Over walvisachtigen en een stoffig schoolplan

Een van de taken van een schooldirecteur is het schrijven van een schoolplan.

Toen het moment was aangebroken dat ik er niet meer aan ontkomen kon het mijne te schrijven keek ik eerst naar het oude plan, geschreven door mijn voorganger, dat ergens verborgen diep achter in de kast stond. Ik was er niet bijster enthousiast over en vond dat ik het niet kon gebruiken als basis voor mijn stuk.

Ik onderzocht welke eisen mijn bestuur aan vorm en inhoud stelde en deed wat research op het internet.
Aan de hand hiervan schreef ik mijn plan, en probeerde er ook werkelijk iets van te maken: ik heb er grote moeite mee dingen voor de vorm te produceren.

Toen het klaar was wist ik dat het voldoende kwaliteit had. Geen negen of tien, maar zeker wel een 7. Er stonden in ieder geval geen taalfouten in. Ik was blij dat ik mijn tijd weer kon besteden aan nuttige dingen.

Tot mijn verbazing kreeg ik het plan na verloop van tijd terug, er was een checklist bijgevoegd. Een medewerker van het bestuursbureau had mijn werkstuk doorgevlooid en vinkjes gezet als hij een onderdeel op zijn lijst terug had gevonden.
Er ontbraken nogal wat vinkjes, dus ik kreeg de opdracht mijn werk over te doen.

Op zo’n moment kan je het beste even een ommetje maken, want als je in je boosheid de telefoon oppakt kunnen er vervelende dingen gebeuren.

Ik voelde een enorme weerzin om me weer bezig te moeten houden met iets wat in mijn ogen af en goed was. Ik had het heel druk met andere, belangrijker dingen. Ik zou me nu weer moeten buigen over een schoolplan dat uitsluitend voor de vorm op een school aanwezig moest zijn. Het diende geen enkel doel, het zou de komende jaren stof staan te vangen. De school zou prima draaien ook zonder dit plan.

Maar je weet hoe de dingen gaan, ik besteedde er heel wat uren aan om ervoor te zorgen dat alle vinkjes konden worden gezet.

Ooit heeft één vader eens naar het schoolplan gevraagd. Ik gaf het hem mee en heb er nooit meer iets over gehoord.
De inspectie informeerde uiteraard ook naar het bestaan ervan, ook deze instantie bestaat bij de gratie van afvinklijstjes.

Er stonden nog meer stoffige mappen in de kast: de Protocollen.

Je kunt het zo gek niet bedenken, of een school moet er door middel van een actueel protocol op voorbereid zijn. Ze zijn meestal het resultaat van veel knip- en plakwerk en staan er alleen maar voor de vorm. Mocht een school ooit aangeklaagd worden, dan kan op het bestaan ervan gewezen worden. We zijn ingedekt!

Van het schoolpersoneel wordt vanzelfsprekend verwacht dat het adequaat optreedt in elke situatie, of daar nu een protocol voor bestaat of niet. Iedereen weet dat er op een school elk moment dingen gebeuren kunnen die niemand had kunnen voorspellen en waar dus ook geen protocol voor is geschreven.

Een leerling van groep 2 lag bewegingsloos in de gang, was niet aanspreekbaar en volledig slap; op het schoolplein gingen drie ouders met elkaar op de vuist; een gescheiden vader kwam zijn zoontje ophalen terwijl de moeder dit uitdrukkelijk verboden had, omdat het risico bestond dat haar zoontje naar het buitenland zou worden ontvoerd.  De man dreigde met geweld.

We hebben als team professioneel gehandeld en de zaken tot een goed einde gebracht, ondanks het feit dat we er geen protocol voor hadden.

Zo staan anno 2017 de zaken ervoor: controleren, indekken, afrekenen en verantwoording zijn de sleutelwoorden geworden, professionals krijgen hoe langer hoe minder ruimte hun werk zelfstandig uit te voeren zonder druk van buitenaf.

Managementlagen en Inspectie moeten hun bestaansrecht bewijzen en doen dit door voortdurend op de nek van de uitvoerders te gaan zitten.

De papierwinkel neemt absurde vormen aan, niet alleen in het onderwijs maar ook op andere terreinen.
Ik ontdekte een prachtige illustratie van de volkomen doorgeschoten bureaucratie op youtube.

Kijk dit filmpje!

Er is post!

