Mooie oude forten

Het was een prachtige dag voor een fietstocht. We hadden allebei een mooie E-bike, waarvan de accu 100% gevuld was en Erik had een schapenvelletje op zijn zadel. Ik had dat niet, maar ik ben dan ook een aantal jaren jonger dan hij.

Erik had de Zuiderzeeroute uitgezocht, een mooie tocht van ongeveer 45 km, die ons langs een aantal bijzondere forten zou voeren.

Ik was onder de indruk van de zorgvuldige voorbereidingen die mijn reisgezel had getroffen. Als navigator had hij natuurlijk ook een grote verantwoordelijkheid.
Hij had een paar A-viertjes uitgeprint van het internet en een lijstje gemaakt van de knooppunten die we moesten aanhouden.

Ik had voor een lekkere lunch gezorgd die we ergens onderweg op een mooi plekje zouden oppeuzelen en ook mijn camera ingepakt.

Wat kon er misgaan?

We laadden de fietsen achterop de auto en reden naar Monnickendam. Daar lieten we de auto achter en begonnen welgemoed aan onze mooie fietstocht.

Na enkele minuten gaf Erik aan dat hij behoefte had aan koffie met iets erbij. Een man naar mijn hart.
Aan de haven van Volendam was een mooi terrasje waar we ons tegoed deden aan een appelpunt en een kopje koffie. Je kon er ook een biertje krijgen dat Mannenliefde heette, maar daarvoor was het nog te vroeg.

Erik was gedurig in de weer met zijn paperassen en vertelde steeds welke knooppuntnummers we moesten volgen, zodat we de weg niet zouden kwijtraken. Twee tellen nadat hij dat gedaan had was ik ze alweer vergeten, ik heb geen hoofd voor cijfers.

Ik had mijn lot in Erik’s handen gelegd en concentreerde mij volledig op het prachtige Nederlandse landschap dat zich voor onze ogen ontvouwde.

Regelmatig passeerden we medezestigplussers, je haalde de echtparen er meteen uit: die hadden dezelfde fiets, hetzelfde wollen zadeldekje en in een geval ook identieke fietshelmen op hun grijze hoofd. Ze droegen daaronder ook nog een mutsje, een geval van overkill in mijn ogen. Je zag ze vaak op een bankje zitten, waar ze koffie uit een thermosfles dronken. Aan hun sacherijnige blik kon je zien dat je niet voor je lol een eind gaat fietsen.

Zouden zij ook op zoek zijn naar de bijzondere forten?

Toen we Kwadijk uitreden beseften we dat het eerste fort aan onze aandacht ontsnapt was. We constateerden dat het kennelijk zo’n onbeduidend bouwsel was geweest dat we er ook niets aan gemist hadden. Het volgende zou vast de moeite waard zijn!

Ter hoogte van Zuidoostbeemster reden we voor het eerst verkeerd. Dat kan iedereen gebeuren natuurlijk.

Maar gedurende de rest van de dag werd Erik’s hoofd steeds roder, bleef hij steeds langer bij de knooppuntborden staan en keek hij steeds wanhopiger naar zijn papieren.

We fietsten sommige stukken drie keer, in de veronderstelling dat we een bordje gemist hadden, maar konden het juiste pad niet meer vinden.

Na verloop van tijd constateerde onze navigator dat sommige knooppunten niet bestonden, het was dus onmogelijk die te vinden.
Inmiddels werd het steeds later, we werden steeds moeier en het ladingpercentage werd steeds lager. Dat Erik al een tijdje stiekem standje 3 reed in plaats van 2 hielp ook al niet. Inmiddels hadden we nog geen enkel fort gezien.

Om de moed erin te houden gaf Erik raadseltjes op, die me zo in beslag namen dat ik helemaal niet op de omgeving lette. Ineens schreeuwde hij “FORT” en waarachtig, naast de weg lag een oude versterking, naar later bleek gebouwd in 1913.

We liepen wat rond, maakten wat foto’s en probeerden erachter te komen om welk fort het hier ging. We ontdekten  dat dit fort helemaal geen deel uitmaakte van de bezienswaardigheden van onze route.

Vol goede moed stapten we weer op, en na vijf minuten stopte Erik weer om zijn kaart te bestuderen.

