vuur bij het kruit branden. Onze gids heeft gelukkig een goede lamp bij zich, want je wordt licht claustrofobisch van de smalle donkere gangen. Ik was blij toen ik weer in het licht stond.

We mogen ook kijken in de ruimte waar in de zeventiger jaren munitie onschadelijk werd gemaakt: een gevaarlijk werkje waarbij men in aparte kamers werkte die via stalen luiken met elkaar verbonden waren.

 

We lopen om een ander onderdeel van het complex heen, een langgerekte bunker waarin Prins Bernhard ooit zijn olifantengeweren uitprobeerde. Tot slot zien we het mooi gerestaureerde poortgebouw.

Het is natuurlijk een wonderlijk gegeven dat er destijds zoveel forten gebouwd zijn, die nooit dienstgedaan hebben. Forten noch waterlinie konden de Duitsers tegenhouden toen ze ons land in mei 1940 binnenvielen.

Voor de eigenaren (het rijk, gemeentes, Staatsbosbeheer) zijn ze een blok aan het been: ze moeten onderhouden en beveiligd worden en het is lastig er een renderende bestemming voor te vinden. Ondernemers, zoals horeca-exploitanten, zijn huiverig omdat er nogal wat dure aanpassingen moeten plaatsvinden om de ruimtes geschikt te maken voor gebruik. Verder is niet elk fort even goed toegankelijk en is niet zeker dat de benodigde bezoekersaantallen gehaald zullen worden.

 

Ben Gort zag wel kansen: hij huurt een aantal ruimten op het complex en heeft een klein museum opgezet. Hij heeft de ambitie om het te laten groeien en veel bezoekers te trekken.

Gort is begenadigd kunstenaar/klussenman (hij heeft bij ons enkele fantastische verbouwingen gedaan) en nu dus ook directeur van Leger Diorama Wereld.

Het museum is in de opbouwfase, (de bezoekersruimte is bijna klaar) en toont voorwerpen uit (vooral) de tweede wereldoorlog en diorama’s: heel knap geconstrueerde miniatuurvoorstellingen over episodes uit verschillende oorlogen: de eerste en tweede wereldoorlog, Vietnam, de koude oorlog en er is zelfs een minutieus nagebouwd Tiananmenplein, met de inmiddels wereldberoemde scene waarin een man een rij tanks tegenhoudt.

Het is heel interessant om getuige te mogen zijn van zo’n mooi initiatief en ik hoop dat Ben zijn jongensfantasie tot realiteit zal kunnen maken.

 

 

Ik kan een bezoek aan fort en museum van harte aanbevelen.

 

Fort Honswijk            8

Legerdioramawereld 8

 

De site van Fort Honswijk

De site van het museum

De site van Ben Gort

 

Nicky de Saint Phalle in Beelden aan zee.

Wie ons huis binnenkomt wordt verwelkomd door een mooi beeld van Nicky de Saint Phalle. We kochten het enkele jaren geleden in Frankrijk, het heeft nu een ereplaats in ons huis.

De Saint Phalle is beroemd om haar prachtige gekleurde beelden van gevulde vrouwen.

In Beelden aan Zee, het museum in Scheveningen, is nu een tentoonstelling van haar werk.

Ze zijn prachtig, wat een levenskracht en creativiteit heeft de kunstenares tentoongespreid!

Als we de expositie goed bekeken hebben gaan we nog even naar het buitengedeelte van het museum, hier staan enkele beelden uit de vaste collectie.

We zitten een tijdje op een bankje en genieten van de warmte van de zon en de frisse zeelucht. Ik kan er geen genoeg van krijgen.

 

We gaan nog even de Pier op en nemen dan de trein terug vanuit Den Haag, maar brengen natuurlijk eerst een bezoek aan Bik (ik blogde hier eerder over).

Hier kan geen haute cuisine tegenop.

 

Beelden aan Zee met Nicky de Saint Phalle:                        9
Frites met kibbeling:                                                                 9
De Intercity Den Haag- Almere (met een goed boek)         9

 

Wat een dag.

Groenvoer

Het verbaast me nogal dat mensen om mij heen vaak heel zeker zijn met betrekking tot hun kennis over voedsel.

Ze weten feilloos wat gezond is en wat niet en vertellen iedereen die het horen wil weetjes op het gebied van verstandig eten.