Ik bestel regelmatig iets via internet, het is altijd weer leuk als de pakketbezorger aanbelt. Soms is de bestelling voor de buren, dan mag ik als hulppostkantoor fungeren, maar meestal is het voor mij.
Ik breng het pakje naar binnen, pak er een kopje koffie bij en maak het voorzichtig open. Dan ben ik blij verrast met de inhoud, net als Mr. Bean als hij de verjaardagskaart openvouwt die hij zojuist voor zichzelf geschreven heeft.

Sinds kort hebben we een nieuwe pakketbezorger, die veel plezier in zijn werk heeft.

Als ik opendoe presenteert hij mij het pakket als een sommelier die de fles ter inspectie voorhoudt aan de gast. Hij houdt het een beetje schuin zodat ik het goed kan bewonderen en vertelt me wie de afzender is. Hij ziet kans BolCom Amerikaans uit te spreken, de tweede o klinkt als een a.
Als het een pakje van Amazon is maakt hij het nog mooier, hij plakt er een e achter en spreekt de naam uit alsof die rijmt op pony.

Ik zou zijn inspanningen nog meer gewaardeerd hebben als ik een blinde Americanofiel was.

Zijn plichtsbetrachting doet me denken aan de prachtige cartoon van Sempé die een Franse postbode introduceert die zijn werk net zo serieus neemt als die van mij:

Havenkomtoernooi

Voor de veertiende keer organiseerde bridgeclub Almere het Havekomtoernooi.

In dit toernooi spelen zo’n honderd paren tegen elkaar in 7 Horecagelegenheden aan de Havenkom van Almere Haven. In elk restaurant worden vier spellen gespeeld, dan moet je naar een ander.

Het is elk jaar weer een feest om mee te doen, op de een of andere manier schijnt altijd de zon. Tussen de spellen door kan je lekker even buiten zitten, de lunch is bij het derde restaurant waar je speelt.

Het is altijd afwachten wie je tegenover je krijgt: het kunnen lieve oude dametjes zijn die voor het eerst ergens anders dan in de huiskamer bridgen, het kan ook een door de wol geverfd paar zijn dat zich normaal gesproken in veel hogere bridgeregionen beweegt.

Wij kwamen ze afgelopen zaterdag allebei tegen. Samen met nog 32 paren van onze bridgeclub beproefden we onze vaardigheden en vooral ons geluk in 27 spellen. In totaal deden 112 paren mee.

Al bij de tweede ronden moesten we tegen het paar spelen dat later met een monsterscore van bijna 73% eerste zou worden. Dat wisten we niet toen we aanschoven, misschien hadden we wel nattigheid moeten voelen toen we hun systeemkaarten onder ogen kregen: zo’n beetje elk bod had een andere betekenis dan normaal en op verschillende plekken stond de aanmaning “vraag vooral naar de betekenis”.

Argeloos deed mijn partner een iets te licht tussenbod, dat direct een strikje kreeg (het werd gedoubleerd). Toen de rook opgetrokken was moesten we -3 noteren, 500 punten voor de tegenpartij en een nul voor ons. Er zat voor hen 3 SA in, maar niet kwetsbaar levert dat maar 400 punten op.

Bij het volgende spel bood mijn partner 2 Klaver nadat tegenstander Oost met 1 Schoppen geopend had, een heel normaal volgbod. Na een verhoging tot 4 Schoppen was ik aan de beurt. Ik had 11 punten, een vierkaart Schoppen tegen en ook nog eens een singleton in mijn partner’s kleur. Ik wist dat de tegenstanders hooguit 20 punten hadden, ik zat tegen in Schoppen, dus vol vertrouwen doubleerde ik.  Dat contract zouden wij eens even fijn downspelen!

Het liep even anders. 4 Schoppen gedoubleerd + 1. Weer een nul voor ons.

Dit was het spel, OW geven alleen een klaver en een ruiten af, mijn vierkaart troef deed niks….

Dat we op vijf andere tafels ruim boven de 50% scoorden en op de zesde 49% mocht niet veel meer baten, een hoge plaats zat er voor ons niet meer in. We werden uiteindelijk 24e met 56,30 %.

