Een interessant experiment

Iedereen heeft verstand van onderwijs. Je leest nogal eens dat IT-specialisten een oplossing weten voor alle problemen in het onderwijs: E-learning!

Er moet uiteraard voortdurend vernieuwd worden en wat ligt dan meer voor de hand dan die ouderwetse man of vrouw voor de klas af te schaffen en over te stappen op onderwijs-op-afstand?

De voorstanders hebben een unieke kans in de schoot geworpen gekregen: de scholen zijn dicht en het onderwijs moet nu op een andere manier worden vormgegeven. Internet speelt hierbij natuurlijk een uiterst belangrijke rol.

Als de crisis voorbij is kunnen we onze conclusies trekken: hebben de leerlingen net zoveel geleerd als wanneer ze “gewoon” les hadden gekregen?
Ik heb mijn twijfels. We vragen erg veel van de leerlingen. Ze moeten voldoende zelfdiscipline opbrengen om de opdrachten te maken en ze kunnen niet even snel verder geholpen worden als ze vast komen te zitten.
Instructie is noodgedwongen niet meer gebaseerd op interactie. De docent vertelt zijn verhaal en kan niet meteen inspelen op vragen of reageren op non-verbale signalen van de klas.

Nog meer dan normaal staan de leerlingen bloot aan de verleidingen van de schermpjes. Op school zijn ze gedwongen er gedurende enkele uren niet op te kijken, thuis houdt niemand ze tegen.

Als ze opdrachten moeten maken is de verleiding erg sterk hulpbronnen aan te boren, zelf oplossingen verzinnen is lastig en niemand ziet het als je even spiekt..

In dit digitale tijdperk hebben scholen zich al gewapend tegen valsspelen. Als leerlingen zelf een werkstuk moeten produceren wordt hun tekst standaard aan een plagiaat-check onderworpen.

Lastiger wordt het hen te betrappen als ze een vertaling moesten maken en hierbij gebruik gemaakt hebben van een vertaalprogramma.

Slimme leerlingen hebben Deepl ontdekt. Deze vertaalrobot lijkt volstrekt niet meer op zijn enigszins onbeholpen voorgangers en is uitermate gemakkelijk in het gebruik.

Ik ben nieuwsgierig naar de kwaliteit van het programma en onderwerp het aan een kleine test.

We zijn niet groen genoeg.
Omdat het struweel dreigde van ons te winnen hebben we onze tuin enkele jaren geleden betegeld, waarmee we dus een eind hebben gemaakt aan onze bijdrage aan een beter milieu in onze woonplaats.
Gelukkig biedt rederij Doeksen, die onze overvaart naar Terschelling verzorgt, aan onze tocht voor het luttele bedrag van 50 eurocent ecologisch te compenseren.
Van dit aanbod maken we natuurlijk gretig gebruik, waardoor we ons dus en stuk minder schuldig voelen.
Hoewel er dus geen bomen en nauwelijks planten te vinden zijn verlang ik toch erg naar het moment dat ik weer in onze tuin kan zitten.
De natuur is hardnekkig. Op de plaats waar eens een boompje stond zijn de stenen wat verzakt. Op die plaats heeft zich stof en zand verzameld. Hierin zijn zaadjes beland en nu zijn we getuige van de komst van pioniervegetatie.

Nadat ik een stukje van mijn vorige blog heb geknipt en geplakt verschijnt in een oogwenk deze vertaling:

We’re not green enough.
Because the thicket was in danger of disappearing from us, we tiled our garden a few years ago, thus putting an end to our contribution to a better environment in our hometown.
Fortunately, shipping company Doeksen, which takes care of our crossing to Terschelling, offers to ecologically compensate our trip for the mere sum of 50 eurocents.
Of course we make eager use of this offer, which makes us feel a lot less guilty.
Although there are no trees and hardly any plants to be found I still long for the moment when I can sit in our garden again.
Nature is persistent. On the spot where once stood a little tree the stones have subsided a bit. On that spot dust and sand has collected. Seeds have ended up here and now we are witnessing the arrival of pioneer vegetation.

(Translated with www.DeepL.com/Translator (free version))

  • De eerste zin is niet goed vertaald. Deepl begrijpt mijn woordspeling “de tuin wint van ons” niet. In het Nederlands heeft het woord struweel een beetje ouderwetse, oubollige lading. Dit blijft niet overeind met het gebruik van thicket.
  • .. Doeksen which takes care of our crossing klinkt niet helemaal goed.
  • Het komt me voor dat de Nederlandse constructie “heeft zich stof en zand verzameld” correct is. Het is vertaald met dust and sand has collected. Hier lijkt me sprake van discongruentie tussen onderwerp en persoonsvorm: het onderwerp is meervoud, dan moet de persoonsvorm dat ook zijn.

Ondanks deze tekortkomingen vind ik dit een zeer acceptabele vertaling.

En nu andersom:

A classic stamp is a postage stamp of a type considered distinctive by philatelists, typically applied to stamps printed in the early period of stamp production, e.g., before about 1870. However, as L. N. Williams puts it, “the term has never been satisfactorily defined”. Definitions have included stamps issued before 1900, although not all stamps issued before 1900 are considered “classic”, while some stamps issued in the first few years after 1900 are considered “classic.” Williams suggests that the classic period extends from 1840 to 1875, and James A. Mackay, in his World of Classic Stamps, New York (1972) applied the term to stamps produced from 1840 to 1870.

(Bron: Wikipedia)

Een klassieke postzegel is een postzegel van een type dat door filatelisten als onderscheidend wordt beschouwd, die meestal wordt aangebracht op postzegels die in de vroege periode van de postzegelproductie, bijvoorbeeld vóór ongeveer 1870, zijn gedrukt. Echter, zoals L. N. Williams het zegt, “de term is nooit bevredigend gedefinieerd”. In de definities zijn ook stempels van vóór 1900 opgenomen, hoewel niet alle stempels van vóór 1900 als “klassiek” worden beschouwd, terwijl sommige stempels die in de eerste jaren na 1900 zijn uitgegeven, als “klassiek” worden beschouwd. Williams suggereert dat de klassieke periode zich uitstrekt van 1840 tot 1875, en James A. Mackay, in zijn World of Classic Stamps, New York (1972) paste de term toe op postzegels die werden geproduceerd van 1840 tot 1870.

(Vertaald met www.DeepL.com/Translator (gratis versie))

  • Deepl gaat hier de mist in bij de vertaling van de eerste zin. Het is onduidelijk waar “die” naar verwijst en “aangebracht” als vertaling van “applied” deugt niet. Toegepast of toegeschreven aan zouden hier beter zijn geweest.
  • Probleem is, dat de Engelse formulering ook niet sterk is. (Kan je een type “applyen”?)

Voor de rest heb ik er niet veel op aan te merken.

Terug naar de vraagstelling

Als leerlingen niet zelf hebben gewerkt, maar vertalingen inleveren die door dit programma zijn gemaakt zal de leraar er grote moeite mee hebben dit te onderkennen of te bewijzen.