Toen ik hem zag worstelen met de routeproblematiek moest ik ineens denken aan een tochtje dat hij enige jaren geleden had georganiseerd. We zouden toen naar Laren fietsen. Bij die gelegenheid wilde zijn routeplan ons al na enkele minuten met de fiets de snelweg op sturen. Hij had zich niet gerealiseerd dat fietsen soms anders moeten rijden dan auto’s.

Ik moest constateren dat Erik waarschijnlijk nog minder benul had van kaarten en routes dan ik.

Inmiddels zat hij er aardig doorheen en werd het mijn taak hem wat op te beuren. Ik deed zwartgallige voorspellingen (we komen nooit meer thuis, wat zullen ze ons missen) en beurde hem op met de mededeling dat we van de lunch nog één pakje chocomel hadden overgehouden. We hadden dus mondvoorraad en zouden het nog wel een tijdje kunnen uitzingen voordat we gered werden. We hoorden het geluid van een sirene en ik stelde vast dat hulp dus nabij was.

Omdat de knooppunten ons voortdurend voor raadsels stelden besloot Erik dat we zo snel mogelijk terug moesten naar de auto en dat we ons vanaf dat moment zouden laten leiden door de rode routeborden voor fietsers. “Ik heb het helemaal gehad met die knooppunten”.

Dat we hierdoor uiteindelijk een groot deel van de route opnieuw in omgekeerde richting aflegden was niet zo’n bezwaar.
Erik riep ook regelmatig de hulp in van plaatselijke bewoners, waarvan er een ons voor het laatste stuk naar Monnickendam langs de snelweg stuurde, wat natuurlijk niet echt lekker fietsen is.

Met nog 2% lading in mijn accu kwamen we aan bij de auto, die gelukkig wel startte (ik had Erik er al op voorbereid dat dit misschien niet lukken zou, omdat ik eerder op de dag een verdacht geluid had gehoord).

Opgelucht pakte hij zijn TomTom die ons de weg terug naar Almere moest wijzen, maar het schermpje bleef donker.

 

We zijn toch nog thuisgekomen.

 

Zuiderzee Fortenroute         8 (als je het kan vinden).

 

Allemaal koninginnen

Of: de avonturen van Martin in postzegelland.

Als je via internet iets bestelt kom je terecht in een database. Soms heeft dat tot gevolg dat je allerlei aanbiedingen in je postbus vindt.

Ik bestelde ooit enkele postzegels die ik mooi vond. Ze kostten niet veel geld en ik wilde ze graag in een lijstje aan de muur hangen¹.

 

 

Nu sta ik te boek als postzegelverzamelaar en niet lang geleden viel een dikke catalogus op de deurmat. Hierin werden duizenden postzegels te koop aangeboden en ook spullen die met de hobby te maken hadden.

Ik bladerde door de gids en stond versteld van het aanbod.

 

Ik had vroeger een neef en een oom die postzegels verzamelden. Ik schatte terecht in dat deze hobby niets voor mij was. Je moest zitten te friemelen met piepkleine stukjes papier, je moest ze moeizaam losweken en voorzichtig met een pincet in een hoesje frommelen. Het aanbod was zo verschrikkelijk groot dat je verzameling nooit van zijn leven ook maar een beetje compleet zou worden.

Ik ben er dan ook nooit aan begonnen, tot vandaag.

Mijn vrouw en ik herkenden beiden postzegels van vroeger (toen mensen elkaar nog kaarten en brieven stuurden) en uit nostalgische overwegingen bestelde ik er hier een paar van.

Toen bleef mijn blik hangen bij een speciale aanbieding: 1000 Nederlandse postzegels voor €15,-!

Die kon ik niet voorbij laten gaan. Mijn aloude drang ergens veel van te bezitten stak de kop op. Ik fantaseerde dat er prachtige exemplaren tussen zouden zitten en misschien wel een enkele heel zeldzame, die heel veel geld waard was².
De verkopers zouden zich de haren uit het hoofd trekken dat ze bij de samenstelling van het pakket niet beter opgelet hadden. Toen ik het bestelnummer had ingevoerd bedacht ik dat ik eigenlijk ook een album nodig had om mijn schat in op te bergen. Ik kon mijzelf er net van weerhouden ook een speciale filatelie-pincet aan te schaffen. In het medicijnkastje lagen er drie, daar zou ik mij voorlopig waarschijnlijk wel mee kunnen redden.