In Restaurant Brons vroegen enkele dames van een andere tafel na het eerste spel of wij even wilden helpen met het invoeren van de score in de bridgemate. Er was aan de tafel niemand die hier ervaring mee had.
We maakten duidelijk dat dit niet kon: we moesten de spellen zelf ook spelen. Ik bood aan na afloop de vier scores er even in te zetten. Ik kreeg een briefje met daarop de contracten en het resultaat.
Bij het invoeren realiseerde ik me dat ik er niet omheen kon ook de uitkomst in te voeren, en die wist ik niet.
Omdat de tijd drong besloot ik maar bij elk spel dat de uitkomst klaver 2 moest zijn geweest. (Ik stelde me wel even voor  dat de dames de spellen na afloop zouden gaan analyseren en dat ze vervolgens elkaar in de grijze haren zouden vliegen als ze constateerden wat de uitkomst was geweest: “Waarom ben je daar nu mee uitgekomen? Je had de klaver 2 niet eens!”)

We hadden een fijne dag, het was weer een geslaagd toernooi. Volgend jaar nieuwe kansen!

 

Vintage

Als deze term gebruikt wordt voor oude auto’s heb ik daar niet zo’n bezwaar tegen. De naam dekt de lading behoorlijk: je denkt meteen aan een mooie klassieke Mercedes. Als je het over een oude auto hebt zou dat zelfs een bejaarde Prius kunnen zijn.

Als iemand het over “vintage spulletjes” heeft word ik onrustig. Je komt weleens langs een winkel waar ze allerlei oude zooi kunstzinnig hebben uitgestald en dat dan rustiek noemen.
Ik zag eens een documentaire waarin getoond werd dat in China kastjes en bordjes van hout worden gemaakt, die dan kunstmatig oud worden gemaakt, want dat geeft karakter.

In het tuincentrum kijk je je ogen uit: hoe krijgen ze het voor elkaar zoveel lelijke rommel bij elkaar te krijgen?

Je ziet naast Boeddha-koppen en zogenaamd verweerde spiegels ook steeds vaker houten bordjes met een stompzinnig opschrift. Het hout is gesleten en de verf afgebladderd.
Ik vermoed dat er veel mensen zijn die denken op deze manier hun tuin artistiek en authentiek allure te kunnen geven.

Nu ben ik de laatste om te beweren dat alleen nieuwe dingen mooi zijn. Ik houd juist erg van mooie oude dingen en ben een hartstochtelijk voorstander van tweede gebruik.
Ik beschouw het als een sport om (bijvoorbeeld in kringloopwinkels) te midden van allerlei afgedankte rommel een pareltje te ontwaren.
Dat maakt een bezoek aan zo’n soort winkel weer draaglijk, want ik word er erg depri van als ik me realiseer dat ik tussen de spulletjes van allerlei overleden oma’s sta die niemand meer wilde hebben.

Het kan nog goedkoper: een oude versleten plank, aangespoeld na een lang verblijf in de zee kan prachtig zijn.
Piet Hein Eek heeft dat natuurlijk heel goed door, hij heeft een bloeiend bedrijf dat meubels vervaardigt van sloophout. (Ik vind die overigens niet mooi. Je kunt van gebruikt hout prachtige dingen maken, maar schuur dan wel eerst de oude verf eraf).

 

We brachten een bezoekje aan Strijp S in Eindhoven. Op dit voormalige Philips-bedrijventerrein zijn tientallen jonge ondernemers neergestreken, die elkaar creatief kruisbestuiven.

We liepen hier binnen bij Gusj, waar allerlei oude spullen uit alle mogelijke landen voor fikse prijzen te koop zijn. De voormalige fabriekshal vormt een ideaal decor voor alle uitgestalde waar.
Heel inspirerend en vaak ook erg mooi, maar jammer genoeg kunnen de eigenaren het niet laten er hun marketingbraaksel overheen te kotsen.

Wie dacht oprecht te houden van mooie oude dingen of kunstzinnige voorwerpen uit verre landen weet dat het hem eigenlijk te doen is om happinez & fun.

.

Je kunt dit soort winkels natuurlijk het best links laten liggen. Laat snobistische domme juppen hier hun geld maar uitgeven.

Probleem is dat we een heel mooie jaren vijftig klok zagen (vintage!), die we graag wilden hebben. Een must have dus.  Hij zou ons zóóó happy maken….

We hebben hem dus laten bezorgen en hij hangt nu in onze kamer.