In enkele gevallen zal hij als argument kunnen aanvoeren dat de vertaling te goed is: de leerling heeft nooit eerder blijk gegeven van een dergelijke beheersing van de taal. Maar dit is lastig vol te houden als de betreffende leerling (of diens ouders) het verontwaardigd van de hand wijst.

Er zitten dus nogal wat lastige aspecten aan onderwijs-op-afstand.

Ik wacht met spanning de evaluatie af, maar zal niet verbaasd zijn als we moeten concluderen dat E-learning toch niet die wonderbaarlijk succesvolle vervanger van de ouderwetse man/vrouw voor de klas zal blijken te zijn.

 

 

Onzinstuk over onderwijs in de Volkskrant II

Ik stuurde een brief aan de Volkskrant. Hierin spuide ik mijn kritiek op het slechte artikel over een school in Rotterdam in de krant van dinsdag.

Mijn inzending werd niet geplaatst, er waren wel twee andere reacties:

De eerste briefschrijver is er van overtuigd dat het veel beter met het onderwijs zou gaan als je maar zorgt voor voldoende gemotiveerd personeel, beschikt over een efficiënt leerlingenvolgsysteem en gratis bijles aanbiedt.

Die veronderstelling wordt inderdaad door het krantenartikel gevoed.

Hij weet niet dat het overgrote merendeel van de docenten heel goed gemotiveerd en betrokken is (ze blijven elke dag hun werk uitoefenen, terwijl dat waarachtig niet erg aantrekkelijk meer is), denkt kennelijk dat scholen een leerlingvolgsysteem voor de lol bijhouden en dat als je besluit alle leerlingen gratis bijles aan te bieden, dit met de huidige beschikbare middelen mogelijk is.

De tweede komt uit het onderwijs en denkt dat problemen kunnen worden opgelost door een gedurfd personeelsbeleid. In zijn wereld kan je een slecht functionerende leerkracht zo maar even ontslaan en staan er meteen drie andere goede klaar om de lege plaats in te vullen.
Ik vraag me af welke juiste prikkels hij in zijn onderwijspraktijk aan de ouders gaf. De meeste ouders zijn alleen geïnteresseerd in wat zij denken dat goed is voor hun prinsje of prinsesje, zien zichzelf als klant (dus koning) en hebben geen enkel begrip voor de schoolorganisatie.
Hij voelt zich ook aangesproken door de leiderschapsstijl van de directeur. Even geen democratie totdat de docenten het licht hebben gezien.

 

Geen plaats dus voor kritiek op dit zeer zwakke voorpagina-artikel.

Toch maar even hier op een rijtje gezet:

  • Er ontstaat in de samenleving steeds meer begrip voor de last die de hoge werkdruk en de uit de hand gelopen administratieve warwinkel oplevert voor docenten.
    Dit artikel wekt de indruk dat de klachten eigenlijk flauwekul zijn.
  • Geen enkele school heeft voldoende formatie om alle kinderen gratis bijles te bieden.
    Het artikel maakt niet duidelijk hoe Melanchton het bekostigt.
  • Onderwijsvolgsystemen nemen krankzinnige vormen aan, werkelijk alles moet worden bijgehouden (elke communicatie met ouders!) in de veronderstelling dat dit ten goede komt aan de kwaliteit van het onderwijs.
    Het is inmiddels wel duidelijk dat deze verantwoordingscultuur alleen maar veel meer werk oplevert en eerder negatief uitpakt (de professional krijgt geen enkele speelruimte meer).
  • Wat moeten we aan met een zinnetje als “Nu even geen democratie”? Een school is geen democratie, maar een goede directeur maakt wel degelijk gebruik van democratische instrumenten. Het is verstandig gebruik te maken van de inbreng van professionals en iedereen weet dat besluiten veel beter worden uitgevoerd als men betrokken is geweest bij het totstandkomen ervan.
  • Wat een raar beeld wordt er geschetst van docenten: ze lopen er de kantjes vanaf, ze delen hun tijd niet efficiënt in, hebben eigenlijk tijd zat om alle leerlingen bijles te geven en hebben graag een baas die hun vertelt wat ze moeten doen.
    Je bent niet verbaasd als dit op een verjaardagsfeestje langskomt, maar een kwaliteitskrant zou beter moeten weten.

In één week tijd publiceert mijn lijfblad een citaat van prins Charles dat later blijkt niet van hem te zijn (als je even nadenkt over de inhoud had je kunnen weten dat hij dit niet gezegd kon hebben) en dit onzinstuk.

 

Volkskrant, ga je schamen!

Een borreltafelartikel over onderwijs

Op de voorpagina van de Volkskrant staat een mooie foto van een klassensituatie op een VMBO.

Gratis bijles, vaste werktijden voor alle docenten, een minutieus plan voor iedere leerling. In een fonkelnieuw gebouw vol kleuren legt directeur Dennis Maharban uit hoe hij een zeer zwakke vmbo-school in Rotterdam omvormde tot een doorslaand succes.

Verderop in de krant wordt op twee pagina’s uitgelegd dat het eigenlijk helemaal niet zo moeilijk is om een zwakke school om te toveren tot een excellente.

Het stuk staat vol foute aannames en geeft bitter weinig inzicht in de werkelijke mechanismen van een school. Je hebt slechts een standvastige bevlogen directeur nodig die hogere eisen stelt, confronterende gesprekken voert en flink top-down werkt. Voilà!

Het is toch eigenlijk zo simpel. Docenten moeten niet de lerarenkamer in- en uitlopen. Op het Melanchton (ik dacht dat dit de naam was van een farao, maar het blijkt een Duitse theoloog en filosoof uit de 15e eeuw te zijn) zijn de docenten van kwart over acht ’s morgens tot half vijf ’s middags aanwezig. Vijf dagen per week. “Er zijn geen scheve gezichten over docenten die er de kantjes van aflopen”.

Wat moeten we hieruit opmaken? Docenten werken niet hard genoeg en zijn niet genoeg uren op school.

Leraren die ’s morgens geen les geven gebruiken deze eerste uren om hun lessen voor te bereiden. Belangrijker: ze zijn altijd beschikbaar voor leerlingen en ouders met vragen. Zijn de leraren ’s middags klaar met hun lessen, dan gebruiken ze hun tijd op school ook om bijles te geven.

We weten nu: leraren kunnen hun tijd niet efficiënt indelen. Het is fout dat ze niet altijd beschikbaar zijn.

Levert dat geen extra werkdruk op, al die bijlessen? Docent Miriam Rozendaal reageert bijna verontwaardigd. “Ik krijg er gewoon uren voor, hoor.” Als je leerlingen het slecht doen, dát levert pas werkdruk op.
Het is een schande dat de meeste scholen niet aan gratis bijles doen.

Dus: klachten over werkdruk zijn onzin. Scholen gaan inefficiënt met beschikbare docent-uren om.

Geheim wapen van de directeur: een leerlingvolgsysteem dat de ontwikkeling van elke scholier minutieus in kaart brengt. Trots laat hij een Excellbestand zien met allemaal rode hokjes. Ook de persoonlijke ontwikkeling van een kind wordt gevolgd. De school gebruikt al die gegevens om een ontwikkelplan te maken.