Wie voor het eerst een beetje rondneust in de wereld van de postzegelverzamelaars ontdekt dat er heel veel is waar hij geen verstand van heeft:

Wat betekent postfris (gebruikt en ongebruikt)?  Wat is een tete-beche met en zonder gutterpair? Vierzijdige roltanding? Wat zou een dubbelenpartij zijn?

Ik liet mij hierdoor niet weerhouden en wachtte vol spanning het pakket af.

Duizend postzegels is heel veel. In het begin bekeek ik elk plaatje zorgvuldig en probeerde soort bij soort op de grote eettafel te leggen, maar al gauw verloor ik mijn geduld en besloot rigoureus te schiften. Ik ontdekte dat nieuwere zegels mij nauwelijks konden boeien. Ik zag dat men in de postale wereld kennelijk elke gelegenheid aangrijpt om een speciale postzegel uit te geven. Van het vijftig jarig bestaan van de NAVO tot werelddierendag: overal bedacht men een meestal heel lelijke zegel voor.

Weg ermee. Ik gooide alle nieuwerwetse zegels in een doosje en legde de oude (nog met een waarde in centen, soms zelfs halve centen!) apart.
Ik had mijn draai gevonden en was al aardig op weg een echte gespecialiseerde filatelist te worden.

Er was één soort postzegels duidelijk oververtegenwoordigd: die met een koningin erop.
De bekendste is natuurlijk de zegel met Juliana van opzij. In mijn herinnering zat die op alle brieven en kaarten.
Maar er waren nog veel meer vrouwelijke monarchen. Ik had al door dat er heel wat research bij zou komen kijken vóór ik precies wist met welke vorstin ik van doen had, want ze zetten er op postzegels bijna nooit een naam bij.

 

Over de tafel hangend speurde ik naar zegels die tot dezelfde serie behoorden, want die moesten bij elkaar in mijn album.
Bij sommige zegels kon ik amper zien wat erop stond, omdat menig overijverige postbeambte zich kennelijk niet had weten in te houden bij het stempelen. Ik leerde nu dus wat het verschil is tussen postfris en gebruikt. (Wat ongebruikt is weet ik nog steeds niet).

Ik kwam erachter dat omgang met postzegels iets is voor mensen met een goed ontwikkelde fijne motoriek en veel geduld. De broze stukjes papier laten zich slechts met de grootst mogelijk moeite achter de doorzichtige venstertjes van het album proppen en zitten dan ook nog eens scheef. Je moet ook niet de fout maken even te hoesten terwijl je net alles op volgorde hebt gelegd. Ik pauzeerde regelmatig.

Er komt vast een moment dat ik heel precies ga uitzoeken wat er allemaal aan informatie te vinden is, maar voorlopig ben ik even klaar met mijn filatelistische uitspattingen. Meer later!

¹Een vraatzuchtig beestje heeft zich inmiddels tegoed gedaan aan de postzegel van 1 cent. Hij heeft de andere denominaties tot nu toe met rust gelaten. Ze hebben tegenwoordig ook nergens meer respect voor!

²Als je vroeger over de Nieuwezijds Voorburgwal richting Spui fietste zag je aan je rechterhand altijd enkele kraampjes staan waar ze postzegels verkochten.
Guus Luijters en Carmiggelt besteedden er in een stukje allebei aandacht aan.
Ze vertelden dat er nog weleens jongetjes rondliepen met hun postzegelalbum onder de arm en dat die steevast verschillende keren werden aangesproken door oudere verzamelaars: “Mag ik even in je album kijken”? Die mannen hoopten dat ze er een zeldzame, kostbare zegel in zouden aantreffen, die ze dan het nietsvermoedende jongetje voor een prikje zouden ontfutselen.

Gevelstenen

 

Wie het woord gevelstenen hoort denkt in de eerste plaats waarschijnlijk aan de versieringen die je boven de voordeur van menig oud huis aantreft.
Vaak geven ze een aanwijzing over de bewoners of over het vak dat in het betreffende pand werd uitgeoefend.
Ze zijn soms heel mooi, soms wat amateuristisch of oubollig, maar bijna altijd oud.