 

 

Over voetbal en rolpatronen

Ik houd niet van voetbal. Er zijn leukere sporten (om aan deel te nemen en om naar te kijken), maar de voornaamste reden dat ik er een hekel aan heb is dat er zo verschrikkelijk veel over gekletst wordt.

Volwassen mannen kunnen dag in dag uit over voetbal praten, voor sommigen is het zelfs hun beroep!

Een andere reden is, dat ik er niet goed in ben.
Als klein jongetje voetbalden we op het pleintje achter ons huis. Lantaarnpalen waren de doelen en als je de bal speelde rolde hij mooi over de tegels in de richting die je voor ogen had. De afstand tussen de doelen was aanvaardbaar, als er een tegenstander voor de paal stond kon je proberen de paal hoger te raken, maar dat was moeilijker: hij liep taps toe.

 

 

Er waren soms problemen: de buren die in de huizen achter de doelen woonden waren er niet blij mee dat de bal vaak op hun balkon belandde.

En er liepen mensen over ons veld.
Ik herinner me dat ik eens een ietwat afgedwaalde pass gaf die ongelukkigerwijs precies op het achterhoofd van een passerende buurman terechtkwam. Hij had waarschijnlijk een kunstzinnig beroep, want hij had lang wit haar in een krans om zijn verder kale hoofd.
Ik heb nog steeds het beeld voor ogen van zijn hoofd, dat door de kracht van de inslag voorover sloeg, en van de haren die in een vertraagde beweging over zijn kale hoofd golfden.

Hij was zo boos over deze aanslag dat hij mij probeerde te grijpen, maar ik was jong en lenig en zorgde ervoor dat ik een dikke stenen paal tussen ons in hield.

Toen ik mijn zonden thuis opbiechtte moest ik van mijn vader mijn excuses gaan aanbieden. We gingen samen naar het huis van de getroffen buurman, zijn vrouw deed open. Tot mijn opluchting hoorde ik dat mijn slachtoffer het bed hield in een verduisterde slaapkamer en niet gestoord mocht worden.

Voor zover ik kan nagaan heeft hij geen blijvende schade overgehouden.

Op de middelbare school moesten we op een echt voetbalveld spelen, waar ik helemaal niets aan vond: je moest ontzettend veel moeite doen om in de buurt van het vijandelijke doel te geraken en als de aanval dan werd afgebroken moest je dat hele eind weer terug naar je eigen helft. De bal wilde helemaal niet mooi rollen, hij sprong vanwege de graspollen alle kanten op. We speelden met een leren bal, die al snel kletsnat was. Hij was daardoor veel zwaarder en leverde een gevaar op als je hem zou koppen. Ik vond mijn hersenen te delicaat om ze hieraan bloot te stellen.
Ik verloor mijn belangstelling voor voetbal en zat liever binnen met een goed boek.

Als mijn zwager, die een jaar of zes ouder is dan ik, bij mijn ouders op bezoek was wilde hij graag laten zien hoe goed hij in onze familie paste door met mij te gaan voetballen. Hij ging er vanzelfsprekend van uit dat ik dat fantastisch vond en ik deed of ik het leuk vond omdat ik erg tegen hem opzag. Het was niet de eerste of de laatste keer dat wij in onze familie zo graag de ander tegemoet willen komen dat wij een activiteit uren volhouden terwijl geen van beide partijen er eigenlijk zin in had.

Ik heb kans gezien mijn aversie tegen voetbal genetisch over te dragen op mijn zoons. Een van hen heeft nog even op een club gezeten, waardoor ik genoodzaakt was regelmatig langs de zijlijn te moeten vertoeven temidden van schreeuwende fanatieke ouders. Ik kreeg koude voeten en dacht aan alle dingen die ik liever zou doen. Hij ging er gelukkig snel weer vanaf.

En dan is er nu het vrouwenvoetbal. Ik zou een geweldige hypocriet zijn als ik zou zeggen dat ik hier wel graag naar mag kijken. Hoewel het leuker is om te kijken naar de wippende paardenstaarten van nog onbezoedelde meiden dan naar de getatoeëerde armen van over het paard getilde verwende wonderboys blijft het een stomme sport.

Als wij vroeger op schoolreis gingen zongen de jongens en de meiden om de beurt een prachtig lied en hielden dit met goedkeuring van de begeleiding uren vol.

De jongens zongen:

Hup de meiden zijn niks, hup de meiden zijn niks.
Ze weten geeneens wat voetballen is.
Ze hebben een keeper, dat is zo’n genieper.
De bal rolt erdoor en de keeper staat ervoor.

