De verhalen van Vrij Nederland

Ooit was ik abonnee van Vrij Nederland, maar er kwam een moment waarop ik mijn abonnement opzegde, ik weet de reden niet meer.

Ik herinner me de prachtige bijlagen die toen verschenen, meestal geschreven door Gerard van Westerloo of Elma Verhey.

Geert Mak, een van mijn favoriete schrijvers, sprak lovend over het boek De pont van kwart over zeven, de beste journalistieke verhalen.
Ik kocht het boek en het was een feest van herkenning. Er staan 17 prachtige verhalen in, de meeste van van Westerloo, vier schreef hij samen met Verhey.

Ik herinnerde mij vooral het titelverhaal: alle passagiers van de pont van kwart over zeven die van Amsterdam Noord naar het Centraal Station vaart op een willekeurig werkdag, werden opgezocht en geïnterviewd. Het stuk werd in 1981 gepubliceerd.

Het kan zijn dat de term “ruggengraat van onze maatschappij” hierin voor het eerst gebruikt werd. Van Westerloo laat uitgebreid de gewone, hardwerkende mensen aan het woord die trouw elke dag naar hun werk gaan en de maatschappij draaiende houden.

In dit verhaal en ook in het prachtige Lijn 16 komt heel duidelijk naar voren dat de gewone werkende man/vrouw niet veel meer begrijpt van de veranderingen in de maatschappij. Ze ergeren zich aan de uitkeringstrekkers, de criminelen en het gebrek aan gezag. Ze voelen zich machteloos en trekken zich terug in hun eigen huis, dat ze vaak in een paleisje hebben omgetoverd. Ze missen de saamhorigheid van vroeger en hebben het idee dat het helemaal verkeerd gaat in de samenleving en dat zij de prijs moeten betalen.

Mij vallen twee dingen op: deze verhalen werden geschreven in de jaren 80, maar hebben niets aan actualiteit ingeboet. Vervang de Centrumpartij door de PVV en de interviews hadden ook dit jaar kunnen zijn afgenomen. Ze tonen aan dat er nog steeds een enorme kloof zit tussen de beleidsmakers en de mensen die er de gevolgen van ondervinden.
Verder valt mij op dat er niets verbloemd werd in de verhalen: er wordt geen zalvende links-tolerante sluier over de teksten gelegd, de mensen krijgen (terecht) volop de kans te vertellen hoe zij de dingen ervaren. Vooral Surinamers en Turken moeten het ontgelden, waarschijnlijk waren er in die tijd nog niet zoveel Marokkanen.

Van Westerloo had een scherp oog, ik vind vooral zijn conclusie erg mooi in De vlucht in de stacaravan: mensen voelen zich bedreigd en hopen op de camping iets terug te vinden van de geïdealiseerde buurt waar ze vroeger woonden.

 

De pont van kwart over zeven                                 9


Vrij Nederland van 4 april 1998

 

Ik mocht zelf ook ooit een rol spelen in een VN-rapportage. Ik werd in 1998 benaderd door Elma Drayer en Kees Schaepman voor een rapportage die moest gaan over de studenten die in 1977 eindexamen hadden gedaan aan de Hervormde Pedagogische Akademie in Amsterdam. De titel van het verhaal verraadt de strekking: Onderwijzers zonder klas.

De journalisten hadden bijna iedereen achterhaald, één studente is inmiddels overleden.

Ze namen de tijd: iedereen werd uitvoerig geïnterviewd, met mij waren ze ook een hele middag bezig. Het leverde een groot artikel op, ruim 6 A3-pagina’s met veel foto’s.
Als bekroning brachten ze ons bij elkaar in café Eik en Linde, precies tegenover onze oude school aan de Plantage Middenlaan, het was een leuke ervaring elkaar weer eens te ontmoeten.
De teneur van het artikel is dat veel studenten teleurgesteld of gefrustreerd raakten en dat de meesten uiteindelijk niet voor de klas kwamen te staan.

Het is een vreemde ervaring te lezen wat een verslaggever uiteindelijk gedestilleerd heeft uit een interview dat hij met je had: accenten worden verkeerd gelegd (ik had niet gezegd dat ik het pech vond te moeten hospiteren bij de meester die ik ook als kind had gehad) en feiten verkeerd vermeld (ik was niet “hoofd van de afdeling buitenland” en heb ook de lerarenopleiding Nederlands niet voltooid, maar Engels en Geschiedenis). Ik vond het wel bedenkelijk dat ze twee zo makkelijk te checken stukjes informatie niet goed hadden. Wat zei dat over de rest van het verhaal?

Ten slotte: wat schreven ze in die tijd lange artikelen! Ik ben bang dat vandaag de dag niemand meer tijd heeft voor zulke “longreads”.

 

Ik kreeg onlangs van mijn vrouw een abonnement op Vrij Nederland cadeau. De cirkel is rond.

Leesplezier

Laatst vroeg een bezorgde grootvader mijn advies. Het ging niet zo goed met zijn kleinzoontje op school, wat kon hij daaraan doen?

Misschien had hij verwacht dat ik hem een of ander huiswerkinstituut zou aanbevelen, of anders een instructief computerprogramma, maar mijn advies luidde anders.

Ik ried hem aan zijn kleinzoon vooral veel buiten te laten spelen en zoveel mogelijk boeken te laten lezen. Dan zou alles volgens mij wel goed komen.

Er is op dit moment veel discussie over de positie van het literatuuronderwijs. De leeslijsten op de middelbare school worden almaar korter. Aan de omstandigheid dat leerlingen meestal kiezen voor de dunste boeken verandert natuurlijk niets (Oeroeg van Hella Haasse en Het gouden ei van Tim Krabbé blijven immens populair). De moderne talen worden op het gebied van verplichte literatuur ook nog eens gekoppeld aan het Nederlands.

Nu was het bericht te lezen dat aankomende leraren Nederlands niets meer hoeven te lezen van vóór 1900.
Hierop wordt door de gestaalde kaders van het literatuuronderwijs bitter gereageerd: als zelfs de leraren al geen kennis hebben genomen van Multatuli, Piet Paaltjens en de Ferguut, hoe moet het dan met de leerlingen?

Ik heb een blauwe maandag MO Nederlands gestudeerd en herinner me nog goed dat ik me verschrikkelijk zat te ergeren toen ik Floris ende Blancefloer en Van de Vos Reinaerde moest lezen. Ik las alles wat me onder de ogen kwam, maar kon hier niet doorkomen.
Je leest om meer te weten te komen en hebt daarvoor begrijpelijke taal nodig. Je moet niet hoeven te puzzelen om erachter te komen wat er staat!

Ik ben er dus niet zo rouwig om dat deze oude jongens van de lijst af zijn gehaald.

Ik vind het wel erg jammer dat kinderen steeds minder boeken lezen en steeds vaker met schermpjes in de weer zijn. Er is een heel groot verschil tussen het lezen van een roman en het raadplegen van een stukje informatie via Google.
Het is mijn vaste overtuiging dat het lezen van literatuur een onmisbaar onderdeel is van het opgroeiproces.