Wat een flauwekul. Welke school beschikt nu niet over een uitgebreid leerlingvolgsysteem? Waar denk je dat de inspectie zijn oordeel op baseert?

De school bood vroeger alleen de theoretische leerweg aan. Toen kwamen er leerlingen binnen die dat niveau eigenlijk niet aankonden. Nu bieden ze alle VMBO-niveaus aan. Het slagingspercentage ging van 60-70% naar gemiddeld 98%.

(Nog even daargelaten dat dit een heel vreemde situatie was: bestond er werkelijk een VMBO-school in een achterstandswijk die alleen TL aanbood? Dan is een slagingspercentage van 60 nog heel hoog!) We kunnen nu concluderen dat categorale VMBO’s uit den boze zijn. Problemen worden opgelost en slagingspercentages worden hoger als je alle VMBO-niveaus aanbiedt.

Als je een school echt wil verbeteren moet je ook afscheid durven te nemen van collega’s die niet functioneren. Dat kan louterend werken.

Het is toch zo simpel: als directies wat minder soft waren zouden docenten een stuk beter gaan functioneren! (We hebben het nu even niet over de sterke rechtspositie van leraren – je kunt niet zomaar iemand ontslaan- en ook niet over hoe je aan enthousiaste nieuwe docenten komt).

Confronterende gesprekken, maar ook hulp! Leraren werden op cursus gestuurd en alle docenten werden aan een collega gekoppeld om bij elkaar mee te kijken in de les.

Directeuren zullen zich voor de kop slaan: gooi er een cursusje tegenaan en er geschieden wonderen. Waarom gaan ze niet vaker bij elkaar op lesbezoek? Tijd zat om regelmatig bij elkaar in de les te kijken en er dan uitgebreid over te praten.

Soms moet een directie top-down werken. Zo gaan we het doen, er is hier even geen democratie.
Het mooie is: na een tijd kun je dat afbouwen en komt steeds meer  verandering vanuit de docenten zelf.

Leve de sterke man. De leraren vinden het heerlijk om autoritair geleid te worden en gaan dan vanzelf inzien dat ze het altijd fout gedaan hebben. Ze zullen dankbaar zijn voor deze les.

Betrokkenheid van ouders krijg je voor elkaar als je aan het begin van het jaar een kennismakingsgesprek organiseert (en de schoolboeken niet meegeeft als ouders niet komen).

Dat andere scholen hier niet opkomen! “Zachte dwang” helpt. Je hoeft maar een keer zo’n actie te ondernemen en je hebt alleen nog maar tevreden ouders.

Wat een gemakzuchtige, infantiele reportage.

Wat een hoog verjaardagsgesprekgehalte: als de leraren maar wat harder werken en niet zo zeuren, als je maar een ferme schoolleiding hebt en als je de ouders maar intelligent benadert: alle problemen verdwenen!

 

Ik vraag me af of de verslaggever het boek Superschool van Erik van ’t Zelfde gelezen heeft. (Lees mijn blog hierover).

Hij was directeur van een Rotterdamse school, die als zeer zwak werd beoordeeld. Hij zag kans de school er weer helemaal bovenop te krijgen. Maar de prijs was hoog.

Hij verlangde van zichzelf en van zijn docenten een maximale inzet, ze werkten talloze uren die niet betaald konden worden en dit ging ten koste van de gezondheid.
Hij moest ongelooflijk hard knokken om steun te krijgen van bestuur en gemeente en moest rechtszaken voeren om voor elkaar te krijgen dat hij leerlingen van school kon verwijderen.
Er was nooit voldoende geld. Hij had grote moeite met een aantal ouders, werd zelfs bedreigd.

Juist deze week publiceerde van ’t Zelfde een bevlogen en cynische brief waarin hij de alarmklok luidt: kansenongelijkheid en achterstanden nemen schrikbarende vormen aan en bij het huidige beleid wordt het alleen maar erger.(Deze brief stond op Facebook, ik kan er niet naar linken).

 

Misschien was het tijd voor een optimistisch stuk over het onderwijs, maar een simplistisch artikel als dit, waarin zaken niet genoemd worden of gebagatelliseerd en waarin leraren worden geschoffeerd, daar zit echt niemand op te wachten.

Commentaar van likmevestje

In de Volkskrant las ik dit hoofdredactioneel commentaar, wat me de volgende reactie ontlokte.

In de Volkskrant van 2 februari laat Peter Giesen namens de hoofdredactie zijn licht schijnen over de problematiek van ordeproblemen in de klas.

Het zal hem niet te veel tijd gekost hebben, het commentaar is gemakzuchtig en ondeskundig.

Hij vertelt iets over Passend Onderwijs en zegt dat er goede redenen waren (niet alleen financiële) om die in te voeren: “in principe is het beter om leerlingen op een gewone school te plaatsen dan op een speciale school die scholieren met problemen isoleert en soms ook stigmatiseert”. Dit slappe argument werd bij de invoering veelvuldig gebruikt om de ordinaire bezuiniging van een mooi sausje te voorzien.
Ik ken ouders die heel dankbaar zijn dat hun kind speciaal onderwijs heeft genoten in kleine groepen en met voldoende aandacht van de leraar, maar geen ouders die klagen over stigmatisering. Zestig jaar geleden werd een kind nog wel eens uitgescholden voor BLO’er, tegenwoordig speelt dat volstrekt niet meer.

Het oude verhaaltje wordt weer van stal gehaald dat scholen voldoende moeten worden toegerust en leerkrachten niet voldoende bekwaam zijn. “Handelingsverlegen” is daar het mooie eufemisme voor. School noch leraar kunnen ooit voldoende toegerust zijn om het hoofd te bieden aan wat in wezen een maatschappelijk probleem is: elders in dezelfde krant verwoordt Aleid Truijens het kernachtig: de ouders en de leerlingen zijn de baas, niet de leraren.

Decennialang wordt van alle kanten kritiek op leraren gegeven: ze gaan niet met hun tijd mee, het onderwijs is nooit goed en moet altijd vernieuwd worden. Ouders en leerlingen zijn hier inmiddels volledig van overtuigd, stellen zich als ontevreden klant op en zitten er meteen bovenop als de school iets onwelgevalligs doet ten aanzien van het prinsje of prinsesje.

De schoolleiding, met de hete adem van de Inspectie in de nek, eist voortdurend verantwoording en bedelft de leraar onder afvinklijstjes en protocollen met betrekking tot schriftelijke verslaglegging. De leraar is meer tijd kwijt aan administratie dan aan onderwijs en wordt op cruciale momenten niet gesteund door het management, dat bang is leerlingen te verliezen.

Het is bijna onmogelijk geworden leerlingen die zich ernstig misdragen hebben van school te sturen. Directeuren die proberen het overwicht op leerlingen en ouders te heroveren hebben het ongelooflijk zwaar omdat ook zij geen steun krijgen.