Vaak hemelen ze biologisch voedsel op en hebben ze zware kritiek op supermarkt-eten. Soms lijkt het erop dat ik met mijn leven speel als ik maaltijden bereid met ingrediënten die ik bij de Vomar kocht.

Ze spreken over foute E-nummers en zeggen dat suiker gewoon gif is! Aspartaam is levensgevaarlijk en Stevia is een wondermiddel.

Als ik hiertegen in breng dat wetenschappelijk onderzoek geen enkele gevaarlijke bijwerking van deze kunstmatige zoetstof heeft kunnen vaststellen en dat ik Stevia naar niks vind smaken kijken ze me meewarig aan.

Ze vertellen hoe lekker dennenappelthee is en dat het ook nog vreselijke ziektes geneest.

Ik heb eens in een documentaire over de Amerikaanse markt gelezen, dat men daar overal de uit maïs gedestilleerde glucose-fructosestroop in doet, voornamelijk als “vulling”. Dit is lucratief omdat maïs heel goedkoop is (de verbouw ervan is gesubsidieerd), en voor een groot deel duurdere ingrediënten vervangt.

Hier is duidelijk sprake van bedrog: als je een pizza koopt verwacht je ingrediënten als meel en kaas en niet dat hij voor een kwart bestaat uit fructosestroop.

Je kunt echter niet zeggen dat de fabrikant ons vergiftigt. Het lijkt er soms op dat mensen echt denken dat voedselproducenten gevaarlijke rommel in ons eten stoppen.
Als je even stilstaat bij die gedachte weet je dat dit zeer onwaarschijnlijk is. Ze zouden groot (juridisch) risico lopen als mensen ziek worden of zelfs sterven als gevolg van de consumptie van hun waren. En ze hebben een naam te verliezen. Als bekend wordt dat je ziek wordt van een bepaald product koopt niemand het meer en kan de producent wel inpakken.

In 1980 stierven twee mensen nadat ze diepvriesgroente hadden gegeten waarin tijdens het transport koelvloeistof terecht was gekomen. Dit was een ongeluk, geen opzet, maar de schade liep in de miljoenen. Iglo is er nooit meer echt bovenop gekomen.

De handel is er overigens ook achter gekomen dat groen hot is. Op elke verpakking die je in handen krijgt wordt ons duidelijk gemaakt dat we hier een uiterst betrouwbaar milieuvriendelijk geproduceerd product in handen hebben, op natuurlijke wijze bereid en zonder toevoeging van kunstmatige stoffen. Zelfs op de verpakking is niets aan te merken, want die is recyclebaar.

Er bestaat een woud van vignetten en kwaliteitsaanduidingen, waarin niemand nog de weg kan vinden.

Mag ik even braken? Soms gaan ze wel heel ver met hun geslijm:

Inmiddels is er wel degelijk een echt probleem op voedselgebied: mensen die weinig geld te besteden hebben kopen veel te vaak ongezond fastfood. Gezond eten is vaak te duur.

Ik las in een voortreffelijk boek van James O’Brien (How to be Right) dat pogingen om mensen meer bewust te maken van hun ongezonde voedingspatroon door de rechtse media zwaar worden bekritiseerd. Men noemt het daar het Nanny-syndroom. De overheid zou veel te betuttelend optreden en zou meer moeten vertrouwen op de eigen verantwoordelijkheid van de mensen.

Hij schildert echter het beeld van de leefomgeving van veel arme Engelsen: in elke straat stikt het van de fastfoodwinkels en overal staan reclameborden die vertellen dat je zo lekker en goedkoop bij MacDonald’s en KFC kan eten. Bied daar maar eens continu weerstand aan!

De bescheiden overheidscampagnes steken hier wel erg mager bij af….

Wat dat betreft zijn we er in Nederland, geloof ik, wat beter aan toe.
(Hoewel de Telegraaf zich wel zorgen maakt dat naast Zwarte Piet ook onze gehaktbal wordt afgepakt).

 

 

 

 

Zoenen

Niet lang geleden vertelde iemand me dat het geven van drie zoenen bij een begroeting (en afscheid!) op z’n retour is.

Wat een opluchting!