Er zijn ruwweg drie stromingen te onderscheiden in de discussie over (verplicht) lezen: traditioneel geldt de opvatting dat leerlingen op school in contact gebracht moeten worden met een breed aanbod van literatuur, ze kunnen dan van alles proeven en kunnen met behulp van deze ervaring vaststellen waar hun belangstelling naar uit gaat. Ze hebben dan een goede beginsituatie om verder zelfstandig te lezen.
Een ander uitgangspunt is, dat het er vooral om gaat dat kinderen lezen, het is niet belangrijk wat ze lezen. Geen verplichte lijst dus en Suske en Wiske is ook goed.

Een groeiende groep is van mening dat lezen uit de tijd is. In onze wereld nemen de snelle massamedia de belangrijkste plaats in en is een trage papieren informatiedrager volkomen gedateerd.

In het debat rondom het gebruik van de computer voor het leren wordt kennis vaak verward met informatie: van het laatste is op internet een overweldigende overvloed aanwezig, maar om die informatie te ordenen, te schiften en te beoordelen heeft een leerling kennis nodig en die komt niet vanzelf.
Met betrekking tot lezen heerst vaak hetzelfde misverstand. Grasduinen door alle mogelijke teksten op het web is volstrekt niet hetzelfde als het zorgvuldig lezen van een verhaal of boek.
Literaire teksten trekken de lezer het verhaal in, laten hem kennismaken met de belevingswereld van anderen en doen een beroep op zijn empatisch vermogen. Ze zullen de lezer in staat stellen zelf beelden te vormen bij het gelezene en inspireren hem met een uitgekiende woordkeus en literaire vorm.
Teksten die men op het scherm tegenkomt zijn bijna altijd van een heel ander kaliber.

Onlangs las ik over nog weer een andere benadering: vereenvoudig (wereld)literatuur of bied samenvattingen aan. De leerling zal dan nieuwsgierig worden naar het origineel.

Het spreekt voor zichzelf dat bij dit voorstel mij de rillingen over de rug lopen. Het doet denken aan menig boekenkast in de huizen van generatiegenoten van mijn ouders. Hier stonden keurig in het gelid, voorzien van goudgeletterde keurige banden de vereenvoudigde en ingekorte versies van klassiekers als Moby Dick, Wuthering Heights en Great Expectations. Zij waren speciaal geselecteerd door Reader’s Digest en stelden de lezers in staat mee te praten over deze meesterwerken zonder daar overdreven veel moeite voor te hoeven doen.

Ik vroeg me bij het aanschouwen van deze gemutileerde werken altijd af welke diepgezonken creaturen zich beschikbaar hadden gesteld als literatuurverkrachter.
Ik hoop dat het hun tot het einde der tijden verboden wordt iets anders dan doktersromans te lezen.

Mijn eigen leesgeschiedenis

De discussie roept bij mij herinneringen op aan de leeslessen op de lagere school. We kregen een in bruin papier gekaft schoolboek dat al door heel veel kinderhanden was gegaan en werden geconfronteerd met fragmenten van jeugdboeken.
Er was altijd eerst een inleiding:
Beer Ligthart is door een akelige val blind geworden. Niets kan hij meer zien en dat maakt de wereld ineens heel anders. Beer zal alles opnieuw moeten leren.
Dan vielen we plotseling in het verhaal, bij hoofdstuk 5 of zo, en als we er dan net een beetje in begonnen te komen hield het alweer op en begon weer een ander verhaal.
Ik was hier altijd boos over; waarom konden we niet meer lezen? Ik wilde graag weten wat er precies gebeurd was en vooral: hoe het afliep.

Je zou denken dat ik dan zelf op zoek ging in de bibliotheek, maar dit is nooit bij me opgekomen. Op de een of andere manier heb ik destijds nooit de link gelegd tussen de fragmenten uit mijn schoolboek en de originele boeken. Ik vermoed dat mijn onderwijzer ook nooit dit voor de hand liggende verband heeft gelegd en mij dus ook nooit de goede kant heeft op gewezen.

Ik weet niet meer hoe oud ik was toen ik mijn eerste bibliotheekkaart kreeg, wel dat ik er maximaal gebruik van heb gemaakt.
Onze bibliotheek stond aan de Bos en Lommerweg en ik was er kind aan huis. Er brak een moment aan dat ik alle boeken die bij mijn leeftijdscategorie hoorden had gelezen. Ik kreeg speciale dispensatie, mij werd alvast een gele kaart verstrekt, hoewel ik daar nog geen recht op had. Vanaf dat moment kon ik ook boeken voor jongvolwassenen lenen.
Er was een limiet gesteld aan het aantal boeken dat je per keer mocht meenemen. Vaak stond ik in tweestrijd: welk boek zou ik noodgedwongen achterlaten? Ik bedacht een list en verstopte het boek dat ik niet mee mocht nemen achter andere boeken. Een ander kind zou het dan niet in kunnen pikken en ik zou het dan de volgende keer kunnen lenen. Toen ik later zelf in een bibliotheek werkte ontdekte ik dat ook contemporaine kinderen zich van deze truc bedienden. Ik zette de verborgen boeken meedogenloos weer op hun juiste plek, zoals de bibliothecaressen uit mijn kinderjaren ook gedaan moeten hebben.

Terugdenkend aan mijn leeshonger als kind besef ik dat er een beperkte tijdsperiode is waarin je kritiekloos ondergedompeld kan zijn in steeds weer een nieuw boek. De periode begint als je een beetje vlot kan lezen, dus als je ongeveer 7 jaar bent en komt ten einde als je in de puberteit komt. Je bent dan wat wereldwijzer en accepteert niet meer blind alles wat je voorgeschoteld wordt.

Wat een geweldige, prachtige periode is dat! Ik placht met mijn voeten op de gaskachel te zitten, volslagen in beslag genomen door mijn boek (Pim Pandoer: de schrik van de Imbosch!) dat door mijn moeder uit mijn handen moest worden getrokken om mij naar school te krijgen.


Als ik aan het rondsnuffelen ben in een tweedehandsboekenwinkel krijg ik af en toe weer een boek in handen dat ik destijds verslonden had (Bob Evers!) en dan komt het extatische gevoel weer een beetje terug.  Ik kom in de verleiding het betreffende boek te kopen en te herlezen, maar weet beter. Je kunt de herinneringen beter intact laten.

Mijn ouders besteedden volstrekt geen aandacht aan het soort boeken dat ik las. Ik wist van andere ouders dat die op de leeftijdscategorie letten (mijn vriend Henk kreeg voor zijn verjaardag een boek dat bestemd was voor lezers vanaf 16 jaar; zijn moeder beloofde het hem te geven als hij die leeftijd bereikt zou hebben) of controleerden of er in het kinderboek wel voldoende mens-maatschappij problematiek aan de orde kwam (de hoofdpersoon moest liefst een gehandicapt zoontje zijn van gescheiden lesbische ouders).
Dit was waarschijnlijk de reden dat ik wel alle boeken las van Willy van der Heide, die fout was geweest in de oorlog, maar geen “echte” jeugdliteratuur.