Het commentaar besluit met een oproep om het vmbo te verbeteren. Dat is heel sympathiek, maar het helpt niet erg dat dit probleem wordt aangekaart alsof het alleen bestaat in vmbo-scholen. Havo en VWO worden niet genoemd.

Over stigmatiseren gesproken!

Martin Minnema


4 februari: reactie van Peter Giesen:

Geachte heer Minnema,
Jammer dat u mijn commentaar “van likmevestje” vond.
Rond de Weer Samen Naar School-operatie in de jaren negentig werd dezelfde discussie gevoerd. Ook toen waren er veel mensen, zeker in het speciaal onderwijs zelf, die vonden dat leerlingen beter af zijn in het speciaal onderwijs.
Ik vind het nog steeds een goed streven om leerlingen zo veel mogelijk in het reguliere onderwijs te plaatsen. Zo veel mogelijk: voor sommige leerlingen is het regulier onderwijs te hoog gegrepen.
Mijn opmerkingen over te grote klassen en onvoldoende toegeruste leraren waren dan ook niet bedoeld als kritiek op het onderwijs. Als passend onderwijs in de praktijk niet mogelijk blijkt, moeten weer meer leerlingen in het speciaal onderwijs worden opgevangen. Het stuk teruglezend, vind ik inderdaad dat ik duidelijker had moeten formuleren. Daar moet ik u gelijk geven.
Met vriendelijke groet,

 

Peter Giesen

Een ander soort toeter

Kinderen houden van rituelen. Als mensen iets vertellen over hun basisschooltijd hebben ze het vaak over de bonte avond waarmee het kamp altijd eindigde, of over het lied dat de leerkrachten zongen bij het afscheid van groep 8.

Ik had op mijn school ook een ritueel ingevoerd: op de laatste schooldag voor de vakantie liet ik aan het eind van de dag het afgrijselijke geloei horen van een gastoeter.

De kinderen verheugden zich hier elke keer op en werden helemaal opgewonden als het moment suprême naderde.

Ze wilden natuurlijk allemaal zelf even toeteren, maar dat mocht niet van mij. Als reden gaf ik op dat je hiervoor eerst de status van directeur moest bereiken. De echte reden was, dat je dit voorrecht nooit aan maar een kind kunt verlenen en ik moest er niet aan denken alle kinderen aan bod te moeten laten komen.

Er was één leerling die duidelijk heel gemengde gevoelens met betrekking tot dit ritueel had, Patrick*. Patrick was onze klassieke autist. Deze classificering kwam niet van ons, maar van hemzelf: hij vertelde het trots aan iedereen. Nog voor Passend Onderwijs bestond hadden we al afgesproken met zijn moeder dat we hem zo lang mogelijk op school wilden houden.

Dat viel niet altijd mee. Regelmatig werden indrukken en spanningen hem teveel en vloog hij uit de bocht.

Ik nam hem dan bij me op mijn kamer en installeerde hem aan tafel met de grote emmer zendingsgeld. Hij begon meteen de munten te sorteren en werd na een minuut of tien meestal weer rustig.

We hadden dan een man-tot-mangesprek en ik bracht hem terug naar de klas.

Soms vroeg hij mij of hij de toeter even mocht zien, want hij werd hierdoor gefascineerd. Aan de ene kant vond hij het net als alle kinderen een machtig ding, aan de andere kant was hij er doodsbang voor.

Hij hield de toeter dan voorzichtig vast en lette goed op dat zijn vingers niet in de buurt van de knop kwamen.

Als de vakantie naderde zocht hij me regelmatig op om me te vertellen dat ik hem niet moest vragen te toeteren en dat ik het ook niet vlak naast zijn oren moest doen. Ik beloofde plechtig mij van beide zaken te onthouden.

Hij bracht me bij die gelegenheden ook op de hoogte van zijn strategie: hij zou goed op de klok letten en een minuut van tevoren met zijn handen over zijn oren onder zijn tafeltje gaan zitten. Op die manier zou hij de crisis waarschijnlijk wel het hoofd weten te bieden.

Ik bood aan hem voor de zekerheid even te komen waarschuwen als het tijd was om onder zijn tafeltje te kruipen. Hij nam dat aanbod dankbaar aan.

Als dus alle leerkrachten de laatste minuten van de laatste schooldag opvulden in afwachting van het moment dat ze hun kinderen konden laten gaan ging ik het lokaal binnen waar Patrick al nerveus naar de klok zat te kijken. Ik gaf hem een knipoog, hij trachtte vanachter zijn steeds afzakkende bril hetzelfde te doen en gleed onder zijn tafeltje. Daar kneep hij zijn ogen dicht en deed zijn handen voor zijn oren.
Zijn klasgenoten waren wel wat van hem gewend en wachtten vol spanning op de toeter.

Toen ik die dan eindelijk gebruikte verlieten alle kinderen juichend hun lokaal, de meesten kwamen om mij heen staan en wilden dat ik nog eens en nog eens toeterde. Ze probeerden tegen beter in toch nog even of ik te vermurwen was en vonden het jammer als ik de toeter opborg. Daarna groetten ze me luidkeels en renden de school uit, hun vakantie tegemoet.

Ik liep naar het lokaal waar Patrick nog steeds onder zijn tafeltje zat en tikte hem voorzichtig op de schouder.

Het gevaar was geweken en ook hij kon aan zijn vakantie beginnen.

 

 

*Patrick heet in het echt anders.

 

De lagere school

Uitgevers zijn altijd op zoek naar boeken die ze kunnen uitgeven die niet zoveel gekost hebben en toch veel geld opbrengen.

Marktonderzoek heeft ongetwijfeld aan het licht gebracht dat nostalgie het erg goed doet.

Als het aantal levensjaren toeneemt treden nostalgische gevoelens wellicht ook meer op de voorgrond.
Iedereen (behalve Henk Krol) weet dat pensionado’s over het algemeen goed in de slappe was zitten, dus ligt het voor de hand deze steeds groter wordende groep te paaien.

Het getuigt dus van briljant zakelijk inzicht dat er steeds meer boeken verschijnen die het verleden in beeld brengen en ook vaak romantiseren.

Ik heb een aardig aantal in bezit: fotoboeken over de vijftiger jaren (heerlijk zwart-wit en in elke straat maar twee auto’s), het grote jaren 50 en 60 boek en Gouden jaren van Annegreet van Bergen.

 

 

 

Mijn nieuwste aanwinst is De lagere school van Wim Daniëls.

De titel zegt het al, het boek gaat over de voorloper van de basisschool.
Ik zat zelf op een lagere school in Amsterdam en gaf er later ook les. Ik maakte de overgang van het oude systeem naar het nieuwe mee en zag er naar uit alle oude herinneringen weer eens op te halen.