Wanneer ik op televisie Engelsen bezig zie, of ander Europeanen, dan ben ik jaloers: één, keurige zoen en dan is het over. Niet drie van die ingewikkelde, waarbij je elkaar de wangen synchroon, maar in spiegelbeeld, moet aanbieden terwijl je zelf een goed plaatsje moet vinden om je lippen te plaatsen. En dat drie keer!

Als er brillen in het spel zijn wordt het nog ingewikkelder. Probeer maar eens te vermijden dat die met elkaar in contact komen.

De Fransen maken zich er nog makkelijker van af: die zoenen met veel misbaar ergens ter hoogte van het oor in de lucht.

Een van de dames van de bridgevereniging stelt zich vastberaden op als de leden elkaar voor het eerst in het nieuwe jaar zien: ze wil niet dat iedereen haar aflebbert.

(Ik kan haar dus heel goed plagen door aan te kondigen dat ik er naar uitzie haar drie lekkere pakkerds te geven. Ze wordt er helemaal zenuwachtig van.)

Soms heeft het voordelen om lang te zijn: als ik geen zin heb in zoenen strek ik de rug en kijk vaag een andere kant op als iemand me begroet. Knappe jongen (of meisje) die er dan bij kan!

Overigens zijn er ook nadelen: in winkels wordt me vaak gevraagd of ik even iets van het bovenste schap wil pakken en als ik vóór iemand plaatsneem in bioscoop of theater maak ik mezelf extra klein om de persoon achter me niet alle zicht te ontnemen. Het komt er dus op neer dat ik als een soort Quasimodo (de gebochelde van de Notre Dame) de voorstelling uitzit, en me naderhand niet meer goed kan uitstrekken.

Je zou het lengteschaamte kunnen noemen.

Ik zeg wel stoer dat ik zoenen vermijd als ik daar zin in heb, maar je wil natuurlijk een dame niet voor het hoofd stoten als zij van plan is je met een kus te begroeten. Je gaat er dus automatisch in mee als je denkt dat iemand het zoenproces in gang zet.

Het overkwam me eens dat ik dacht zo’n signaal op te vangen en dus overging tot zoenen terwijl ik de betreffende dame voor het eerst van mijn leven zag.

Zo gebeurde het dat de verbouwereerde moeder van een van mijn vriendinnen tot haar eigen verbazing gezoend werd door een wildvreemde.

Ik had mijn vergissing heel snel door en wist niet hoe gauw ik weg moest komen (tot grote hilariteit van mijn vriendin).

Mannen geven elkaar de hand, dat is voor iedereen een vanzelfsprekendheid. Waarom eigenlijk?

Ik maakte er vroeger een punt van om homoseksuele vrienden in plaats van een handdruk ook een kus te geven. Wilde ik hiermee demonstreren dat ik heel ruimdenkend was? Of dat ik gays eigenlijk bij de vrouwelijke helft van de mensheid indeelde?

En hoe zit het met vaders en zonen? Gaan die elkaar als de zoon man geworden is ook ineens een hand geven?

(Ik doe dat natuurlijk niet: we geven elkaar een berenhug en planten dan een zoen ergens in de nek. Mooie tussenoplossing).

Het is allemaal erg ingewikkeld, en nu heb ik het nog niet eens gehad over tongen. Ik herinner mij de allereerst keer nog heel goed. Ik zat in de zesde klas en werd op kamp verleid door een soort Walküre die haar vlechten bovenop haar hoofd droeg. Ze pakte me stevig vast en stak tot mijn grote ontsteltenis haar tong in mijn mond. Ze smaakte naar augurk.

 

Misschien moeten we naar de Maori’s kijken. Die zoenen niet, maar neuzen. Zou dat minder complicaties opleveren?

 

 

 

Wereldvondst of toch nep II

 

In een oude partij postzegels die ik via internet kocht vond ik enkele heel oude exemplaren die (volgens Wikipedia) heel veel waard zouden zijn.

Nadat we uitgebreid hadden nagedacht over wat we zouden gaan doen met de opbrengst van dit buitenkansje besloot ik contact te zoeken met een expert. Die zou kunnen bevestigen dat ik een geweldige vondst had gedaan en me verder de weg kunnen wijzen hoe ik haar te gelde kon maken.

We reden naar een gerenommeerd veilinghuis in Weesp en mochten plaatsnemen voor een imposant bureau. Even later kwam een bebrilde filatelie-expert binnen die een halve seconde nodig had om vast te stellen dat de zegels niet echt waren.