Ik ontdekte dat men in Almere bij de renovatie van een wijkje nieuwe gevelstenen in de muren had aangebracht, met een modern ontwerp. Ik vond ze mooi.

Ik ging op onderzoek uit (ik googelde dus) en vond al gauw de site van Annet van der Kamp. Ze schrijft hier het volgende:

In opdracht van Woningstichting Goedestede uit Almere en architectenbureau 19 Het Atelier uit Zwolle heb ik 12 reliëftegels van 30 x 30 cm ontworpen en uitgevoerd. Deze prototypes zijn afgegoten in zandsteenkleurig beton bij de firma Veluwebeton uit Staphorst.
De tegels zijn toegepast in de renovatie van Stedenwijk Almere-Noord, die is uitgevoerd door 19 Het Atelier uit Zwolle. De wijk bestaat uit drie segmenten genoemd naar de drie noordelijke provincies; Groningen, Friesland en Drenthe. In de ontwerpen is gezocht naar de visuele vertaling van deze provincies namelijk:
FRIESLAND: Het Water, het Riet langs de oevers en de Zwaluw in de lucht.
GRONINGEN: De Voren op het land, het Graan en de Zeehonden op het wad.
DRENTHE: Het Heuvelachtige landschap, de Heide en de Schapen in de vrije natuur.

Ik maakte wat foto’s en werd argwanend bekeken door enkele bewoners. Zij vroegen zich waarschijnlijk af welk crimineel doel mijn activiteiten hadden.
Ik knikte vriendelijk naar een oude mevrouw om duidelijk te maken dat ik geen snode bedoelingen had, maar ze knikte niet terug. Gelukkig was ik al klaar en kon op mijn fiets springen. Voor je er erg in hebt sturen ze hun pitbull op je af…..

Toen ik de gerenoveerde huizen wat beter bekeek kreeg ik een associatie met de Amsterdamse School: hier en daar waren verticale muren uitgevoerd met dakpannen in plaats van metselwerk.
Een blik op de site van de architecten die het renovatieplan hebben bedacht bewees dat er inderdaad een link bestaat:

Opdrachtgever: Mateboer Bouw BV / GoedeStede Almere
Locatie: Almere
Oplevering: 2012

Amsterdamse school revisited
Achter het ogenschijnlijk homogene uiterlijk van de verwaarloosde jaren ‘70 wijk met 750 woningen schuilde een diversiteit aan composities van bouwblokken. Deze compositorische elementen, de materialisatie die zich in baksteen uitdrukt en de relatie die Almere met Amsterdam heeft, doet er toe leiden dat de Amsterdamse School inspiratiebron vormt voor de gevelrenovatie. Om de oriëntatie in de wijk te vergroten is er op subtiele wijze onderscheid aangebracht tussen de verschillende deelgebieden. Door verfijning en variatie in metselwerk en verschillende toepassingen van dakpannen krijgt de wijk meer aanzien, meer identiteit en meer herkenningspunten zonder zijn originele karakter te verliezen. Vanuit het idee dat er ook gevelornamenten dienen te worden opgenomen als onderscheidend en bindend element tussen de verschillende buurten zijn beeldhouwwerken die refereren aan de straatnamen toegepast.
(19atelier Zwolle)

 

Dit is de site van Annet van der Kamp

Dit is de site van 19atelier Zwolle

Moderne gevelstenen in Stedenwijk Noord                       8

De trein

Ik vertelde een vriend dat ik naar een mooi concert in het Concertgebouw van Amsterdam was geweest. “Je hebt je auto zeker in de parkeergarage onder het Stedelijk Museum gezet” vroeg hij.

Ik was verbaasd, omdat ik nooit met de auto naar Amsterdam ga. Ik heb het idee dat ik dan voortdurend met opstoppingen te maken zou hebben en heel veel moeite zou moeten doen een parkeerplek te vinden, waar je dan ook nog eens veel voor moet betalen.

Ik neem natuurlijk altijd de trein. Als het een beetje meezit sta ik binnen een halfuur op het Centraal Station, daar kan ik verder met de tram of met de metro.

Ik houd erg van de trein en vind het nog steeds een klein mirakel dat je comfortabel gezeten, lekker naar buiten kijkend of in een boek, met vliegende vaart naar je bestemming gebracht wordt.