Toen ik het boek doorbladerde kwamen moest ik meteen denken aan:

  • De meester die vertelde aan de hand van de schoolplaten (wij rekten de les expres door onbenullige vragen over details te stellen die de meester geduldig allemaal beantwoordde).
  • Het voorlezen uit verschrikkelijk spannende boeken.
  • De schoolmelk. Als het jouw beurt was mocht je met een scherp potlood gaatjes in de aluminium doppen prikken. Soms werden de kratten bij de kachel gezet omdat de inhoud gedeeltelijk bevroren was; toen wij de flesjes mochten leegdrinken zat er nog steeds een klont bevroren water in, de overgebleven romige vloeistof smaakte heel vies.
  • Het klaar-overen: ik behoorde tot de verkozen elite en voelde me apetrots en heel erg belangrijk met de witgekalkte koppel en spiegelei.
  • Het overblijven, boterhammen met theeworst waar ik na verloop van tijd zo’n genoeg van kreeg dat ik ze niet meer opat. Het kwam niet in mij op mijn moeder te vertellen dat ik liever ander broodbeleg had, er kwam pas verandering toen mijn moeder voor de derde achtereenvolgende dag het onaangebroken pakje brood in mijn schooltas aantrof.
    Als de andere kinderen naar huis gingen mocht ik boeken lezen uit de schoolbibliotheek.
  • Het afscheid na de zesde klas. Ik vormde met vriendjes een bandje dat muziek playbackte en zong een liedtekst die mijn grote zus had geschreven.
  • Mijn tijd als hospitant (vroeger heette je kwekeling), gedurende enkele maanden bij de meester die ik ook als kind had gehad. Als hij aan het begin van de dag “eerbiedig” tegen de kinderen zei vlogen ook mijn handen automatisch in de bidstand.
  • De allereerste dag op de Bilderdijkschool, waar ik drie dagen in de week les zou geven aan de zesde klas. Het hoofd van de school stond de andere twee dagen voor de klas. In mijn bijzijn scheurde hij de enveloppe open waarin de rekenopgaven van de Cito-eindtoets zaten. Die zou de volgende dag worden afgenomen, ik moest ter voorbereiding maar even kijken welke lastige onderwerpen aan de orde zouden komen, die kon ik dan even met de klas doornemen.
    Ik stelde als nieuwkomer geen vragen, maar heb mij in mijn eigen onderwijscarrière nooit meer schuldig gemaakt aan dergelijk frauduleus handelen.

Ik was daarna actief in veel andere onderwijssectoren en kwam terug toen de basisschool al lang een feit was. Voor mij was het grootste verschil dat er nu kleuters in de school rondliepen, die je heel vertrouwd een handje gaven als je met ze opliep.

In De lagere school komt in 32 hoofdstukjes heel veel langs, toch valt het boek een beetje tegen.

Daniëls baseert zich op zijn eigen ervaringen (hij is een jaar ouder dan ik), gesprekken met anderen en wat research.
Het boek is een beetje onevenwichtig: hier en daar lijkt het de pretentie te hebben volledig te zijn, wat onmogelijk is. Af en toe wordt uitgeweid over de voorgeschiedenis van het Nederlandse onderwijsstelsel maar heel veel komt niet aan bod.
Ik heb natuurlijk niet geturfd, maar ik heb de indruk dat hij nogal veel uitgaat van de situatie op katholieke lagere scholen in het zuiden van Nederland. Dat hij zelf op de Noord-Brabantse Sint-Jozefschool zat zal ongetwijfeld een rol spelen.

Hij maakt verder af en toe vergelijkingen met de stand van zaken op de basisschool anno 2018 en slaat hier af en toe de plank mis.

Het boek is mooi verzorgd, maar ik begrijp niet waarom de vormgever ervoor heeft gekozen de citaten uit oude kranten in schrijfmachineletters te zetten. Ik heb er begrip voor dat hij grafisch onderscheid wil maken tussen de tekst van de schrijver en die van de krant, maar deze oplossing is ronduit lelijk en wekt ook nog een verkeerde associatie: bij schrijfmachineletters denk je aan een brief, niet aan een krantenartikel.

De ondertitel van het boek luidt Toen alles nog heel anders was. Dat is goed geformuleerd, Daniëls maakt zich gelukkig niet schuldig aan romantisering (“Toen alles beter was”).

Al met al dus een lichte teleurstelling. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat de schrijver zich er een beetje makkelijk van af gemaakt heeft. Nostalgie verkoopt, maar je bent het aan je lezers verplicht zo volledig mogelijk te zijn en goede research te plegen.

 

De Lagere school                  6 ½

 

 

Toestanden rond de examens

Er zijn twee gevallen openbaar geworden waarin er gefraudeerd werd met examens. Dat komt voor mij niet als een verrassing.

Je moet wel naïef zijn als je verbaasd bent over de gebeurtenissen op het Limburgse VMBO, waar aan het licht is gekomen dat er met cijfers gesjoemeld is.

Een accident waiting to happen, als je rekening houdt met de omstandigheden in het onderwijs.
De leiding van de school waarop de getroffen leerlingen zaten gaf onder meer als reden dat de leraren erg betrokken waren en veel hart hadden voor de kinderen die aan hen waren toevertrouwd.

Dit zal vast een rol hebben gespeeld, met zoals nu gebleken is desastreuze gevolgen. Ik denk dat de leerlingen die nu zonder diploma zitten prijs zouden hebben gesteld op wat minder hart en wat meer professionaliteit.

Er speelt natuurlijk veel meer. Zo is er de geweldige nadruk op afrekenen en controleren. De schoolleiding, met bestuur en Inspectie hijgend in hun nek verwacht voortdurend verantwoording en hamert op de resultaten.
Iedereen die werkzaam is in het onderwijs kent de beruchte overzichten, op klas- en schoolniveau, met de hatelijke oranje en rode vakjes. Veel rode vakjes betekent veel problemen.
Het bestuur zet de directeur onder druk (ik zie me nog zitten in het kantoor van de bestuursvoorzitter van de stichting waar mijn school deel van uitmaakte: de muren behangen met uitdraaien van de schooloverzichten. Ik hoopte maar dat andere scholen ook wat rode vakjes hadden…). De directeur gaat leunen op de leerkrachten, die op hun beurt de zwakke leerlingen achter de broek gaan zitten.

Het schrikbeeld is voor alle partijen dat de school van de inspectie het stempel “zwak” krijgt. Dat is slecht voor het imago en je weet dat je dan onder verscherpt toezicht wordt geplaatst. In de praktijk betekent dit, dat er uitgebreide verander- en verbeterplannen moeten worden opgesteld, die dan uitgebreid door de inspectie van commentaar worden voorzien. Er moet van alles afgevinkt worden, maar het is vaak onduidelijk wat de opbrengst van deze papierberg voor de kinderen is.

De tijd dat de Inspecteur wel eens een helpende hand toestak ligt ver achter ons. Hij kijkt naar de cijfers en rekent af volgens de ijzeren wetten van het beoordelingsprofiel.

Onderschat ook de druk niet die uitgeoefend wordt door de ouders. Menig leraar ziet met angst en beven de komst tegemoet van een boze vader of moeder als hij een kind een slechte beoordeling gaf, of als de resultaten van de cito-toets tegenvielen. Ouders zien zichzelf als consument en stellen de leraar ervoor verantwoordelijk als hun kind slecht scoort. “Mijn zoon staat een 3 voor Engels, wat bent u van plan hieraan te doen?”