Hij wees erop dat het papier er heel nieuw uitzag (wat ik eigenlijk ook had moeten constateren) en dat het hier waarschijnlijk kopietjes betrof die mensen in hun album plakken om de lege plekken te verhullen.

Omdat het wel heel erg gênant zou zijn als wij binnen één minuut weer buiten zouden staan bood hij aan mijn album nog even te checken. In sneltreinvaart (het was duidelijk dat hij dit vaker deed) monsterde hij de bladzijden van mijn bescheiden album en verklaarde dat er niets bijzonders inzat.

Met dat laatste was ik het niet eens: ik heb ze allemaal netjes inmijn boek gestopt omdat ik ze allemaal bijzonder prachtig vind. Ik ging maar niet in discussie.

Om ons toch nog wat op te monteren gaf hij nog wel de geruststelling dat de rest wel allemaal echt was. Dat was heel prettig om te horen.

We reden niet in bedrukte stemming terug naar huis. Gewone stervelingen als wij lopen natuurlijk niet tegen een wonder aan. In de loterij winnen we ook al nooit wat.

We vertelden elkaar dat het maar goed is dat we niet rijk zijn, daar word je alleen maar ongelukkig van!

Dit zegeltje vond ik ook nog, de expert moest  een loep in zijn oog schroeven om te bepalen of hij echt was, maar ook hier was het vonnis: nep.

Het was prettig om in Wikipedia te lezen dat het ook andersom kan gaan:

Bij een reparatie vond een meubelmaker een veldeel van 15 zegels van de Bazeler duif in een lessenaar . Hij gaf de zegels terug en de eigenaar verkocht ze voor een habbekrats, omdat ze niet meer frankeergeldig waren, aan een handelaar. Nu is datzelfde veldeel een pronkstuk in het postmuseum van Bern.

Wereldvondst of toch nep?

Er zijn verschillende plekken op internet waar je voor relatief weinig geld leuke partijen postzegels kan kopen,

Als ik er weer een gekocht heb wacht ik de komst van de doos vol spanning af.

Als hij gearriveerd is doe ik een snelle scan van de inhoud en haal de grootste rommel er vast uit. Soms zitten er tientallen zegels bij uit de categorie die ik “honden & heiligen” heb genoemd. Ze zijn foeilelijk, de makers hebben vaak geprobeerd de esthetische armoede met het formaat te compenseren.

Vaak zijn er ook boeken bij die duidelijk geplunderd zijn vóór ze te koop werden gezet. Ze vertonen allemaal witte vlekken waar de leukste zegels hebben gezeten.

Het is nog treuriger als het albums betreft die met veel zorg en aandacht door de makers zelf zijn vormgegeven. De zegels zijn keurig ingeplakt en soms ook van commentaar voorzien. De verzamelaar geeft op elke bladzijde een uitgebreid exposé over de geografische of historische achtergrond van de soms onooglijke stukjes papier die afkomstig zijn van alle uithoeken van de wereld.

Alle liefde, tijd en aandacht die er door de jaren ingestopt zijn worden maar zelden gewaardeerd door de nabestaanden. Die laten door een expert de waardevolle zegels eruit slopen en gooien de trieste restanten dan op de markt.

Het komt dus regelmatig voor dat mijn oogst uitermate karig is en dat het overgrote deel van mijn aankoop niet in mijn albums, maar in een grote verhuisdoos met ongewenst materiaal belandt.

Met deze doos zit ik inmiddels zelf in mijn maag: hij wordt alsmaar voller en wat doe ik ermee? Bij het oud papier zetten is “zonde” en in de garage laten staan heeft ook niet veel zin. Het zal niet lang duren of de zilvervisjes krijgen lucht van al dat lekkere gom op de achterkant van de zegels….
Er is natuurlijk een oplossing: de doos zelf ook weer te koop zetten op Marktplaats. Op deze manier ontstaat een trage stroom van duizenden postzegels die per post (o, ironie!) voortdurend van de ene verzamelaar bij de andere terecht komt.