Er kwam natuurlijk een moment dat ik boeken wel degelijk op hun literaire kwaliteit selecteerde dus het is toch nog goed gekomen. Ik las zelfs een heel oud boek: de Max Havelaar.

Ik denk met groot genoegen terug aan alle prachtige boeken die ik gelezen heb en breng nog elke dag menig uurtje lezend door.

Ik gun elk kind de ervaringen die ik zelf heb gehad met het gedrukte woord.

Wees dus heel erg blij als je kind van lezen houdt en maak je vooral niet druk of hij wel de juiste boeken leest.

Dus: lekker buiten spelen en dan heerlijk genieten van een boek!

Racisme

Lang geleden liep ik stage op de Joke Smit Scholengemeenschap in Amsterdam.

Ik gaf les aan volwassenen, de meesten waren niet in Nederland geboren. Er was een deskundigheidsbevorderingsbijeenkomst georganiseerd, ik mocht erbij zijn.

De gastspreker was een medewerker van de Anne Frankstichting. Om de discussie aan te zwengelen begon hij met een aantal confronterende uitspraken, één ervan was deze: jullie zijn je er niet van bewust, maar jullie zijn allemaal racisten.

Ik was erg verbaasd, want ik wist dat mijn collega’s stuk voor stuk enthousiast en zeer professioneel lesgaven aan anderstalige cursisten uit alle delen van de wereld. Het leek mij volslagen onmogelijk dat mensen met racistische ideeën dit werk dag in dag uit met zo’n overtuiging konden doen.

Ik herinner me niet meer precies hoe de inleider zijn stelling onderbouwde. Hij had het erover dat wij allemaal wit waren, dat onze taal wit was en ook de formulering van onze toetsvragen gebaseerd was op een wit wereldbeeld.

In die tijd was het gebruikelijk dat onderliggende structuren werden blootgelegd en mensen zich ervan bewust moesten worden hoe groot cultuurverschillen kunnen zijn.

Het blanke privilege dat oorzaak was van zoveel leed bij niet-blanken moest aan de kaak worden gesteld. De verkondigers van die boodschap waren in die tijd vaak nog roomser dan de paus.

Er is wel het een ander veranderd sinds die dagen, waarin het ineens niet meer politiek correct was om te spreken van gastarbeiders, (later mocht de term allochtoon ook niet meer gebruikt worden) maar de holier than thou-puristen liggen nog steeds op de loer.

Niet lang geleden zagen we hier weer een voorbeeld van in de zwartepietendiscussie: men droeg T-shirts met de weinig genuanceerde uitspraak “Zwarte Piet is racisme”.

Het staat voor mij buiten kijf dat we af moeten van de traditionele zwarte piet. Als mensen last hebben van deze ouderwetse en denigrerende black-face cultuur (die in de meeste landen lang geleden al is afgeschaft) moeten we ermee stoppen. Een feest moet feestelijk zijn en ik weet zeker dat het kinderen geen bal kan schelen als we voortaan regenboog,- of schoorsteenpieten hebben. Ze zullen Sinterklaas nog steeds fantastisch spannend vinden en er vreselijk opgewonden door raken.

Anders ligt het al er een beroep op ons wordt gedaan ons koloniale verleden onder ogen te zien. Beelden moeten worden verwijderd, straatnamen veranderd en in het Rijksmuseum moeten bijschriften worden aangepast.

Van blanken wordt verwacht dat zij zich schuldig voelen aan de verschrikkelijke gevolgen van de slavernij.

Met dit laatste heb ik moeite: ik weet dat er slavenhandel werd bedreven door de Nederlandse VOC en dat Nederland een van de laatste landen was die de slavernij afschaften (1863) maar word toch niet graag afgerekend op de misdaden van mijn verre voorvaderen.

Het is lastig hierover te discussiëren: als je niet oplet word je al gauw in de verkeerde hoek neergezet, alsof je heimelijk toch een racist bent. Om elke schijn te vermijden houd je dus maar je mond, ook als je je ten onrechte beticht voelt van verkeerde gedachten.

In zo’n geval is het prettig de zaak eens vanuit een heel andere invalshoek belicht te zien worden. In de Volkskrant van 2 januari schrijft filosoof Sebastien Valkenberg een krachtig betoog. (Zie het origineel).

Hij stelt dat we ons moeten realiseren dat slavernij al heel lang bestaat en dat iedereen eraan meedeed. De suggestie dat zij uitsluitend samenhangt met het kolonialisme klopt niet.

De echte vraag is hoe het komt dat zo’n ingeburgerd gebruik grotendeels ophield te bestaan. De Europese Verlichting bracht ook op dit gebied vooruitgang.

Als we dan toch op zoek gaan naar de unieke bijdrage van het Westen aan de slavernij… die is erin gelegen dat het de discussie over het voortbestaan ervan heeft geopend.

De docenten op de Joke Smitschool waren in eerste instantie overdonderd door het verwijt van de Anne Frank-man, maar stelden zich al snel waardig teweer tegen de onzin-aantijging.
Ik weet niet meer welke argumenten ze gebruikten, maar herinner me wel dat ik trots op hen was. Hun opstelling was voor mij een inspiratie in mijn verdere onderwijsloopbaan.
Deze confrontatie heeft er wel voor gezorgd dat ik sedertdien een forse hekel heb aan zeloten.

 

Ten slotte twee praktijkervaringen uit het nog niet eens zo verre verleden:

* Toen de kinderen van groep acht geschminkt en verkleed moesten worden als zwarte piet stond de Surinaamse leerlinge erop dat ook zij zwarte verf op haar gezicht zou krijgen en rode lippenstift. Dat gebeurde ook.

* Op de dag van het bezoek van Sinterklaas aan onze school troffen de kinderen ’s ochtends hun klaslokaal in wanorde aan. De Pieten waren die nacht geweest en hadden een cadeautje in ieders laatje gelegd. Maar dom als ze waren hadden ze ook rommel gemaakt en zinnen in krom Nederlands op het bord geschreven. Hier en daar hadden ze zwarte handafdrukken achtergelaten. (Het is de schoonmaker nooit gelukt die weer weg te poetsen).

Ik vond destijds alleen dat laatste een probleem….

 

Over walvisachtigen en een stoffig schoolplan

Een van de taken van een schooldirecteur is het schrijven van een schoolplan.

Toen het moment was aangebroken dat ik er niet meer aan ontkomen kon het mijne te schrijven keek ik eerst naar het oude plan, geschreven door mijn voorganger, dat ergens verborgen diep achter in de kast stond. Ik was er niet bijster enthousiast over en vond dat ik het niet kon gebruiken als basis voor mijn stuk.

Ik onderzocht welke eisen mijn bestuur aan vorm en inhoud stelde en deed wat research op het internet.
Aan de hand hiervan schreef ik mijn plan, en probeerde er ook werkelijk iets van te maken: ik heb er grote moeite mee dingen voor de vorm te produceren.