Als je deze factoren in ogenschouw neemt, is het dan verwonderlijk dat hier en daar wat met cijfertjes geschoven wordt? Als je kunt voorkomen dat je school in de problemen komt, als je een conflict kunt vermijden, kan je dan niet beter af en toe “met de hand over het hart strijken”, zeker als je ervan uitgaat dat een toets “toch maar een momentopname is”?

Ik ben ervan overtuigd dat verreweg de meeste leraren en schooldirecties integer zijn en weten dat niemand gebaat is bij bedrog.
Maar ik ben ook niet heel erg verbaasd over wat er nu in Limburg is gebeurd.

 

 

De verhalen van Vrij Nederland

Ooit was ik abonnee van Vrij Nederland, maar er kwam een moment waarop ik mijn abonnement opzegde, ik weet de reden niet meer.

Ik herinner me de prachtige bijlagen die toen verschenen, meestal geschreven door Gerard van Westerloo of Elma Verhey.

Geert Mak, een van mijn favoriete schrijvers, sprak lovend over het boek De pont van kwart over zeven, de beste journalistieke verhalen.
Ik kocht het boek en het was een feest van herkenning. Er staan 17 prachtige verhalen in, de meeste van van Westerloo, vier schreef hij samen met Verhey.

Ik herinnerde mij vooral het titelverhaal: alle passagiers van de pont van kwart over zeven die van Amsterdam Noord naar het Centraal Station vaart op een willekeurig werkdag, werden opgezocht en geïnterviewd. Het stuk werd in 1981 gepubliceerd.

Het kan zijn dat de term “ruggengraat van onze maatschappij” hierin voor het eerst gebruikt werd. Van Westerloo laat uitgebreid de gewone, hardwerkende mensen aan het woord die trouw elke dag naar hun werk gaan en de maatschappij draaiende houden.

In dit verhaal en ook in het prachtige Lijn 16 komt heel duidelijk naar voren dat de gewone werkende man/vrouw niet veel meer begrijpt van de veranderingen in de maatschappij. Ze ergeren zich aan de uitkeringstrekkers, de criminelen en het gebrek aan gezag. Ze voelen zich machteloos en trekken zich terug in hun eigen huis, dat ze vaak in een paleisje hebben omgetoverd. Ze missen de saamhorigheid van vroeger en hebben het idee dat het helemaal verkeerd gaat in de samenleving en dat zij de prijs moeten betalen.

Mij vallen twee dingen op: deze verhalen werden geschreven in de jaren 80, maar hebben niets aan actualiteit ingeboet. Vervang de Centrumpartij door de PVV en de interviews hadden ook dit jaar kunnen zijn afgenomen. Ze tonen aan dat er nog steeds een enorme kloof zit tussen de beleidsmakers en de mensen die er de gevolgen van ondervinden.
Verder valt mij op dat er niets verbloemd werd in de verhalen: er wordt geen zalvende links-tolerante sluier over de teksten gelegd, de mensen krijgen (terecht) volop de kans te vertellen hoe zij de dingen ervaren. Vooral Surinamers en Turken moeten het ontgelden, waarschijnlijk waren er in die tijd nog niet zoveel Marokkanen.

Van Westerloo had een scherp oog, ik vind vooral zijn conclusie erg mooi in De vlucht in de stacaravan: mensen voelen zich bedreigd en hopen op de camping iets terug te vinden van de geïdealiseerde buurt waar ze vroeger woonden.

 

De pont van kwart over zeven                                 9


Vrij Nederland van 4 april 1998

 

Ik mocht zelf ook ooit een rol spelen in een VN-rapportage. Ik werd in 1998 benaderd door Elma Drayer en Kees Schaepman voor een rapportage die moest gaan over de studenten die in 1977 eindexamen hadden gedaan aan de Hervormde Pedagogische Akademie in Amsterdam. De titel van het verhaal verraadt de strekking: Onderwijzers zonder klas.

De journalisten hadden bijna iedereen achterhaald, één studente is inmiddels overleden.

Ze namen de tijd: iedereen werd uitvoerig geïnterviewd, met mij waren ze ook een hele middag bezig. Het leverde een groot artikel op, ruim 6 A3-pagina’s met veel foto’s.
Als bekroning brachten ze ons bij elkaar in café Eik en Linde, precies tegenover onze oude school aan de Plantage Middenlaan, het was een leuke ervaring elkaar weer eens te ontmoeten.
De teneur van het artikel is dat veel studenten teleurgesteld of gefrustreerd raakten en dat de meesten uiteindelijk niet voor de klas kwamen te staan.

Het is een vreemde ervaring te lezen wat een verslaggever uiteindelijk gedestilleerd heeft uit een interview dat hij met je had: accenten worden verkeerd gelegd (ik had niet gezegd dat ik het pech vond te moeten hospiteren bij de meester die ik ook als kind had gehad) en feiten verkeerd vermeld (ik was niet “hoofd van de afdeling buitenland” en heb ook de lerarenopleiding Nederlands niet voltooid, maar Engels en Geschiedenis). Ik vond het wel bedenkelijk dat ze twee zo makkelijk te checken stukjes informatie niet goed hadden. Wat zei dat over de rest van het verhaal?

Ten slotte: wat schreven ze in die tijd lange artikelen! Ik ben bang dat vandaag de dag niemand meer tijd heeft voor zulke “longreads”.

 

Ik kreeg onlangs van mijn vrouw een abonnement op Vrij Nederland cadeau. De cirkel is rond.

Leesplezier

Laatst vroeg een bezorgde grootvader mijn advies. Het ging niet zo goed met zijn kleinzoontje op school, wat kon hij daaraan doen?

Misschien had hij verwacht dat ik hem een of ander huiswerkinstituut zou aanbevelen, of anders een instructief computerprogramma, maar mijn advies luidde anders.

Ik ried hem aan zijn kleinzoon vooral veel buiten te laten spelen en zoveel mogelijk boeken te laten lezen. Dan zou alles volgens mij wel goed komen.

Er is op dit moment veel discussie over de positie van het literatuuronderwijs. De leeslijsten op de middelbare school worden almaar korter. Aan de omstandigheid dat leerlingen meestal kiezen voor de dunste boeken verandert natuurlijk niets (Oeroeg van Hella Haasse en Het gouden ei van Tim Krabbé blijven immens populair). De moderne talen worden op het gebied van verplichte literatuur ook nog eens gekoppeld aan het Nederlands.

Nu was het bericht te lezen dat aankomende leraren Nederlands niets meer hoeven te lezen van vóór 1900.
Hierop wordt door de gestaalde kaders van het literatuuronderwijs bitter gereageerd: als zelfs de leraren al geen kennis hebben genomen van Multatuli, Piet Paaltjens en de Ferguut, hoe moet het dan met de leerlingen?