Het komt een enkele keer voor dat het heel druk is en dat je een gedeelte van het traject moet staan, maar ik heb bijna altijd een zitplaats.

Ik weet niet wat er de reden voor is, maar de plaatsen waar twee banken tegenover elkaar gepositioneerd zijn worden het eerst in beslag genomen. Kennelijk zit je daar het lekkerst. De coupé vult zich altijd volgens het principe van de personal bubble: nieuwe mensen gaan eerst alleen zitten en pas als dat niet meer kan nemen ze naast iemand anders plaats.

Ook heel fijn zijn de aparte compartimenten in de Intercitytreinen. Daar kunnen zes mensen in, maar als je erin zit komt er zelden iemand bij.

Soms blijk je je in een stiltecoupé te bevinden, o wee als je dan te hard praat of telefoneert, je krijgt dan boze blikken of wordt terecht gewezen.

 

Wij hebben een voordeelurenkaart en hebben ook Keuzedagen: elke twee maanden mogen we een dag gratis reizen, plus nog één andere dag. Voor een beetje meer geld mag je eerste klas, wat natuurlijk helemaal een feest is.
In de eersteklascoupés met de rode stoelen is bijna altijd plaats. We vragen ons wel eens heel kinderachtig af of al onze medereizigers ook wel over een eersteklasbiljet beschikken en hopen dat de conducteur snel komt controleren, waarbij wij dan kunnen laten zien hoe betrouwbaar wij zijn en de misbruikers verbannen worden.
Het zou best kunnen dat andere reizigers aan ons twijfelen: zou die man met die sandalen en die korte broek wel weten dat hij in de eersteklas zit?

Niet lang geleden zaten we vlakbij een reiziger die de eigenaar van NS moest zijn. Wij wisten dat omdat hij in zijn eentje vier plekken innam: hij zat aan het gangpad en op de stoelen voor hem had hij zijn koffer en jas gedrapeerd.
Hij was bezig met heel belangrijke zaken op zijn laptop, waarbij hij natuurlijk niet gestoord mocht worden.

Als je om je heen kijkt moet je constateren dat negen van de tien medereizigers naar het schermpje van hun telefoon zitten te kijken. De tiende is aan het bellen. De strekking van het gesprek is altijd hetzelfde: “In de trein. Zwolle. Over tien minuten.”

We zitten vaak in een Sprinter, die maar een nadeel heeft: hij heeft geen toilet. Dat hij op elk station stopt (inderdaad: een sprinter en geen langeafstandsloper) vind ik niet zo’n bezwaar.

 

We mogen ook regelmatig plaatsnemen in een Intercity, waar vaak studenten langskomen met een gigantische buidel om hun middel waarin talloze lekkernijen zitten. Ze dragen een zak heet water op hun rug waaruit ze via een slangetje bekertjes koffie en thee vullen. Ze kondigen hun komst van tevoren aan en zijn niet boos als je niets van hen koopt.

Er is een tijd geweest dat men een railtender gebruikte: smalle hoge karretjes die precies in het gangpad pasten.

In veel dubbeldekkers herinnert een liftje, waarmee het karretje naar boven werd gebracht hier nog aan. Ik zie ze nu nooit meer.
Het is eigenlijk heel raar dat de railtenders afgeschaft zijn, omdat juist vanwege die liftjes de opgangen waarvan de reizigers gebruik moeten maken claustrofobisch smal zijn.

 

De allermooiste trein is de machtige koploper: als de treinstellen aan elkaar zijn gekoppeld loop je onder de cabine van de machinist door.
Ik zou best eens bij de machinist willen staan als deze trein rijdt: je hebt een majestueus uitzicht over het spoor.

 

Nederlandse Spoorwegen                8

Madeline was jarig en kreeg als cadeautje een ritje met de trein. Bekijk het filmpje.

 

Goed eten

Ik las de column Glutenvrij van Marjan Slob in de Volkskrant van 10 september en herkende het een en ander.

Slob vertelt dat terwijl maar ongeveer 1 op de 100 mensen echt geen gluten kan verteren 1 op de 3 Amerikanen “in de greep is van het glutenvrije dieet”.
Ze schrijft verder:

Ik hoor ook vaak mensen praten over “goed eten”. Ze bedoelen dan vaak biologisch, of uit eigen tuin. Er klinkt dan de suggestie door dat je risico loopt wanneer je je boodschappen bij de gewone supermarkt doet.