Toen het klaar was wist ik dat het voldoende kwaliteit had. Geen negen of tien, maar zeker wel een 7. Er stonden in ieder geval geen taalfouten in. Ik was blij dat ik mijn tijd weer kon besteden aan nuttige dingen.

Tot mijn verbazing kreeg ik het plan na verloop van tijd terug, er was een checklist bijgevoegd. Een medewerker van het bestuursbureau had mijn werkstuk doorgevlooid en vinkjes gezet als hij een onderdeel op zijn lijst terug had gevonden.
Er ontbraken nogal wat vinkjes, dus ik kreeg de opdracht mijn werk over te doen.

Op zo’n moment kan je het beste even een ommetje maken, want als je in je boosheid de telefoon oppakt kunnen er vervelende dingen gebeuren.

Ik voelde een enorme weerzin om me weer bezig te moeten houden met iets wat in mijn ogen af en goed was. Ik had het heel druk met andere, belangrijker dingen. Ik zou me nu weer moeten buigen over een schoolplan dat uitsluitend voor de vorm op een school aanwezig moest zijn. Het diende geen enkel doel, het zou de komende jaren stof staan te vangen. De school zou prima draaien ook zonder dit plan.

Maar je weet hoe de dingen gaan, ik besteedde er heel wat uren aan om ervoor te zorgen dat alle vinkjes konden worden gezet.

Ooit heeft één vader eens naar het schoolplan gevraagd. Ik gaf het hem mee en heb er nooit meer iets over gehoord.
De inspectie informeerde uiteraard ook naar het bestaan ervan, ook deze instantie bestaat bij de gratie van afvinklijstjes.

Er stonden nog meer stoffige mappen in de kast: de Protocollen.

Je kunt het zo gek niet bedenken, of een school moet er door middel van een actueel protocol op voorbereid zijn. Ze zijn meestal het resultaat van veel knip- en plakwerk en staan er alleen maar voor de vorm. Mocht een school ooit aangeklaagd worden, dan kan op het bestaan ervan gewezen worden. We zijn ingedekt!

Van het schoolpersoneel wordt vanzelfsprekend verwacht dat het adequaat optreedt in elke situatie, of daar nu een protocol voor bestaat of niet. Iedereen weet dat er op een school elk moment dingen gebeuren kunnen die niemand had kunnen voorspellen en waar dus ook geen protocol voor is geschreven.

Een leerling van groep 2 lag bewegingsloos in de gang, was niet aanspreekbaar en volledig slap; op het schoolplein gingen drie ouders met elkaar op de vuist; een gescheiden vader kwam zijn zoontje ophalen terwijl de moeder dit uitdrukkelijk verboden had, omdat het risico bestond dat haar zoontje naar het buitenland zou worden ontvoerd.  De man dreigde met geweld.

We hebben als team professioneel gehandeld en de zaken tot een goed einde gebracht, ondanks het feit dat we er geen protocol voor hadden.

Zo staan anno 2017 de zaken ervoor: controleren, indekken, afrekenen en verantwoording zijn de sleutelwoorden geworden, professionals krijgen hoe langer hoe minder ruimte hun werk zelfstandig uit te voeren zonder druk van buitenaf.

Managementlagen en Inspectie moeten hun bestaansrecht bewijzen en doen dit door voortdurend op de nek van de uitvoerders te gaan zitten.

De papierwinkel neemt absurde vormen aan, niet alleen in het onderwijs maar ook op andere terreinen.
Ik ontdekte een prachtige illustratie van de volkomen doorgeschoten bureaucratie op youtube.

Kijk dit filmpje!

Kleuters

Mijn eerste aanstelling in het onderwijs was op een lagere school. Ik werkte daar niet zo heel lang en had zo’n dertig jaar onderwijservaring in andere vormen van onderwijs opgedaan toen ik weer op een basisschool ging werken.
Een van de grootste verschillen met vroeger was voor mij de aanwezigheid van heel kleine kindertjes. Lagere school was inmiddels basisschool geworden en daar zitten ook kleuters op.

Ik zag ze langskomen, observeerde de lessen van hun juffen en praatte vaak met ze. Ik genoot van de onbevangenheid waarmee ze zich tot je richtten en het complete vertrouwen.
“Jij bent de baas van de wereld, hè?” zei er eentje tegen me. Toen ik deze bewering enigszins had gerelativeerd stelde hij vast dat ik in ieder geval wel de baas van de hele school was. En dat was zo.

Ik ontving de nieuwe ouders in mijn werkkamertje en vroeg ze altijd waarom ze voor mijn school gekozen hadden. Meestal kreeg ik een antwoord waarin de woorden normen en waarden voorkwamen. Mijn school was Protestants Christelijk en de ouders verwachtten dat zo’n school wel flink wat tegenwicht zou bieden aan de verloedering buiten de poorten.

Ik vertelde ze maar niet dat ik zelf niet zo’n duidelijk beeld had van onze aanpak op moreel terrein, ik vond het belangrijk dat we goede meesters en juffen hadden met het hart op de juiste plaats. Ik had er het volste vertrouwen in dat die hun lessen niet zouden beperken tot alleen de schoolvakken. Praten over gedrag en over goed en fout gaat vaak tussen de bedrijven door. Elke goede leerkracht weet de juiste momenten daarvoor aan te grijpen.

Bij het aannemen van nieuwe collega’s had ik eigenlijk alleen maar oog voor de pedagogisch-didactische kwaliteiten en vond het minder belangrijk of iemand en regelmatig kerkganger was.

Dat is me nog eens lelijk opgebroken toen ik werd gebeld door een boze collega-directeur. Ik had een van mijn stagiaires geadviseerd bij haar te solliciteren en had haar een lovende referentie gegeven. Tijdens het sollicitatiegesprek was duidelijk geworden dat mijn stagiaire niet Christelijk was. Ik realiseerde me dat ik daar nooit naar had gevraagd.

Dat de ouders er inderdaad op mochten rekenen dat wij ons best zouden doen de kinderen op te voeden tot prettige, sociale mensen kwam dus niet zozeer voort uit de Protestants-Christelijke identiteit van de school maar meer uit een verantwoordelijkheidsgevoel richting maatschappij: goed onderwijs draagt bij aan een betere samenleving.

Dat er goed onderwijs geleverd werd zag ik al heel snel. Ik stond versteld van de soepele en liefdevolle manier waarop de leerkrachten omgingen met al die wriemelende kleintjes. Met spelletjes, liedjes en rituelen zagen ze kans al heel snel allemaal individu’tjes samen te laten werken en op een prettige manier de dag door te komen. Er werd naar hartenlust gespeeld en geleerd en tot mijn verbazing snapten zelfs de allerjongsten dat ze af en toe geduld moesten hebben (je kunt niet allemaal tegelijk in de poppenhoek spelen) en rekening moesten houden met elkaar.

Ik wist dat de leerkrachten van groep een en twee hun vak zeer goed verstonden maar had soms toch weleens twijfel aan de goede afloop als ik een nieuw kind (dat binnenkort vier zou worden) aannam. In een geval begon het kleintje al tijdens het aannamegesprek mijn kamer te verbouwen (de moeder gaf haar lauwe pogingen haar kind in toom te houden al snel op); de juf zou  een flinke kluif hebben aan Chantal.