Het doorvlooien van een berg oude postzegels is een bezigheid waarvan ik me kan voorstellen dat niet iedereen er enthousiast van wordt.
Het is inderdaad soms niet erg bemoedigend als je achter elkaar de ene vorst na de andere onder ogen krijgt. Allemaal ernstige mannen met snorren en een enkele vrouw met diadeem en baljurk. En nog meer honden en heiligen.

Maar gelukkig zit er af en toe een pareltje tussen. Je hebt ineens een onooglijk stukje papier in handen en komt erachter dat het een zegel is die honderd jaar of nog langer geleden door iemand op een brief geplakt is, die vervolgens na een verre reis op de bestemming is aangekomen. De ontvanger heeft de postzegel niet weggegooid, maar deze bewaard of weggegeven. Van hoeveel verzamelingen zou hij deel hebben uitgemaakt? Ben ik inmiddels misschien al de tiende eigenaar?

Net zo fijn is het, als je een mooie zegel tegenkomt die niet ontsierd is door een lelijk poststempel. Die is dan nooit gebruikt en heet “postfris”. Je ziet dan een kunstwerkje op miniatuurformaat.

Als ik een slechte aankoop heb gedaan ben ik boos op mezelf: ik had dat geld vast beter kunnen besteden. Maar gelukkig brengt de post ook weleens een doos die een goudmijn blijkt te zijn.

Enkele dagen geleden kreeg ik een zending die niet geplunderd is.

Ik stel me voor dat een oude filatelist overleden is en dat diens huis snel door zijn zoon ontruimd moest worden. Sommige spullen kon hij gebruiken, andere konden direct naar de vuilstort en weer andere konden het best geveild worden.
De zoon was de postzegelverzameling tegengekomen, had hem in een plastic bak gekieperd en op internet te koop gezet.

En aangezien ik het hoogste bod had uitgebracht kwam hij bij mij….

Ik ontdekte al snel dat er heel mooi spul tussen zat en besloot de inhoud langzaam en methodisch te doorzoeken.
Als snel had ik een flink aantal interessante zegels gevonden, waar ik een mooi plaatsje voor inruimde in mijn albums.

En toen had ik ineens twee zegels in handen waarvan ik meteen al zag dat ze heel oud moesten zijn.

Ik ging op onderzoek uit (leve het internet!) en vond als snel een artikel op Wikipedia. Het bleek hier om Zwitserse postzegels te gaan.

The Zürich 4 and 6 were the first postage stamps issued in continental Europe, on 1 March 1843. Both were inscribed “Zürich” at the top.
The 4-rappen stamp was also inscribed “Local-Taxe” at the bottom, since it was intended to pay for letters mailed within the city, while the 6-rappen, inscribed “Cantonal-Taxe”, was for use on letters going anywhere in the canton.

Country of production Switzerland
Location of production Zürich
Date of production 1 March 1843
Nature of rarity Extremely rare
No. in existence Unknown
Face value 4 and 6 rappen
Estimated value CHF 48,000 and above

 

The Double Geneva is a rare Swiss stamp that was issued by the City of Geneva in 1843, making it the third-oldest stamp of the European continent after the Zurich 4 and 6 (1842), and the British Penny Black and Two penny blue, (1840).[1] It bears the name Double Geneva for the double image on the stamp and its place of origin.[2]

Country of production Switzerland
Location of production Geneva
Date of production 30 September 1843
Nature of rarity Extremely rare
No. in existence Unknown
Face value 5/10 rappen
Estimated value CHF 55,000

 

Ik was diep onder de indruk toen ik zag dat ze zo oud zijn: 1843!

Maar ik moest even slikken toen ik zag dat ze “extremely rare” zijn en samen op een veiling ruim 100.000 Zwitserse Franc zouden kunnen opbrengen…. (Een Zwitserse Franc is ongeveer evenveel als 1 euro).

Ben ik inderdaad op een goudmijn gestuit of zijn het vervalsingen?

Zou een oude Friese postzegelverzamelaar echt de hand hebben kunnen leggen op zulke kostbare postzegels? Zou ik dan de enorme mazzel hebben gehad ze nu voor een prikje te hebben gekocht?

Zou ik ze voor veel geld kunnen verkopen? Moet ik dan veel belasting over de inkomsten betalen?

Ik blijf met beide benen op de grond staan, dit soort sprookjes is meestal te mooi om waar te zijn.

Maar je weet maar nooit…..

 

Wordt vervolgd!