Sommigen gaan nog verder en nemen woorden als gif in de mond, zijn ervan overtuigd dat kunstmatige zoetstoffen kanker verwekken en gruwen van e-nummers.

Ik word daar altijd een beetje dwars van. Ten eerste sta ik versteld van het fantastische aanbod van de “gewone” supermarkten (ik heb in het buitenland wel anders gezien, vooral met betrekking tot verse groenten) en ten tweede ben ik ervan overtuigd dat de fabrikanten er heel goed voor waken dat er geen gevaarlijke stoffen in hun producten zitten.

Ik zeg hiermee niet dat er ook nooit ongezonde of onnodige ingrediënten in zitten, of in te hoge doses, maar echt gevaarlijk wordt het nooit.

De Keuringsdienst van Waren is niet meer wat hij geweest is, maar fabrikanten waken er zelf natuurlijk voor dat mensen niet ziek worden van hun producten. Ze hebben een naam te verliezen en kunnen wel ophouden als bekend wordt dat hun waren niet veilig zijn.

In 1980 kwam nitriet uit het koelsysteem van vrachtwagens terecht in diepvriesvoedsel van Iglo. Mensen werden ziek en er vielen twee doden.

De koelwagens met het nitrietsysteem werden omgebouwd, zodat geen nitriet meer nodig was. Ongeveer 300 ton diepvriesvoedsel werd uit de handel genomen, uit 750 Limburgse winkels, die vanuit het depot in Limburg waren bevoorraad, mogelijk met de besmettende koelwagens. De schade bedroeg ruim 2,5 miljoen gulden. Iglo bood zijn excuses aan in een enorme advertentie in diverse tijdschriften.
(Wikipedia)

Het verbaast me dat voor veel mensen natuur gelijkstaat aan gezond.
Zij realiseren zich niet dat in de natuur talrijke uiterst giftige stoffen voorkomen, die heel gevaarlijk zijn voor de mens.
Verder moet mij van het hart dat ik niet altijd evenveel vertrouwen heb in fabrikanten die hun artikel als “zuiver biologisch” aanprijzen.
De grote bedrijven zijn erachter gekomen dat er veel winst te halen is bij “bewuste consumenten” en vallen over elkaar heen met hun gezondheidsclaims.
Verder moet je er maar op vertrouwen dat natuurvoedingswinkels inderdaad onbespoten biologische spullen verkopen. De klant kan dit nooit controleren.

Ten slotte constateer ik ook weleens dat er mensen zijn die erg begaan zijn met de natuur en alleen gezond voedsel willen eten en tegelijkertijd rondrijden in een heel dikke auto en drie keer per jaar op vliegvakantie gaan. Hier knarst iets.

 

Ik drink cola met aspartaam (je moet er toch niet aan denken dat ik dik word!), koop scharrelkip (volgens mij zijn er geen winkels meer die plofkip verkopen) en ben gek op donkerbruin brood (ja, ik weet dat het kleurtje komt van gebrande karamel) waarin vast veel gluten zitten.
Ik mag dat brood zelf snijden en stel de machine heel bewust in op dikke boterhammen, want die zijn gezonder dan dunne.

Boodschappen doen is een feest.

Daarna goed eten!

 

 

 

De tolk van Java

Lang geleden werkte ik op een school in de Amsterdamse Kinkerbuurt en ontmoette op een ouderavond de vader van een van mijn leerlingen.

Hij stelde zich voor als Raymond Westerling en ik herkende hem meteen als de beruchte kapitein die dienst had gedaan in Indonesië tijdens de politionele acties. Er werd van hem verteld dat hij gevangenen had laten martelen en dat hij sommigen standrechtelijk had geëxecuteerd.

Ik deed mijn best me te concentreren op het gesprek over zijn dochter, maar moest na afloop wel even slikken.

Ik wist van hem omdat ik altijd al een bijzondere interesse gehad heb in onze voormalige kolonie. Ik heb heel wat boeken gelezen, documentaires gezien en bezoek al jarenlang de Pasar Malam in Den Haag om wat sfeer op te snuiven.