In een ander geval moest ik meerdere ernstige gesprekken voeren met een vader (die vaak niet kwam opdagen en anders te laat kwam) die zijn zoontje door dik en dun steunde (Arif had losse handjes, geen respect voor de juf wilde nergens aan meedoen). Hij vond dat er niets mis was met zijn zoontje en dat de school problemen zelf maar moest oplossen. Hij gaf grootmoedig toestemming hierbij geweld te gebruiken, dat deed hij zelf ook.

Arif zat regelmatig bij mij op mijn kamer en ik kwam erachter dat het een heel slim mannetje was.
Ik vertelde hem dat ik wilde dat hij naar de juf zou luisteren en dat het veel leuker zou worden op school als hij gewoon meedeed.

Het heeft een tijdje geduurd, de juf heeft erg veel tijd en aandacht geïnvesteerd, maar na verloop van tijd ging het prima met Arif, ik stond er versteld van hoe goed hij in de groep functioneerde en hoe prettig de sfeer was nadat hij was bijgedraaid. Hij kwam nog wel eens op bezoek, het was net of ik een ander jongetje voor me had. We hadden een prettig gesprek, ik prees hem uitbundig en kreeg altijd een hand bij het afscheid.

Ik schrijf dit succes volledig toe aan de bekwaamheid van de juf, de prettige pedagogische sfeer op school en de goede organisatie. Van zijn thuis-situatie moest hij het niet hebben.

Het is mijn overtuiging dat de school een ongelooflijk belangrijke rol speelt in de vorming van kinderen tot aardige, niet discriminerende, sociale mensen.

Kinderen staan aan heel veel indrukken bloot, sommige worden a-sociaal, discrimineren of zijn van haat vervuld, maar ze beginnen blanco.

Ik weet zeker dat goed onderwijs een geweldig groot verschil kan maken en
spreek dus graag mijn steun uit aan alle hardwerkende juffen en meesters die verlangen dat hun belangrijke werk naar waarde beloond wordt.

 

Ik stuitte op dit filmpje, het is een prachtige illustratie van de omstandigheid dat discriminatie niet aangeboren is, maar aangeleerd.

Vooral kijken!

Reacties van leraren op stuk over onderwijskritiek

Ik kreeg enkele reacties op mijn blog van 6 juni waarin ik schreef dat ouders wat vaker de kant van de school zouden moeten kiezen en niet die van hun prinsjes of prinsesjes.

Een docent verzuchtte dat ze liever had dat leerlingen hun tijd en energie staken in de voorbereiding op hun toetsen dan in het klagen over het resultaat ervan.
Leerlingen leren niet en verwachten toch goede cijfers. Ze zijn diep gewond als de lerares niet ingaat op al hun bezwaren.
Werkelijk alles wordt ter discussie gesteld, waarbij het onrecht vooral door middel van vergelijkingen aan de kaak wordt gesteld: “De andere klas mocht een horror-story schrijven en wij kregen een ander onderwerp”.

 

Een andere leraar stuurde me onderstaande mailwisseling, waarin gesuggereerd wordt dat de slechte resultaten van de leerling te wijten zijn aan de leraar. Het zinnetje: “mijn zoon was gewend aan het nakijken van zijn vorige leerkracht” intrigeert me.
De coach van haar zoon vindt het ook een goed idee het werk door een tweede leraar te laten nakijken, waarmee hij zijn collega dus diskwalificeert en de ouders extra munitie geeft.

—-Origineel Bericht—-

Onderwerp : Geschiedenis cijfer

Beste meneer X.

Ik wil graag de aandacht vestigen op het volgende.

Mijn zoon kwam vandaag thuis met weer een 3 voor geschiedenis. Hij heeft altijd goede cijfers voor geschienis gehaald. Sinds hij u als leerkracht heeft is dit veranderd. Ik weet dat hij er hard voor geleerd heeft. De stof goed kende en begreep.

Na zijn vorige 3 heb ik  gevraagd of het PTA  ook nog door een andere leerkracht nagekeken kon worden. O. was immers gewend aan het nakijken van zijn vorige leerkracht .Zijn coach vond dit ook een goed idee en het zou ook gebeuren. Tot op heden is dit echter nog niet gebeurd.   Nu dus weer een 3. Wij hebben het gevoel dat het nakijken van de PTA’s door verschillende leerkrachten op verschillende manieren gebeurd,

Ik vind dit een ernstige kwestie.

Ik stel weer voor om nu beide PTA,’s door een tweede docent na te laten kijken. Zo niet, dan wil ik graag samen met O. een gesprek met u.

 

Met vriendelijke groeten, mevrouw Y

 

Onderwerp: Antw.:⁨ Geschiedenis cijfer⁩

Beste mevrouw Y,

Het nakijken van schoolexamens Geschiedenis verschilt niet per leerkracht, immers houden wij allen hetzelfde correctievoorschrift aan en bespreken wij onze resultaten. Het vragen aan een andere docent om nogmaals een schoolexamen na te kijken vind ik eerlijk gezegd buitengewoon vreemd: het suggereert dat de mate van subjectiviteit dusdanig hoog is dat de slechte resultaten van O. aan de beoordeling van de eigen docent zou liggen. Dat zou niet bepaald professioneel zijn. Desalniettemin hebben de heer X en ikzelf bij O. destijds aangegeven dat het bij wijze van uitzondering mogelijk is. Het feit dat hij hier geen gebruik van heeft gemaakt zegt meer over hemzelf: hij heeft gewoon nooit het contact gezocht met mijn collega!

O. heeft inderdaad wederom een zeer teleurstellend examen gemaakt. Ik begrijp dat hij, en u,  dit willen wijten aan mijn nakijken. Zelfs nog voordat ik het examen überhaupt met de leerlingen heb kunnen bespreken. Dat vind ik werkelijk belachelijk. Heeft u eigenlijk wel door hoe vaak O. zijn huiswerk niet op orde had / zijn spullen niet bij zich had / geen enkele inzet toonde in de lessen? Ik heb dat elke keer netjes aangevinkt in het schooladministratiesysteem, dat kunt u ook zien. Ik vind het echt bizar dat O. de reden voor zijn slechte functioneren niet bij zichzelf zoekt maar bij anderen, en met name ook dat u hem daarin steunt. Bent u dat volgend jaar ook van plan bij de HBO-instelling waaraan O. zal studeren?

Dat noem ik pas een ernstige kwestie.

Met vriendelijke groet,

X

 

Ik vind het antwoord van deze leraar geweldig. Ik wist niet dat leraren dit anno 2017 nog durven/mogen!

We buigen gelukkig nog niet allemaal voor de klant-is-koning-terreur.

 

Altijd kritiek op het onderwijs: waar komt dat toch vandaan?