Ik heb een blauwe maandag MO Nederlands gestudeerd en herinner me nog goed dat ik me verschrikkelijk zat te ergeren toen ik Floris ende Blancefloer en Van de Vos Reinaerde moest lezen. Ik las alles wat me onder de ogen kwam, maar kon hier niet doorkomen.
Je leest om meer te weten te komen en hebt daarvoor begrijpelijke taal nodig. Je moet niet hoeven te puzzelen om erachter te komen wat er staat!

Ik ben er dus niet zo rouwig om dat deze oude jongens van de lijst af zijn gehaald.

Ik vind het wel erg jammer dat kinderen steeds minder boeken lezen en steeds vaker met schermpjes in de weer zijn. Er is een heel groot verschil tussen het lezen van een roman en het raadplegen van een stukje informatie via Google.
Het is mijn vaste overtuiging dat het lezen van literatuur een onmisbaar onderdeel is van het opgroeiproces.

Er zijn ruwweg drie stromingen te onderscheiden in de discussie over (verplicht) lezen: traditioneel geldt de opvatting dat leerlingen op school in contact gebracht moeten worden met een breed aanbod van literatuur, ze kunnen dan van alles proeven en kunnen met behulp van deze ervaring vaststellen waar hun belangstelling naar uit gaat. Ze hebben dan een goede beginsituatie om verder zelfstandig te lezen.
Een ander uitgangspunt is, dat het er vooral om gaat dat kinderen lezen, het is niet belangrijk wat ze lezen. Geen verplichte lijst dus en Suske en Wiske is ook goed.

Een groeiende groep is van mening dat lezen uit de tijd is. In onze wereld nemen de snelle massamedia de belangrijkste plaats in en is een trage papieren informatiedrager volkomen gedateerd.

In het debat rondom het gebruik van de computer voor het leren wordt kennis vaak verward met informatie: van het laatste is op internet een overweldigende overvloed aanwezig, maar om die informatie te ordenen, te schiften en te beoordelen heeft een leerling kennis nodig en die komt niet vanzelf.
Met betrekking tot lezen heerst vaak hetzelfde misverstand. Grasduinen door alle mogelijke teksten op het web is volstrekt niet hetzelfde als het zorgvuldig lezen van een verhaal of boek.
Literaire teksten trekken de lezer het verhaal in, laten hem kennismaken met de belevingswereld van anderen en doen een beroep op zijn empatisch vermogen. Ze zullen de lezer in staat stellen zelf beelden te vormen bij het gelezene en inspireren hem met een uitgekiende woordkeus en literaire vorm.
Teksten die men op het scherm tegenkomt zijn bijna altijd van een heel ander kaliber.

Onlangs las ik over nog weer een andere benadering: vereenvoudig (wereld)literatuur of bied samenvattingen aan. De leerling zal dan nieuwsgierig worden naar het origineel.

Het spreekt voor zichzelf dat bij dit voorstel mij de rillingen over de rug lopen. Het doet denken aan menig boekenkast in de huizen van generatiegenoten van mijn ouders. Hier stonden keurig in het gelid, voorzien van goudgeletterde keurige banden de vereenvoudigde en ingekorte versies van klassiekers als Moby Dick, Wuthering Heights en Great Expectations. Zij waren speciaal geselecteerd door Reader’s Digest en stelden de lezers in staat mee te praten over deze meesterwerken zonder daar overdreven veel moeite voor te hoeven doen.

Ik vroeg me bij het aanschouwen van deze gemutileerde werken altijd af welke diepgezonken creaturen zich beschikbaar hadden gesteld als literatuurverkrachter.
Ik hoop dat het hun tot het einde der tijden verboden wordt iets anders dan doktersromans te lezen.

Mijn eigen leesgeschiedenis

De discussie roept bij mij herinneringen op aan de leeslessen op de lagere school. We kregen een in bruin papier gekaft schoolboek dat al door heel veel kinderhanden was gegaan en werden geconfronteerd met fragmenten van jeugdboeken.
Er was altijd eerst een inleiding:
Beer Ligthart is door een akelige val blind geworden. Niets kan hij meer zien en dat maakt de wereld ineens heel anders. Beer zal alles opnieuw moeten leren.
Dan vielen we plotseling in het verhaal, bij hoofdstuk 5 of zo, en als we er dan net een beetje in begonnen te komen hield het alweer op en begon weer een ander verhaal.
Ik was hier altijd boos over; waarom konden we niet meer lezen? Ik wilde graag weten wat er precies gebeurd was en vooral: hoe het afliep.

Je zou denken dat ik dan zelf op zoek ging in de bibliotheek, maar dit is nooit bij me opgekomen. Op de een of andere manier heb ik destijds nooit de link gelegd tussen de fragmenten uit mijn schoolboek en de originele boeken. Ik vermoed dat mijn onderwijzer ook nooit dit voor de hand liggende verband heeft gelegd en mij dus ook nooit de goede kant heeft op gewezen.

Ik weet niet meer hoe oud ik was toen ik mijn eerste bibliotheekkaart kreeg, wel dat ik er maximaal gebruik van heb gemaakt.
Onze bibliotheek stond aan de Bos en Lommerweg en ik was er kind aan huis. Er brak een moment aan dat ik alle boeken die bij mijn leeftijdscategorie hoorden had gelezen. Ik kreeg speciale dispensatie, mij werd alvast een gele kaart verstrekt, hoewel ik daar nog geen recht op had. Vanaf dat moment kon ik ook boeken voor jongvolwassenen lenen.
Er was een limiet gesteld aan het aantal boeken dat je per keer mocht meenemen. Vaak stond ik in tweestrijd: welk boek zou ik noodgedwongen achterlaten? Ik bedacht een list en verstopte het boek dat ik niet mee mocht nemen achter andere boeken. Een ander kind zou het dan niet in kunnen pikken en ik zou het dan de volgende keer kunnen lenen. Toen ik later zelf in een bibliotheek werkte ontdekte ik dat ook contemporaine kinderen zich van deze truc bedienden. Ik zette de verborgen boeken meedogenloos weer op hun juiste plek, zoals de bibliothecaressen uit mijn kinderjaren ook gedaan moeten hebben.

Terugdenkend aan mijn leeshonger als kind besef ik dat er een beperkte tijdsperiode is waarin je kritiekloos ondergedompeld kan zijn in steeds weer een nieuw boek. De periode begint als je een beetje vlot kan lezen, dus als je ongeveer 7 jaar bent en komt ten einde als je in de puberteit komt. Je bent dan wat wereldwijzer en accepteert niet meer blind alles wat je voorgeschoteld wordt.

Wat een geweldige, prachtige periode is dat! Ik placht met mijn voeten op de gaskachel te zitten, volslagen in beslag genomen door mijn boek (Pim Pandoer: de schrik van de Imbosch!) dat door mijn moeder uit mijn handen moest worden getrokken om mij naar school te krijgen.


Als ik aan het rondsnuffelen ben in een tweedehandsboekenwinkel krijg ik af en toe weer een boek in handen dat ik destijds verslonden had (Bob Evers!) en dan komt het extatische gevoel weer een beetje terug.  Ik kom in de verleiding het betreffende boek te kopen en te herlezen, maar weet beter. Je kunt de herinneringen beter intact laten.