Een zekere ongezonde Tempo Doeloe-mentaliteit kan mij niet ontzegd worden. Ik kijk naar de foto’s van blanken op plantages, comfortabel gezeten in rotanstoelen op de veranda van hun koloniale villa terwijl ze bediend worden door eerbiedig inlands personeel. Voor elk klusje een bediende, ze mochten blij zijn dat ze een betrekking hadden. Ons Indië, de Gordel van Smaragd…

Een van mijn vrienden is als baby naar Nederland gekomen (ik maak het verhaal altijd mooier door te zeggen dat hij op de boot geboren is) en heeft mij veel verteld over zijn Indo-familie.

Ik wist wat er zich had afgespeeld in de Tweede Wereldoorlog en ook dat Nederland maar wat graag de koloniale verhoudingen na afloop weer in ere wilde herstellen. Alles zou worden als vroeger en we zouden weer volop profiteren van de rijkdommen van onze overzeese gebiedsdelen.

Het was een beetje anders gelopen: de Indonesiërs hadden gezien dat de machtige blanke bezetter verslagen werd door een ander Aziatisch volk en ontdekt dat het dus ook anders kon.

Men wilde dat er een eind kwam aan de koloniale overheersing en dat Indonesië onafhankelijk zou worden. Er brak een verschrikkelijk wrede periode in de geschiedenis van Indonesië aan. Vooral tijdens de Bersiap (het machtsvacuüm dat ontstond na de capitulatie van Japan op 15 augustus 1945) werden talloze blanken, Indo’s, Chinezen en van collaboratie verdachte inlanders vaak op gruwelijke wijze vermoord.
Met name Amerika drong er na de Tweede Wereldoorlog op aan bij de Europese staten dat ze hun voormalige koloniën zouden opgeven.

Nederland stribbelde tegen en probeerde met harde hand het gezag te herstellen. Met dit doel werden twee politionele acties ondernomen, een eufemisme voor koloniale oorlog.

Het liep op een mislukking uit. Nederlandse strijdkrachten begingen oorlogsmisdaden maar konden niet winnen en uiteindelijk werd de onafhankelijkheidsverklaring getekend.

Heel veel Indische Nederlanders moesten vluchten naar Nederland omdat ze niet meer veilig zouden zijn als ze bleven.
Nederland deed mooie beloften aan met name ex-soldaten van het KNIL maar kwam die niet na.

Grote groepen Indo’s moesten in Nederland een bestaan opbouwen. Ze hadden problemen met heimwee, discriminatie en wennen aan de Nederlandse samenleving. Twintig jaar later zouden jonge Molukkers gewelddadig aandacht opeisen voor het onrecht dat hen was aangedaan.

Dit is de achtergrond van de hoofdpersonen in De tolk van Java, van Alfred Birney. Het boek won de Libris Literatuurprijs 2017 en werd een bestseller.

Ik las het boek en was een beetje teleurgesteld.

Die meeste aandacht gaat uit naar de vader van de hoofdpersoon, die eerst tegen de Japanners vocht en daarna optrad als tolk voor de Nederlandse strijdkrachten. De titel tolk is misleidend, omdat hij veel meer deed dan vertalen. Hij martelde vrijheidsstrijders en vocht volop mee.

De vader heeft zelf een verschrikkelijke jeugd gehad, moest daarna uitwijken naar Nederland omdat hij de koningin altijd trouw was gebleven en behandelt zijn kinderen dan net zo wreed als hij zelf gewend was.

Hij kreeg deze kinderen met een Nederlandse vrouw uit Helmond. Ze hadden elkaar als correspondentievrienden leren kennen.

De vader voert een schrikbewind uit en werkt voortdurend aan zijn memoires, rammelend op een oude Remington schrijfmachine.
Het boek laat bij toerbeurt zoons (een tweeling) en vader aan het woord, vaak spreekt de jongen zijn vader toe. Het middelste gedeelte bestaat uit het levensverhaal van de vader, de zoon beschikt over het manuscript.
Er is een heel duidelijk verschil in schrijfstijl: ik kom er niet achter of dit inderdaad een gevolg is van het letterlijk citeren uit het manuscript, of dat Birney op deze manier authenticiteit wilde verlenen aan het gedeelte dat aan zijn vader wordt toegeschreven.