Het onderwijs in Nederland ligt onder vuur. De kwaliteit is onvoldoende, te weinig leerlingen halen de eindstreep en te veel zitten er thuis. Leraren zijn onvoldoende in staat tegemoet te komen aan de verschillen, er werken te veel vrouwen en nu wordt op het Zadkine College ook al met de resultaten gesjoemeld.

Tijdens een verjaardagsvisite komt het onderwijs steevast een keer langs: iedereen kent wel een waardeloze school, een leraar die niets van kinderen snapt of een leerling die gruwelijk is benadeeld.

Ook de pers en de politiek laten zich niet onbetuigd: bijna elke dag komt wel iemand aan het woord die de vinger op een zere onderwijsplek legt. Wat opvalt is, dat Nederland heel veel experts op onderwijsgebied telt. Iedereen is ervaringsdeskundige en voelt zich vrij een (meestal hard) oordeel te vellen.

Tot overmaat van ramp blijken leraren nu ook te zakken op de ladder van maatschappelijke waardering. Waar vroeger de docent in hoog aanzien stond, heeft hij nu nauwelijks meer achting dan een begrafenisondernemer.

Als je op zoek gaat naar de oorzaak van alle kritiek en de lage waardering stuit je op (vermeend) laag niveau of de slechte kwaliteit van de opleidingen. Scholen gaan niet met hun tijd mee en komen niet tegemoet aan de wensen en verwachtingen van de leerlingen en hun ouders.

Ik gebruik het woord wensen, maar had beter kunnen spreken van eisen. Nooit eerder werd het onderwijs geconfronteerd met zoveel mondigheid en al dan niet gerechtvaardigde oproepen tot flexibiliteit. Nederlanders is geleerd dat ze recht hebben op onderwijs, dat zij klant zijn en dus koning. De school moet het verwachte product leveren en wel meteen.
Als dat niet gebeurt zal in eerste plaats de leerling luid protesteren (100 keer per dag), daarna de ouders en als die ook niet hun zin krijgen wordt niet zelden een advocaat ingeschakeld. De school staat met de rug tegen de muur en kan niets anders doen dan alles zo goed mogelijk uitleggen, uitgebreid dossiers bijhouden en continu de strijd aangaan.
Ondertussen moet rekening gehouden worden met negatieve publiciteit (leve de sociale media), kostbare rechtszaken en familieleden die verhaal komen halen.
En daar is dan ook nog de inspectie die op volle oorlogssterkte uitrukt als de resultaten onder de maat blijken te zijn.

De school probeert kritiek voor te zijn en communiceert zich suf. Er wordt heel veel tijd gestoken in gesprekken, verslaglegging en begeleiding.

Tijdens een gesprek met de ouders: “Mijn zoon staat een drie voor wiskunde. Wat denkt u hieraan te gaan doen?”
Er is een tijd geweest dat je kon zeggen: kunnen we ons niet beter afvragen wat uw zoon daaraan gaat doen?

Het is niet zo verwonderlijk dat er veel kritiek is op het onderwijs, want er klinkt voortdurend en van alle kanten de roep om vernieuwing. Iedereen is het erover eens dat dit noodzakelijk is. Je impliceert dan natuurlijk wel dat het onderwijs zoals het nu is niet deugt.

Deze overtuiging heeft inmiddels bij alle leerlingen, ouders en beleidmakers postgevat.

Het zal niet meevallen het respect en het noodzakelijke overwicht weer terug te krijgen. Leerlingen zijn mondig en assertief en de schoolleiding is er huiverig voor een duidelijk standpunt in te nemen, bang voor leerlingverlies en slechte publiciteit.

Maar het is natuurlijk de leraar die aan de frontlinie staat en de prijs betaalt: hij wordt slecht betaald, heeft grote kans op een burnout en kan steeds minder tijd besteden aan zijn kerntaak.

Leraren hebben een groot verantwoordelijkheidsgevoel en werken hard, maar zijn ook maar mensen. Hoe vaak zal het gebeuren dat een docent geen zin heeft in nog meer conflicten en voor de makkelijke weg kiest? Geef die leerling maar een voldoende, geef hem maar zijn diploma…

In Rotterdam hebben twee leraren de verleiding niet kunnen weerstaan.

Zullen we nu eens met z’n allen afspreken dat het beter is voor onze prinsjes en prinsesjes als we wat vaker de kant van de school kiezen?

En zullen we dat vreselijke woord vernieuwing nu eens een tijdje niet gebruiken?

 

 

 

 

Maurice de Hond, Spitzer en de schermpjes

Steve Jobsscholen in de knel

Dit is de titel van een artikel in het AOB-blad. Scholen haken af van het concept, (waarbij alle kinderen een iPad krijgen). Men is niet erg te spreken over de hoge financiële bijdrage die door Maurice de Hond gevraagd wordt en de resultaten beantwoorden niet helemaal aan de verwachtingen. (Zie hier voor het volledige artikel).

Dit verbaast mij natuurlijk niet. Ik blogde al eerder over mijn confrontatie met de goeroe van de tablets, die vreselijk veel verstand van onderwijs heeft. Alle kritiek wijst hij van de hand met het argument dat het huidige onderwijs heel erg ouderwets is, als je het niet met hem eens bent ben je een fossiel.

Ik schreef ook al over Manfred Spitzer, die een boek publiceerde over de kwalijke effecten van ondoordacht computergebruik op het geheugen (Digitale Dementie). Zie hier. 

digiziekSpitzer heeft inmiddels een nieuw boek geschreven, wonderlijk genoeg bestaat dit voor een groot deel uit een herhaling van zijn vorige standpunten.

Digiziek – pleidooi voor offline leven is nog uitgebreider en citeert nog meer onderzoek.  Hij heeft het nu uitdrukkelijk ook over het wijdverbreide gebruik van de smartphone.

Stress, depressie, slapeloosheid en een verslechterde motoriek en conditie behoren allemaal tot de risico’s.

Het is ongelooflijk om te lezen hoeveel wetenschappelijk onderzoek er gedaan is op het gebied van het gebruik van de computer en smartphone. Keer op keer wordt heel duidelijk aangetoond dat er heel veel schadelijke effecten zijn van het gebruik van deze apparaten. En het gebruik neemt alleen maar toe…

De lobby van fabrikanten en leveranciers is zo sterk, dat gefundeerde kritiek geen poot aan de grond krijgt.
Spitzer maakt meerder keren de vergelijking met de situatie rondom het roken: het was al heel lang bekend dat het zeer schadelijk was, maar niemand deed er iets aan. De fabrikanten konden heel lang volhouden dat er wetenschappelijk nog geen direct verband tussen roken en longkanker was vastgesteld, ze konden altijd wel ergens een onderzoek opduikelen dat zogenaamd het tegendeel aantoonde.

Jonge mensen zitten vastgeketend aan hun mobieltje en worden diepongelukkig als ze er een tijdje geen gebruik van kunnen maken. Ze gaan ermee naar bed en ze staan ermee op. Ze besteden er zoveel tijd aan (niet zelden 12 uur per etmaal) dat andere activiteiten in het gedrang komen.

Communicatie vindt op een gegeven moment alleen nog plaats via een apparaat. Interactie en empathie staan op een laag pitje.