Dan waren de meiden aan de beurt. Zijn protesteerden er niet tegen dat het hele vrouwelijke geslacht werd gediskwalificeerd, maar counterden fantasierijk:

Hup de jongens zijn niks, hup de jongens zijn niks.
Ze weten niet eens wat afwassen is………

 

 

 

Bluegrass

Ik stuitte op de band The Dead South, en was meteen verkocht. Ze spelen Blue Grass muziek, een genre dat ik ook al eens was tegengekomen in een prachtige film.

 

Bluegrass is een voortzetting van de oude stringbandmuziek, die zowel in de Europese als Afro-Amerikaanse tradities zijn wortels heeft. Het was de muziek van immigranten in de bergstreken van het oosten van Amerika. Het is muziek met veel Ierse en Schotse achtergronden, waarin de heimwee naar hun thuisland en het harde leven in de bergen te horen is in de typerende klaagzang van bluegrass. Als een van de weinige soorten folkmuziek heeft bluegrass een jazzachtige structuur: één instrument speelt een solo, terwijl alle andere de begeleiding vervullen. De solo gaat vervolgens over van het ene instrument op het andere. Minstens zo belangrijk voor de definitie van het genre is de zang: de lead – vaak ongewoon hoog – de twee-, drie- of vierstemmige harmonieën, niet als een achtergrondkoortje, maar als een klank waarin de stemmen versmelten tot een geheel.         (Wikipedia)

 

Het nummer dat ze spelen in dit filmpje is het mooist. Ik kijk vooral naar de prachtige hoeden, de charmante pasjes en het bas-achtige instrument. Is het inderdaad een kleine contrabas, die horizontaal bespeeld wordt? Of is het een ouderwetse gitaar? De klank is in ieder geval prachtig, in combinatie met de banjo. Ik geniet natuurlijk ook van het prachtige Southern accent.
De leadzanger zingt lekker rauw, de andere mannen vormen een prachtig (hoog!) achtergrondskoortje.

 

Ik was al eerder gecharmeerd geraakt van Bluegrass bij het zien van de (Belgische!) film The Broken Circle Breakdown. In deze prachtige, ontroerende film spelen de leadzanger van een bluegrassband en diens vriendin de hoofdrollen.

De trailer.

Luister ook naar dit hartverscheurende nummer, waarbij ik koude rillingen op mijn rug krijg. If I needed you.

Misschien nog wel de bekendste film waarin deze muziek een rol speelt is Brother Where Art Thou, van de gebroeders Coen. Ook zeer de moeite waard.

Trailer.

 

 

 

In Hell I’ll be in Good Company van The Dead South          8

The Broken Circle Breakdown                                                 9

Brother Where Art Thou                                                          8

Kleuters

Mijn eerste aanstelling in het onderwijs was op een lagere school. Ik werkte daar niet zo heel lang en had zo’n dertig jaar onderwijservaring in andere vormen van onderwijs opgedaan toen ik weer op een basisschool ging werken.
Een van de grootste verschillen met vroeger was voor mij de aanwezigheid van heel kleine kindertjes. Lagere school was inmiddels basisschool geworden en daar zitten ook kleuters op.

Ik zag ze langskomen, observeerde de lessen van hun juffen en praatte vaak met ze. Ik genoot van de onbevangenheid waarmee ze zich tot je richtten en het complete vertrouwen.
“Jij bent de baas van de wereld, hè?” zei er eentje tegen me. Toen ik deze bewering enigszins had gerelativeerd stelde hij vast dat ik in ieder geval wel de baas van de hele school was. En dat was zo.

Ik ontving de nieuwe ouders in mijn werkkamertje en vroeg ze altijd waarom ze voor mijn school gekozen hadden. Meestal kreeg ik een antwoord waarin de woorden normen en waarden voorkwamen. Mijn school was Protestants Christelijk en de ouders verwachtten dat zo’n school wel flink wat tegenwicht zou bieden aan de verloedering buiten de poorten.

Ik vertelde ze maar niet dat ik zelf niet zo’n duidelijk beeld had van onze aanpak op moreel terrein, ik vond het belangrijk dat we goede meesters en juffen hadden met het hart op de juiste plaats. Ik had er het volste vertrouwen in dat die hun lessen niet zouden beperken tot alleen de schoolvakken. Praten over gedrag en over goed en fout gaat vaak tussen de bedrijven door. Elke goede leerkracht weet de juiste momenten daarvoor aan te grijpen.