Birney zelf schrijft goed, maar heeft geen literaire stijl. Hij bedient zich vaak van spreektaal en brengt weinig psychologische diepgang aan.

Als hij zijn vader aan het woord laat ziet het er nogal onbeholpen uit. Ik heb er af en toe moeite mee te geloven dat iemand werkelijk op deze manier over zichzelf schrijft.
Voorbeeld: er komen zeker vier passages voor waarin de hoofdpersoon zich moet melden bij een meerdere. Elke keer vertelt hij dat hij stram in de houding gaat staan en salueert.

Een onderhoudend boek, dat waarschijnlijk heel dicht tegen de werkelijkheid aanzit, maar dat volgens mij de vele loftuitingen niet helemaal waard is.

Kapitein Raymond Westerling wordt één keer genoemd in het boek, maar speelt geen enkele rol….

 

De tolk van Java         6

 

 

De Noord-Zuidlijn

In mijn studietijd maakte ik van nabij de Nieuwmarktrellen in Amsterdam mee: er waren felle protesten tegen de sloop van woonhuizen ten behoeve van de metro. Je ogen gingen tranen van het traangas, de politie voerde charges uit (heel spannend om ze net voor te blijven) en spoot met een “waterwerper” (zo heette dat in politiejargon) naar de betogers.

We schuilden achter een Renault 4. Ik stond achter de cabine, mijn vriend Wim aan de voorkant waar de motor zich bevond. Toen we ons oprichtten om te kijken naar het waterkanon spoot het net in onze richting. Ik werd beschermd door de auto, maar Wim niet. Hij kreeg de volle laag en werd finaal van de sokken gespoten. Zijn bril lag drie meter verder.
Wat heb ik gelachen.

Toen de metro eindelijk klaar was heb ik er vele malen dankbaar gebruik van gemaakt. Ik moest vaak in de Bijlmer zijn en nam mijn fiets dan mee om later weer thuis te komen. Het werd meestal zó laat dat de metro allang niet meer reed.

Het werd tijd voor de Noord-Zuidlijn. In mijn herinnering zijn ze er eindeloos mee bezig geweest, ik kan me de tijd niet meer heugen dat het stationsplein niet open lag.

Toch is hij eindelijk opgeleverd, we gingen natuurlijk even kijken.

De nieuwe lijn is niet echt spectaculair, en is ook niet echt lang. Wel ben je verbazingwekkend snel in Noord. Of zo’n ritje te verkiezen is boven een tochtje met de pont over het IJ is de vraag, maar als je haast hebt is het wel een uitkomst.

Het is ook verbazingwekkend hoe snel je de reis tussen de Rai en de Dam aflegt. Op de fiets ben je denk ik toch wel een half uur kwijt, met de metro enkele minuten.

Het mooiste station is Rokin. Hier hebben ze veel werk gemaakt van de bodemvondsten die verzameld zijn bij de werkzaamheden. Amsterdam is een heel oude stad en door de tijd heen zijn heel wat voorwerpen kwijtgeraakt of weggegooid en in de bodem terecht gekomen. Die kwamen weer aan het licht toen er gegraven werd en alles is nauwkeurig geregistreerd, geordend en tentoongesteld.

Wie gebruik maakt van de lange roltrap kan alles bewonderen.

 

Er is ook een boek verschenen waarin alles is gecatalogiseerd. Er is van elk object een foto gemaakt, alles is geordend en genummerd maar niet becommentarieerd.
Er zijn heel oude dingen gevonden, maar ook eigentijds materiaal.

 

 

 

Wat betreft de tentoonstelling: jammer dat je niet even kan stilhouden om de dingen rustig te bekijken. Het boek is prachtig, maar kostbaar (ongeveer 80 euro) en eigenlijk een beetje saai. Ik wacht tot er een boek komt met de highlights en verhaaltjes bij de spullen.

Vanaf de perrons kan je wandmozaïeken bekijken, die geïnspireerd zijn op de vondsten: een levensgroot badmintonracket, een vlinder, een krokodil en gebruiksvoorwerpen. Mooi!

 

 

Bekijk dit filmpje dat Greet van de tentoonstelling op het station Rokin maakte: IMG_0179

 

Noord-Zuidlijn                      7

Bodemvondsten Rokin          8