Spitzer maakt zich niet populair met zijn standpunt dat vooral het onderwijs uiterste terughoudendheid moet betrachten in het gebruik van digitale middelen (hoe vaak wordt kennis niet verward met informatie?). Hij heeft bakken kritiek over zich heen gekregen, terwijl hij toch steeds verwijst naar wat wetenschappelijk is aangetoond.

Opvallend is dat hij het in zijn nieuwe boek nauwelijks heeft over de traditionele activiteiten (spelen, muziekmaken, zingen, genieten van de natuur, je vervelen, dromen) als alternatief voor de alomtegenwoordige schermpjes.
In zijn vorige boek stond hij hier uitvoerig bij stil, ik vermoed dat hij juist hierom veel bagger over zich uitgestort heeft gekregen: het is heel simpel om iemand belachelijk te maken als hij pleit voor “ouderwetse” zaken.

We luisteren veel liever naar moderne betweters als Maurice de Hond.

Digiziek: 8

Svend Brinkmann – Standvastig

cover-standvastigIk las een recensie over het boek Standvastig van Svend Brinkmann. Ik las dat hij schreef over de druk die we voelen om ons te blijven ontwikkelen.

Ik heb forse kritiek op de opvatting van heel veel goeroes, deskundigen en raadgevers die vinden dat stilstand achteruitgang betekent en het dus nodig vinden om voortdurend te vernieuwen.

Ik was benieuwd wat deze Deense psycholoog hierover te melden had.

 

Hij begint zijn betoog met een pleidooi om nu eens op te houden met het zoeken naar waarheid in jezelf. Je kunt beter goed opletten wat er buiten je gebeurt en luisteren naar verstandige mensen. Hiermee is de toon gezet: heel veel (zelfhulp)deskundigen hebben het immers over niets anders dan het “jezelf ontdekken, met jezelf in het reine komen en je diepste ik ontdekken”.

Hij hanteert veelvuldig de metafoor “wortels in plaats van voeten”. Wortels staat voor: gebruik maken van traditie, ervaringen uit het verleden. Voeten: “in de accelererende cultuur heb je voeten nodig in plaats van wortels”. Je bent mobiel, stroomt, bent veranderlijk.

Het is moeilijk geworden wortel te schieten.

Het valt niet mee om anno 2016 een standpunt in te nemen waarin je pleit voor meer bezinning en minder constante vernieuwing. Je wordt gemakkelijk beschuldigd dat je rigide, conservatief of reactionair bent.

Het boek bevat aanwijzingen hoe je je het beste staan kan houden te midden van alle adviezen en coachingpraktijken. Je moet stoppen naar je innerlijke stem te luisteren (als je wilt weten hoe je pannenkoeken moet bakken zal je innerlijke stem je niet kunnen helpen) en je niet laten misleiden door de “positieve tirannie”. De ultieme uitkomst van het positivistisch denken is, dat alles mogelijk is, dat je alles kunt bereiken. Dat impliceert dus, dat als het niet lukt dit aan je zelf te wijten is. Niet hard genoeg gewerkt/onvoldoende je best gedaan.

De schrijver raadt je aan een roman te lezen in plaats van een zelfhulpboek of biografie. Daar kan ik me natuurlijk helemaal bij aansluiten. (De door mij bewonderde Aleid Truijens pleit ook onvermoeibaar voor het stimuleren van lezen bij jonge mensen).

De schrijver introduceert kort en snel nog wat oude filosofen en betrekt hun uitspraken ook bij zijn argumenten. Wat mij betreft had dit niet gehoeven, het komt ook wat oppervlakkig over.

Verder is het boek goed vertaald, maar in het geheel niet bewerkt. Hierdoor kom je als Nederlandse lezers nogal wat verwijzingen tegen naar Deense situaties en personen die je niets zeggen.

Ik herkende veel uit mijn eigen onderwijspraktijk: ik herinner me nog goed alle moeizame gesprekken die ik gevoerd heb met interimmanagers, bestuurders en coaches. Het ging er altijd om dat we moesten vernieuwen. Meer dan eens kreeg ik het predicaat “remmer”, en ik kon op een gegeven moment de term “out of the box” niet meer horen.

Een aantal citaten die mij aanspraken:

Je moet leren om naar buiten te kijken en open te staan voor andere mensen, cultuur en natuur – zonder naar binnen te kijken. Je moet leren dat je ego niet de sleutel in bezit heeft voor de essentiële gedachten over hoe je je leven moet leven, maar dat het ego als zodanig een idee is, een constructie die door de cultuurgeschiedenis is geformuleerd en op zich dus meer buitenkant dan binnenkant is.

In plaats van een netwerk te hebben moet je naar een vriendenkring streven. Het begrip vrienden” is hier iets heel anders dan momenteel wordt aangeboden en bijvoorbeeld een deel van Facebook is. Een Facebook-“vriend” is slechts een contact, en een netwerk bestaat uit relaties die zijn gebaseerd op een vorm van een contract. Een echte vriend is daarentegen een persoon die je het beste toewenst en die je bereid bent te helpen, ook als je daar zelf niets aan overhoudt.

“Je moet het gewoon positief benaderen!” is zo ongeveer het meest kwetsende wat je tegen mensen in nood kunt zeggen.

Er zijn veel dingen waartegen we nee moeten zeggen in de accelererende cultuur.

Ja zeggen tegen nieuwe uitdagingen wordt expliciet als goed beschouwd, terwijl vriendelijk nee zeggen wordt vertaald als een uiting van ontbrekende moed en bereidheid tot verandering.

Een problematische tendens binnen de coachinggolf is het idee dat als je vastgeroest bent, uitgeput, gedeprimeerd of je leeg voelt, coaching de manier is om vooruit te komen. Maar het zou kunnen zijn dat de uitputting en de leegte juist het resultáát zijn van de eis tot voortdurende zelfontwikkeling en verbetering

De zin “Ik heb er geen behoefte aan om mezelf te ontwikkelen” wordt zelden geut tijdens ontwikkelingsgesprekken met werknemers Het zou een uiting van gedecideerd verzet tegen de ideologie van deze tijd zijn.

Je ziet nooit een autobiografie met een titel zoals Geen ontwikkeling – verhalen uit mijn stabiele leven.

Misschien hebben gewoonten en routines meer potentieel dan de eindeloze oproep tot innovatie.

Alle samenlevingen hebben rituelen nodig zodat mensen op een beschaafde manier met elkaar om kunnen gaan. Het is geen veinzerij om in de publieke ruimte vanuit geritualiseerde omgangsvormen te handelen. De moderne tijd heeft een minachting veroorzaakt voor rituelen, waardoor we cultureel primitiever zijn dan de eenvoudigste stam van jagers en verzamelaars.

We zijn ons gevoel voor “civiliteit” of hoffelijkheid kwijtgeraakt. (Citaat van Richard Sennett).

Als je geen nee kunt zeggen tegen dingen die je uit de koers kunnen brengen-bijvoorbeeld omdat je bang bent iets te missen-dan wordt het moeilijk om tot rust te komen en genoegen te nemen met het bestaan.