Mijn ouders besteedden volstrekt geen aandacht aan het soort boeken dat ik las. Ik wist van andere ouders dat die op de leeftijdscategorie letten (mijn vriend Henk kreeg voor zijn verjaardag een boek dat bestemd was voor lezers vanaf 16 jaar; zijn moeder beloofde het hem te geven als hij die leeftijd bereikt zou hebben) of controleerden of er in het kinderboek wel voldoende mens-maatschappij problematiek aan de orde kwam (de hoofdpersoon moest liefst een gehandicapt zoontje zijn van gescheiden lesbische ouders).
Dit was waarschijnlijk de reden dat ik wel alle boeken las van Willy van der Heide, die fout was geweest in de oorlog, maar geen “echte” jeugdliteratuur.

Er kwam natuurlijk een moment dat ik boeken wel degelijk op hun literaire kwaliteit selecteerde dus het is toch nog goed gekomen. Ik las zelfs een heel oud boek: de Max Havelaar.

Ik denk met groot genoegen terug aan alle prachtige boeken die ik gelezen heb en breng nog elke dag menig uurtje lezend door.

Ik gun elk kind de ervaringen die ik zelf heb gehad met het gedrukte woord.

Wees dus heel erg blij als je kind van lezen houdt en maak je vooral niet druk of hij wel de juiste boeken leest.

Dus: lekker buiten spelen en dan heerlijk genieten van een boek!

Racisme

Lang geleden liep ik stage op de Joke Smit Scholengemeenschap in Amsterdam.

Ik gaf les aan volwassenen, de meesten waren niet in Nederland geboren. Er was een deskundigheidsbevorderingsbijeenkomst georganiseerd, ik mocht erbij zijn.

De gastspreker was een medewerker van de Anne Frankstichting. Om de discussie aan te zwengelen begon hij met een aantal confronterende uitspraken, één ervan was deze: jullie zijn je er niet van bewust, maar jullie zijn allemaal racisten.

Ik was erg verbaasd, want ik wist dat mijn collega’s stuk voor stuk enthousiast en zeer professioneel lesgaven aan anderstalige cursisten uit alle delen van de wereld. Het leek mij volslagen onmogelijk dat mensen met racistische ideeën dit werk dag in dag uit met zo’n overtuiging konden doen.

Ik herinner me niet meer precies hoe de inleider zijn stelling onderbouwde. Hij had het erover dat wij allemaal wit waren, dat onze taal wit was en ook de formulering van onze toetsvragen gebaseerd was op een wit wereldbeeld.

In die tijd was het gebruikelijk dat onderliggende structuren werden blootgelegd en mensen zich ervan bewust moesten worden hoe groot cultuurverschillen kunnen zijn.

Het blanke privilege dat oorzaak was van zoveel leed bij niet-blanken moest aan de kaak worden gesteld. De verkondigers van die boodschap waren in die tijd vaak nog roomser dan de paus.

Er is wel het een ander veranderd sinds die dagen, waarin het ineens niet meer politiek correct was om te spreken van gastarbeiders, (later mocht de term allochtoon ook niet meer gebruikt worden) maar de holier than thou-puristen liggen nog steeds op de loer.

Niet lang geleden zagen we hier weer een voorbeeld van in de zwartepietendiscussie: men droeg T-shirts met de weinig genuanceerde uitspraak “Zwarte Piet is racisme”.

Het staat voor mij buiten kijf dat we af moeten van de traditionele zwarte piet. Als mensen last hebben van deze ouderwetse en denigrerende black-face cultuur (die in de meeste landen lang geleden al is afgeschaft) moeten we ermee stoppen. Een feest moet feestelijk zijn en ik weet zeker dat het kinderen geen bal kan schelen als we voortaan regenboog,- of schoorsteenpieten hebben. Ze zullen Sinterklaas nog steeds fantastisch spannend vinden en er vreselijk opgewonden door raken.

Anders ligt het al er een beroep op ons wordt gedaan ons koloniale verleden onder ogen te zien. Beelden moeten worden verwijderd, straatnamen veranderd en in het Rijksmuseum moeten bijschriften worden aangepast.

Van blanken wordt verwacht dat zij zich schuldig voelen aan de verschrikkelijke gevolgen van de slavernij.

Met dit laatste heb ik moeite: ik weet dat er slavenhandel werd bedreven door de Nederlandse VOC en dat Nederland een van de laatste landen was die de slavernij afschaften (1863) maar word toch niet graag afgerekend op de misdaden van mijn verre voorvaderen.

Het is lastig hierover te discussiëren: als je niet oplet word je al gauw in de verkeerde hoek neergezet, alsof je heimelijk toch een racist bent. Om elke schijn te vermijden houd je dus maar je mond, ook als je je ten onrechte beticht voelt van verkeerde gedachten.

In zo’n geval is het prettig de zaak eens vanuit een heel andere invalshoek belicht te zien worden. In de Volkskrant van 2 januari schrijft filosoof Sebastien Valkenberg een krachtig betoog. (Zie het origineel).

Hij stelt dat we ons moeten realiseren dat slavernij al heel lang bestaat en dat iedereen eraan meedeed. De suggestie dat zij uitsluitend samenhangt met het kolonialisme klopt niet.

De echte vraag is hoe het komt dat zo’n ingeburgerd gebruik grotendeels ophield te bestaan. De Europese Verlichting bracht ook op dit gebied vooruitgang.

Als we dan toch op zoek gaan naar de unieke bijdrage van het Westen aan de slavernij… die is erin gelegen dat het de discussie over het voortbestaan ervan heeft geopend.

De docenten op de Joke Smitschool waren in eerste instantie overdonderd door het verwijt van de Anne Frank-man, maar stelden zich al snel waardig teweer tegen de onzin-aantijging.
Ik weet niet meer welke argumenten ze gebruikten, maar herinner me wel dat ik trots op hen was. Hun opstelling was voor mij een inspiratie in mijn verdere onderwijsloopbaan.
Deze confrontatie heeft er wel voor gezorgd dat ik sedertdien een forse hekel heb aan zeloten.

 

Ten slotte twee praktijkervaringen uit het nog niet eens zo verre verleden:

* Toen de kinderen van groep acht geschminkt en verkleed moesten worden als zwarte piet stond de Surinaamse leerlinge erop dat ook zij zwarte verf op haar gezicht zou krijgen en rode lippenstift. Dat gebeurde ook.

* Op de dag van het bezoek van Sinterklaas aan onze school troffen de kinderen ’s ochtends hun klaslokaal in wanorde aan. De Pieten waren die nacht geweest en hadden een cadeautje in ieders laatje gelegd. Maar dom als ze waren hadden ze ook rommel gemaakt en zinnen in krom Nederlands op het bord geschreven. Hier en daar hadden ze zwarte handafdrukken achtergelaten. (Het is de schoonmaker nooit gelukt die weer weg te poetsen).

Ik vond destijds alleen dat laatste een probleem….