Bij het aannemen van nieuwe collega’s had ik eigenlijk alleen maar oog voor de pedagogisch-didactische kwaliteiten en vond het minder belangrijk of iemand en regelmatig kerkganger was.

Dat is me nog eens lelijk opgebroken toen ik werd gebeld door een boze collega-directeur. Ik had een van mijn stagiaires geadviseerd bij haar te solliciteren en had haar een lovende referentie gegeven. Tijdens het sollicitatiegesprek was duidelijk geworden dat mijn stagiaire niet Christelijk was. Ik realiseerde me dat ik daar nooit naar had gevraagd.

Dat de ouders er inderdaad op mochten rekenen dat wij ons best zouden doen de kinderen op te voeden tot prettige, sociale mensen kwam dus niet zozeer voort uit de Protestants-Christelijke identiteit van de school maar meer uit een verantwoordelijkheidsgevoel richting maatschappij: goed onderwijs draagt bij aan een betere samenleving.

Dat er goed onderwijs geleverd werd zag ik al heel snel. Ik stond versteld van de soepele en liefdevolle manier waarop de leerkrachten omgingen met al die wriemelende kleintjes. Met spelletjes, liedjes en rituelen zagen ze kans al heel snel allemaal individu’tjes samen te laten werken en op een prettige manier de dag door te komen. Er werd naar hartenlust gespeeld en geleerd en tot mijn verbazing snapten zelfs de allerjongsten dat ze af en toe geduld moesten hebben (je kunt niet allemaal tegelijk in de poppenhoek spelen) en rekening moesten houden met elkaar.

Ik wist dat de leerkrachten van groep een en twee hun vak zeer goed verstonden maar had soms toch weleens twijfel aan de goede afloop als ik een nieuw kind (dat binnenkort vier zou worden) aannam. In een geval begon het kleintje al tijdens het aannamegesprek mijn kamer te verbouwen (de moeder gaf haar lauwe pogingen haar kind in toom te houden al snel op); de juf zou  een flinke kluif hebben aan Chantal.

In een ander geval moest ik meerdere ernstige gesprekken voeren met een vader (die vaak niet kwam opdagen en anders te laat kwam) die zijn zoontje door dik en dun steunde (Arif had losse handjes, geen respect voor de juf wilde nergens aan meedoen). Hij vond dat er niets mis was met zijn zoontje en dat de school problemen zelf maar moest oplossen. Hij gaf grootmoedig toestemming hierbij geweld te gebruiken, dat deed hij zelf ook.

Arif zat regelmatig bij mij op mijn kamer en ik kwam erachter dat het een heel slim mannetje was.
Ik vertelde hem dat ik wilde dat hij naar de juf zou luisteren en dat het veel leuker zou worden op school als hij gewoon meedeed.

Het heeft een tijdje geduurd, de juf heeft erg veel tijd en aandacht geïnvesteerd, maar na verloop van tijd ging het prima met Arif, ik stond er versteld van hoe goed hij in de groep functioneerde en hoe prettig de sfeer was nadat hij was bijgedraaid. Hij kwam nog wel eens op bezoek, het was net of ik een ander jongetje voor me had. We hadden een prettig gesprek, ik prees hem uitbundig en kreeg altijd een hand bij het afscheid.

Ik schrijf dit succes volledig toe aan de bekwaamheid van de juf, de prettige pedagogische sfeer op school en de goede organisatie. Van zijn thuis-situatie moest hij het niet hebben.

Het is mijn overtuiging dat de school een ongelooflijk belangrijke rol speelt in de vorming van kinderen tot aardige, niet discriminerende, sociale mensen.

Kinderen staan aan heel veel indrukken bloot, sommige worden a-sociaal, discrimineren of zijn van haat vervuld, maar ze beginnen blanco.

Ik weet zeker dat goed onderwijs een geweldig groot verschil kan maken en
spreek dus graag mijn steun uit aan alle hardwerkende juffen en meesters die verlangen dat hun belangrijke werk naar waarde beloond wordt.

 

Ik stuitte op dit filmpje, het is een prachtige illustratie van de omstandigheid dat discriminatie niet aangeboren is, maar aangeleerd.

Vooral kijken!