Een leider moet niet alleen enthousiast zijn als hij “nieuwe visies” aan zijn werknemers presenteert waarop ja geknikt moet worden, maar ook als hij de vraag krijgt: “Welke onnodige maatregelen kunnen we achterwege laten?” Niet alleen om uit naam van de effectiviteit lean management toe te passen, maar om zich te concentreren op het meest essentiële in het werk van de werknemers, zodat onderzoekers kunnen onderzoeken, chirurgen kunnen opereren, docenten kunnen lesgeven en werknemers in de gezondheidszorg met mensen kunnen werken (in plaats van registratie en evaluatie).

Het verleden heeft echter het voordeel dat het steeds lichter wordt naarmate we er verder van verwijderd raken. Als iemand met innovatieplannen en “visies” over de toekomst komt, vertel hem dan dat alles vroeger beter was. Leg uit dat het idee over de vooruitgang maar een paar honderd jaar oud is en in werkelijkheid een schadelijk effect heeft. Oefen je erin om jezelf te herhalen. Zoek naar voorbeelden die mislukt zijn. Sta erop dat je het recht hebt om stil te staan.

Het kan heel vermakelijk zijn om in gesprekken met enthousiaste, op de toekomst gerichte kennissen volt houden dat alles vroeger beter was. Dat is natuurlijk niet (helemaal) juist, maar het kan dienen als nuttig correctief voor het omgekeerde dogma: dat iets noodzakelijkerwijs goed is omdat het nieuw is.

De wezenlijkste dingen in de ideeëngeschiedenis zijn geen doorbraken maar herhalingen. Renaissance betekent letterlijk wedergeboorte,

Begrippen zoals innovatie en creativiteit circuleren in allerlei organisatorische en pedagogische discoursen, waar men het gevoel voor waarde en herhaling en repetitie volledig is kwijtgeraakt. We moeten voortdurend “buiten de gebaande paden denken”. Maar gelukkig zijn er nuchtere creativiteitsonderzoekers die erop hebben gewezen dat het alleen zin heeft om buiten de gebaande paden te denken als je weet dat die paden er zijn (en hoe het daarmee gesteld is) en dat het waarschijnlijk in de meeste gevallen verstandiger is om met kleine variaties en improvisaties op bekend en beproefde thema’s op de rand van dat pad te balanceren. Iets nieuws heeft alleen zin binnen een horizon van iets bekends, en heb je geen kennis van het verleden en de tradities daarvan, dan is het niet mogelijk om iets nieuws te creëren dat gebruikt kan worden.

We kunnen onszelf alleen begrijpen als we op de hoogte zijn van de tradities waarbinnen we ons leven hebben gecreëerd en leiden.

 

Standvastig – onder alle omstandigheden jezelf blijven: 7

Alweer een theoreticus die het beter weet

In de Volkskrant van eergisteren stond een goede brief van een leerkracht die haar vraagtekens plaatst bij de zegeningen van het Passend Onderwijs.
Er wordt nu luid geklaagd dat scholen niet voldoende werk maken van dit niet lang geleden ingevoerde gedrocht en dat teveel kinderen thuis zitten.

rademaker

Vandaag stond hierop een reactie van Marc Beek uit Harderwijk. Met stijgende verbazing las ik zijn brief.

ingez-brieven-vk-2

Ik word weer heel boos als ik zo’n reactie lees. Hoe komt het toch dat er steeds weer mensen zijn die zelf geen onderwijs geven, maar wel denken dat ze praktijkmensen de les kunnen lezen?

Je gelooft het niet, maar Beek is publieksvoorlichter. Als bovenstaande brief  een proeve is van zijn bekwaamheid kan je hem beter niet in dienst nemen.
Ik zal geen goedkope grapjes maken, maar hij hij heeft een filmpje op Youtube gezet waarin hij uitvoerig ingaat op de problemen van het ouderschap. Zijn dochtertje komt in beeld, maar hij heeft het uitsluitend over zichzelf….

Ik stuurde deze reactie naar de Volkskrant, de kans is klein dat hij geplaatst wordt (ze moeten elke dag een keus maken uit heel veel brieven).

Wat Marc beter weet

Zelden zo’n kulreactie gezien op een serieus bericht uit de praktijk. Marc Beek (zelf geen onderwijsman) laat zien waarom onderwijzeres Maria Rademaker ongelijk heeft.

Zij vertelt dat Passend Onderwijs een platte bezuiniging is waarvan de kinderen de rekening krijgen gepresenteerd. Leraren zijn erg veel extra tijd kwijt aan de begeleiding van kinderen die vroeger een plek kregen in het Speciaal Onderwijs. De andere kinderen in de klas komen te kort.

Beek weet het beter. “Wat ze vergeet”, zegt hij paternalistisch, “is dat scholen extra geld hebben gekregen, maar dat dat geld niet altijd in de klas waar de behoefte leeft wordt ingezet”.

Rademaker vergeet dat helemaal niet, het is juist haar voornaamste punt. Wat na de bezuinigingen overbleef is grotendeels naar de samenwerkingsverbanden gegaan, die voornamelijk goed voor zichzelf hebben gezorgd.

“Ze vergeet ook dat deels in de sociale behoefte kan worden voorzien door de zorgverlener en de ouders van het betreffende kind te betrekken bij het onderwijs”. Overleg met deze partijen is nu juist waar zo verschrikkelijk veel tijd in gaat zitten, Beek!

Het belerende betoog gaat verder: de onderwijzeres vergeet ook nog dat het voldoen aan de behoeften van zorgkinderen alle kinderen ten goede komt.

Hoe stelt Beek zich dat voor? Hoe profiteren de kinderen in de klas ervan als de juf instructie probeert te geven met een kind op schoot dat alleen daar stil is en waar twee andere kinderen voortdurend ieders aandacht opeisen omdat ze geen tel op hun stoel kunnen blijven zitten?
Wat verbetert aan hun onderwijs als de juf elke middag tot zes uur bezig is formulieren in te vullen, verslagen te maken en gesprekken te voeren?

Ook “de inzet van assistentie in de klas” is fijn voor alle kinderen. Welke assistentie? Er is sprake van minder mensen voor de klas, niet meer!

De brief sluit af met een prachtig staaltje wensdenken: “Alle kinderen hebben immers behoefte aan maatwerk, daar hoef je geen speciale behoefte voor te hebben. In de inclusieve samenleving is er respect en ruimte voor verschillende krachten en kwetsbaarheden”.

Waar vind ik die inclusieve samenleving? Hij bedoelt toch niet de onze?

Beek weet niet alleen haarfijn uit te leggen hoe de praktijk werkelijk in elkaar zit, hij is ook helderziend: uit Rademaker’s brief kan hij opmaken dat ze een burn-out heeft gekregen. Gelukkig komt ze niet aan de kant te staan, maar kan ze rekenen op een aangepaste plek in Beek’s inclusieve samenleving.

Wat zal ze blij zijn!

Martin Minnema